Meester Trump

meester trump

Hoe lang blijft die gek nog aan de macht? Dat vroeg ik me af toen ik Trump zag spreken over Mexicaanse vluchtelingen. Hij deed daarbij een poging om te rechtvaardigen dat kinderen van hun ouders gescheiden werden. Het was maar voorlopig en de kinderen werden verder humanitair begeleid. Huh? Liefst zie ik Trump als een soort misplaatste grap, een verdwaalde gek. Totdat ik besef dat hij gekozen is door de bevolking van de Verenigde Staten. Hij kreeg, pak hem beet, ongeveer de helft van de stemmen. Dus dat betekent dat hij zo’n 150 miljoen Amerikanen vertegenwoordigt. Eigenlijk wat minder want de niet-stemgerechtigden moeten hier nog af maar in elk geval geldt dat veel, heel veel bewoners uit een geciviliseerd land deze blaaskaak wel oké vinden. Ongelofelijk!

Dit leek een schokkend inzicht te zijn totdat ik het nog wat breder trok. Trump illustreert ego-krachten, niet alleen van hemzelf, niet alleen van de helft van de Amerikaanse stemgerechtigden maar van ons allemaal en, slik, ook van mij. Hij is een vergrotende spiegel die onze innerlijke strijd laat zien tussen twee krachten; de kracht van afscheiding (ieder en vooral Amerika voor zich) en de kracht van verbinding (laten we toch samenwerken op zoveel mogelijk gebieden als milieu, handel, mensenrechten enzovoorts). We zien op het wereldtoneel de uitvergroting van dit ogenschijnlijke gevecht.

Hoezo ogenschijnlijk? Omdat een woord als ‘gevecht’ ons geen stap verder helpt en een koekje van hetzelfde verzuurde ego-deeg is. Moeten we dan de afscheidingskrachten maar gewoon laten gebeuren? Mogen we niet onze verontwaardiging uitspreken en in verzet komen? Dat beweer ik niet. We hoeven niet met de handen op de rug zwaarmoedig te gaan zitten zuchten en we hoeven ook niet onszelf een onverschilligheid aan te meten waarvan we menen dat dit overeenstemt met wat de Cursus ons probeert te leren. We mogen binnen de nachtmerrie gewoon in actie komen maar het is wel de uitnodiging om dit niet te doen vanuit een veroordelende denkgeest die geloof hecht aan aanval en verdediging.

Want wat we zo uitvergroot zien is niet het gevecht tussen goed en kwaad. We zien ons eigen ego-wens tot afscheiding en als we hierop reageren met een vechtersmentaliteit dan versterken we de illusie van afscheiding slechts. Dan krijgen we nieuwe oorlogen waarbij we geloven dat “God is met ons” geldt. Nee, God en de Liefde vechten niet. Jezus, onze oudere broer en voorbeeld, vocht niet toen hij gearresteerd werd. De uitnodiging aan ons adres is om te zien hoe die ego-krachten ook in onze denkgeest werken. Wij zijn niet bang dat Mexicanen ons land overspoelen. Maar wat als de boten met vluchtelingen uit Afrika nu eens doorvaren en met duizenden donkere Moslimbroeders in onze havens aankomen? Een AZC bij ons om de hoek wellicht? Het voorbeeld van de bedreiging van onze materiele welvaart is slechts een uiting van een dieper gelegen kwestie. Uiteindelijk gaat het allemaal terug naar het geloof in afscheiding en het daarmee ontstane gevoel van kwetsbaarheid en angst voor de dood.

Wij menen veel geld nodig te hebben om comfortabel te blijven leven en willen dit niet delen met vluchtelingen. Wij geloven in een toename van agressie waarbij we in “Opsporing verzocht” zien dat de vermoedelijke daders te vaak een donkere huidskleur hebben. Moeten we dit naïef naast ons neerleggen? Moeten we, zoals mijn oma het vroeger zei, onze portemonnee maar aan de deurknop hangen? Zie je hoe makkelijk die overgang gemaakt wordt van verontwaardiging en bewogenheid naar piekeren over wat we dan wel moeten doen en de daarbij opkomende angstgevoelens? Hierin zijn we dus totaal vergelijkbaar met wat Trump ons laat zien. Ons ego haast zich nu om te zeggen dat wij ook wel een beetje reageren vanuit angst maar dat wij niet zo bot en asociaal zijn als Trump. Pieuw, gelukkig, ons onschuldig en welwillend gelaat is weer gered.

Laten we helder zijn. Wij identificeren ons met ons lichaam, wij menen dat we kwetsbaar zijn, wij zijn bang en wij handelen oh zo vaak vanuit deze angst. Maar wat dan? Dan geldt telkens weer dat de Cursus ons geen handvatten biedt voor wat we zogenaamd concreet, dus in onze droom, moeten doen. Is dit een flauwe manier om me ervan af te maken? Een sleetse cliché? Allerminst, want de Cursus leert ons wel degelijk zeer precies wat we moeten doen. We moeten onze eigen angsten herkennen in die van wat we buiten ons menen te zien. Dank hiervoor broeder Trump! En dan vraagt Jezus ons om opnieuw te kiezen. Wat willen we geloven? Willen we geloven dat we een klein en kwetsbaar zelf zijn of willen we geloven dat we liefde zijn? De macht om te beslissen is aan mij (152).We mogen wat we zien naar het licht brengen en het leren zien als een uiting van liefde of een roep om liefde. Alle dingen zijn een weerklank van de Stem namens God (151). En dan, als de eenheid herinnerd wordt, mogen we de liefde laten stromen tot in onze droom aan toe. Hoe ziet dat er dan uit? Dat weten we niet van tevoren. Misschien gooien we liefdevol de tafels van de verkopers in de tempel ondersteboven. Wie zal het zeggen? Maar pas als we onze ware Identiteit leren herkennen en die van Trump kan er iets nieuws en moois herinnerd worden.

WB 171: God is louter Liefde, en dus ben ik dat ook.

En bedankt!

release-illusionsVroeg in de middag rijd ik in de auto met mijn vrouw door Hoofddorp. Twee fietsers willen de staat oversteken en de voorste, een lange man, besluit dat ik hem maar voorrang moet geven. Hij ziet me aankomen maar wil niet remmen en rijdt langzaam maar dwingend alvast een stukje mijn rijbaan op. Er komt woede in me omhoog en ik weet dat hij uiteindelijk zal remmen als ik gewoon doorrijd. En dat doe ik dan ook. Terwijl ik langs hem rijdt roept hij me door het open raam nog een cynisch “en bedankt!” toe. Ik weet een ordinair gebaar nog net te onderdrukken en vervolg mijn weg.

“Ik zou geremd hebben”, voegt m’n vrouw nog even fijntjes toe. Ik voel me gecorrigeerd en antwoord dat ik altijd de eerste ben om iemand die bijvoorbeeld achteruit de carport verlaat voorrang te bieden maar dat je deze vorm van voorrang kan krijgen niet moet willen afdwingen. Dat roept de door mij vertoonde wraaklustige gedachten en handelingen op.

Een klein lichtpuntje. Er zat gisteren minder dan één minuut tussen mijn norse doorduwen en het besef dat ik een vergevingsles had aangereikt gekregen. Ik zal deze ter lering en vermaak voor je uitschrijven:

  • Eerste reactie was dus: wat een arrogante zak zeg, hij douwt hem er gewoon voor, dat pik ik niet!
  • Ik laat niet over me lopen zeg, wat denkt hij wel!
  • Oeps, ik zie in die ander een eikel en besef nu dat ik vergevingswerk zou moeten doen..
  • Ja maar hij is toch fout? Ik creëer ook gewoon een gevaarlijke situatie voor achterop komend verkeer als ik afwijk van de verkeersregels door onverwacht te gaan remmen.
  • Kan zijn, maar echt heel aardig was dit niet Simon. Je valt me wel tegen en je valt ook je vrouw tegen. Erg liefdevol ben je toch niet en er hoeft maar een kleinigheid te gebeuren en het laagje vernis brokkelt af. Je bent gewoon zélf een agressief ventje.
  • Ja Simon, zo zit het. Je had vriendelijk voorrang moeten geven en laten zien dat je nu boven dit soort situaties staat. Dat je rijper en wijzer bent geworden. Je bent schuldig.

Deze interne communicatie noem ik het zwartepieten met schuldgevoelens. Ken je dat kaartspel zwartepieten nog? Het is een spel waarbij het de bedoeling is dat uiteindelijk één van de spelers blijft zitten met die kaart waarop een boosaardige schoorsteenveger staat afgebeeld. Hij of zij heeft verloren, is de klos, de schuldige. Dit is wat gebeurt in onze wereld. Het programma “de rijdende rechter” is er een mooi voorbeeld van. Je wikt en weegt de argumenten, houdt deze tegen de regelgeving aan en bepaald dan wie gelijk heeft en daarmee onschuldig is. Deze manier van denken lijkt normaal en onafwendbaar. Maar het is twee dimensionaal droomdenken. Ik mag leren vergeven.

  • Ik ervaar geen vrede maar boosheid en dus is er iets aan de hand.
  • Wil ik gelijk hebben of vrede ervaren?
  • Nu volgt de weerstand tegen vergeven. Nu blijkt dat ik gelijk wil hebben want het ego protesteert als een hangende grammofoonplaat: “maar hij was toch ook fout etc”.
  • Dan een kwantumsprong naar de derde dimensie, naar boven het slagveld. Ideeën verlaten hun bron niet, dit hele tafereel speelt zich af in de denkgeest.
  • In deze denkgeest heeft een keuze voor afscheiding plaatsgevonden. Een keuze voor een denkbeeldige ander die mij zogenaamd aanvalt en een denkbeeldig ikje dat zich nu moet verdedigen.
  • Dit is niet waar. Ik ben de dromer en zet dit in scene met een verborgen agenda. Ik koester dit denkbeeldige gevecht en dit zwartepieten met schuldgevoelens.
  • Ik zie nu mijn verslaving aan dit spel en de hardnekkigheid om eraan vast te houden.
  • Het ego slaat weer toe: Leuk bedacht, maar nu is het te laat. Het kwaad is geschied!
  • De Heilige Geest: nee dus, je projecteert nu tijd om een zogenaamd bestaand en gefixeerd verleden te maken waardoor je de schuld echt en onvergefelijk wilt maken. Je mag nu in die ene denkgeest de vergevende gedachte toelaten.
  • Ik strek me uit naar Hem en breng de twee beelden uit die ene droom naar het licht. De lange boze man en de boze bestuurder van de auto. Ze zijn één in hun boosheid, in hun gevecht, in hun verwarring.
  • Dan kies ik opnieuw. NEE, zeg ik tegen het schuldspel. Dit wil ik niet. Ik kies voor uw liefde want ik wil vrede ervaren.
  • Dit voelt raar en haast ongepast. Ik zie nu de weerstand maar er breekt een kleine glimlach bij me door. Ik zie de hulpeloosheid van het ego als ik luister naar die zachte Stem. Jawel, het stribbelt nog wat tegen. Maar ik weet wat de uitkomst gaat worden.
  • En nu, echt bedankt! Want de uitkomst is zo zeker als God.

Les 170: Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij.

Bijbel en Cursus

bijbel en ecimIn het Nieuwe Testament wordt over Jezus geschreven en in de Cursus wordt door Jezus gesproken. Dat is een verschil. Een groot verschil. Natuurlijk schreven de auteurs van de Bijbel vanuit inspiratie en hun woorden hebben miljoenen geïnspireerd. Maar de boodschap van liefde wordt helaas vertroebeld door uitingen van angst, schuld en zonde afkomstig vanuit geloof in afgescheidenheid. De auteurs luisteren, net als de discipelen en wij, naar de stem van het ego als we willen spreken over God. Dan treedt onherroepelijk projectie op. Als we geloven in eigen afgescheidenheid dan projecteren we vanuit de angst die hiermee gepaard gaat aanvalsgedachten op anderen. We menen dat God tegen ons is en slaan daarom net zoals Kain onze broeder Abel de hersens in. In deze nachtmerrie van afscheiding, zonde, schuld, angst en aanval projecteren we onze kenmerken van afgescheidenheid op God, op de Liefde die we zijn. Nu hebben we plotseling te maken met een God die net als ons ego gelooft in zonde, schuld, vergelding en wraak. Nu moet er bloed vloeien. Van offerdieren, van andere volken en uiteindelijk zogenaamd van het lam van God, Jezus.

Vanuit ons geloof in afgescheidenheid zijn we onze directe communicatie met de liefde die we zijn kwijtgeraakt. Er bestaat nog wel een vage herinnering aan een betere situatie maar we hebben geen flauw idee hoe hiermee in contact te komen. Geheel in lijn met ons geloof in dualiteit is de hemel niet hier en nu maar ergens anders en na de dood. Of, in niet-Bijbels termen, de waarheid is er nu nog niet maar verlichting moet bereikt worden. We zwemmen in een zee van liefde maar beseffen het niet en we willen iets of iemand naar de weg vragen. Omdat we in boeken als de Bijbel iets proeven van deze liefde verklaren we ze Heilig en gaan we ze van kaft tot kaft letterlijk nemen. Hiermee adopteren we, naast mooie teksten, de ego-nachtmerrie van onze voorouders. Steeds meer snappen we dat de gemengde boodschap van liefde en vergelding niet klopt maar zolang we ons gebonden voelen aan de geërfde shit uit het verleden komen we niet verder dan theologische gedrochten waar iedere liefde uit weggestroomd is. We willen zwemmen in een zonovergoten warm meertje maar we weigeren hierbij om ons harnas van haat uit te trekken.

Wat dan? Laten we ook als Christen gaan staan op de kernboodschap van Jezus. Daarbij mogen, nee moeten we uitgaan van ons geloof in zonde. Want dit geloof betreft niet alleen Christenen maar ons allemaal. We voelen ons allemaal afgesneden van thuis en niet senang. Wellicht schrijven Christenen dit vooral toe aan daden die ze negatief labelen en is het bij de meeste niet-Christenen een vager gevoel van onbehagen. Het doet er niet toe zolang we het waanidee van straf maar even kunnen laten voor wat het is. Want zodra we ons geïsoleerd en afgescheiden voelen mogen we ons richten tot onze verlosser. Jawel, verlosser. Hierbij maakt het vooralsnog weinig uit of je het accent hierbij legt op een historische Jezus, op een spirituele Christus of op een hoger Zelf. Ons gezamenlijke startpunt is dat we ons niet meer thuis voelen en ons openstellen voor leiding van het Geheel (Liefde, God). Voel je maar even moreel schuldig als je dat wilt. Of voel je slechts verdwaald. Belangrijkste is dat je snapt dat je jet zelf even niet meer weet en dat je streeft naar verbondenheid met je broeders en, als je het al kunt opbrengen, met dat Geheel, God of Liefde. Maar naastenliefde volstaat als je het liefhebben van God nog een brug te ver vindt.

Herinner je het beeld van de voetwassing uit de Bijbel. Petrus wil het zelf doen net zoals wij allemaal zelf door goede daden of het juiste conceptuele geloof de hemel of verlichting willen bereiken. Maar nee, Jezus moet het doen. Een historische Jezus waar je in moet geloven? Nee, geloof slechts dit: als je je openstelt voor de kracht van Liefde dan gebeurt het wonder. Hoe, wanneer, waarom en dan?? Bijbel en Cursus wijzen op dezelfde weg. In contact met onze medemensen willen wij vanuit ons ego kiezen voor aanval en verdediging. Zie het gebeuren (dit is je keuze voor afscheiding, zonde, die je bang en eenzaam maakt). En dan? Dan zwijg je en laat je Jezus (Liefde, God, de Heilige Geest, je hogere Zelf) het werk doen en je verlossen.

Lieve broeders en zusters; dat demonstreerde onze geliefde broeder Jezus toen hij zich liet geselen en kruisigen. De liefde liet zich kruisigen omdat ze wist dat ze niet afgescheiden was en niet gedood kon worden. De liefde wilde de soldaten en de schreeuwende massa niet bevestigen in hun waanbeeld van aanval en dood. De liefde toonde in een extreem voorbeeld de absolute Goddelijke macht van Liefde. Ze toonde de onsterfelijkheid, de grenzeloosheid en het eeuwige leven. Halleluja, God is oneindig groot en genadig, en dit is onze Vader ons Thuis.

Les 164: Nu zijn we één met Hem die onze Oorsprong is.

Vergeetachtig

vergeetachtigSinds enkele maanden ga ik soms op bezoek bij een oudere, wat eenzame man. Ik noem hem nu maar even Max. Max is goed opgeleid en behoorlijk taalvaardig. Maar hij is ook behoorlijk vergeetachtig. Verder heeft hij een fiks lichamelijk probleem waarvoor hij geopereerd moet worden. Toen ik kennis maakte met Max vertelde hij me wat hij zo rondom de komende operatie had meegemaakt in het ziekenhuis. Hij schetste een beeld van artsen die hem niet serieus namen en óver hem spraken in plaats van mét hem. Zo hadden ze niet aan hem zelf verteld over de zware operatie die hem te wachten stond maar had hij dat in de wandelgangen van het ziekenhuis moeten opvangen. Zijn specialist was zeer slecht voorbereid want deze beweerde dat Max al voor de derde keer op bezoek was terwijl Max 100% zeker wist dat het pas de tweede keer was.

Toen ik vorige week bij Max thuis op bezoek ging lag hij ziek op zijn slaapkamer. Een hulp in de huishouding liet me binnen en ik trof Max dommelend in bed aan. Toen Max wakker werd vertelde hij me dat hij teleurgesteld was in zijn onderhuurder. Deze vriendelijke man helpt mee als een soort mantelzorger. Wat was er gebeurd? De onderhuurder was vandaag zomaar naar zijn werk vertrokken en had niet eens de moeite genomen om even gedag te komen zeggen bij Max.

Bij mijn eerste bezoek aan Max bedacht ik dat hij het wel heel erg slecht getroffen had met zijn negatieve ervaringen in het medisch circuit. Na het boze verhaal over de onderhuurder kwam een andere, wellicht meer voor de hand liggende, versie van de gebeurtenissen bij me naar boven. Alles wat Max me verteld had over de grote boze buitenwereld waarin hij zo slecht behandeld wordt is ook te verklaren vanuit de vergeetachtigheid van hem. Was hem echt niet direct en duidelijk uitleg gegeven over zijn ziekte? Was hij zelf één van de drie bezoeken vergeten? Was de onderhuurder wél langs geweest maar had hij liefdevol om de hoek van de slaapkamer gekeken en Max daar slapend aangetroffen?

Aan dit alles moest ik vandaag denken bij het lezen van de werkboekles (162): Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Ik merk dat ik bij het lezen van zo’n tekst snel en onbewust reageer met zoiets als: “mooie tekst, mij bekend” om daarna over te gaan tot de orde van de dag. Binnen deze zogenaamde orde neem ik vervolgens alles serieus waarvan ik meen dat het me overkomt. Zo ligt op dit moment mijn moeder in het ziekenhuis met hartklachten. Het is niet de eerste keer maar ze is nu 82 jaar en op een gegeven moment is het, triest genoeg, toch een keer afgelopen. Ik kijk naar haar grijze koppie en oude huid zoals ze daar in dat ziekenhuis bed ligt, het raakt me en ik raak bewogen over de tijdelijkheid van ons bestaan. Dit zie ik duidelijk met eigen ogen en ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan wat ik zie. Net zomin als Max dat heeft.

Maar wat ik zie is niet waar. Max trekt mogelijk de verkeerde conclusie omdat hij vergeetachtig is geworden. Hij ziet een wereld die zich tegen hem heeft gekeerd en reageert vervolgens met angst, boosheid, beschuldigingen en verdriet. Hoe kunnen anderen hem dit toch alles aandoen? Max twijfelt aan alles behalve aan één ding; aan zichzelf. Zo ook met mij. Ik meen dat ons van alles overkomt op deze echte wereld. Ik meen dat ik als tijdelijk en afgescheiden individu leef. Ik meen dat we ziek kunnen worden als ik het zieke lichaam van Max en dat van mijn moeder zie. Ik denk dat we sterfelijk zijn. Ik denk tenslotte dat Max in de war is en ik niet.

Maar wat een vergissing. Zowel Max als ik zijn vergeetachtig. Ook ik ben vergeten wie ik ben en neem vervolgens dat wat ik meen waar te nemen net zo serieus als Max. Zo geloof ik dat ik leef in een afgescheiden lichaam dat ziek kan worden en sterven. Zo vrees ik dat het fout kan gaan met mijn moeder. En natuurlijk mag ik de gevoelens hebben en daarnaar handelen zoals ik deze ervaar in mijn droom. Maar laat ik niet vergeten dat mijn ogen mij bedriegen, juist omdat ik de waarheid vergeten ben. Ik zie slechts dat wat ik vanuit mijn geloof in afgescheidenheid en de daarbij behorende angst projecteer: een nachtmerrie. Ik wil me echter nu steeds meer openstellen voor een andere blik, een herinnering. Ik hoor mezelf nog aan Max vragen: “kan er ook een andere verklaring zijn voor wat die ander doet, kun je het ook anders bezien?”. Deze vraag mag ik mezelf voorhouden en daarbij weten dat er een antwoord komt. Liefde kijkt naar mij en ik mag leren om door de ogen van liefde naar Max en mijn moeder te kijken. Alleen zo kan ik herinneren wie we werkelijk zijn.

WB 162: Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

 

Angst en bezorgdheid

Head In The CloudsWerkboekles 160 gaat over angst: Ik ben thuis. Angst is hier de vreemdeling. Als ik me hier een voorstelling van maak dan komt er een beeld naar boven waarbij iemand m’n huis binnendringt en ongewenst plaatsneemt op de bank. Deze duistere figuur doet alsof hij hier thuis is en verziekt de sfeer door zijn aanwezigheid. Toch is me dit beeld te beperkt, te zeer afgebakend. Natuurlijk ben ik wel eens bang voor een specifiek iets of voorval. Gewoonlijk is de angst die ik ervaar echter minder afgebakend en diffuser. Er is dan eerder sprake van een donkere sfeer, een vaag gevoel van onbehagen. Soms lukt het om middels wat onderzoek dan toch te komen tot een wat concretere aanleiding maar dikwijls ook niet.

Wat is er dan wel aan de hand? Het lijkt een soort basaal gevoel van onveiligheid te zijn. Een geloof in kwetsbaarheid. Binnen de psychologie wordt gesproken over een groep van persoonlijkheidsstoornissen (cluster C) waarbij dit angstige aspect een rode draad vormt. Een paar procent van de bevolking zou hier last van hebben. Ik vermoed dat het verder gaat dan dat. Zolang we geloof hechten aan de illusie van afgescheidenheid zal er sprake zijn van angst. Wellicht geldt deze oerangst voor alle mensen en verschillen we slechts in bewustzijn ervan afhankelijk van de mate waarin we onszelf van de angst weten af te leiden met behulp van activiteiten in ons alledaagse droomleven.

Zelf behoor ik helaas tot het zorgelijke droomtype. Het is niet zo dat ik hele dagen thuis bang zit te kniezen maar waar anderen bij bijvoorbeeld een geplande vakantie zich vooral verheugen op de leuke aspecten, zie ik hiernaast ook veel mogelijke problemen. Mijn neiging is om bij het aangaan van nieuwe situaties te zoeken naar zekerheid door het inwinnen van informatie over de verbeelde toekomst en het nemen van voorzorgsmaatregelen. Dit is een typische droomaanpak. Mijn uitgangspunt is dat de diffuse dreiging die ik ervaar werkelijk is en dat ik ook iets zinvols kan doen om het dreigingsniveau te verlagen.

Zoals gezegd past het beeld van een vreemdeling in mijn woonkamer niet helemaal bij dit gevoel. Het voelt minder grijpbaar dan dat. Het is meer een donkere wolk die om mijn hoofd heen hangt. Het is een zorgelijke sfeer die met me mee kan reizen waarheen ik ook ga. Het lijkt erop alsof deze donkere wolk me overkomt. Ik kan me tenminste niet herinneren dat ik er om gevraagd heb. Wat zou de Cursus hiervan zeggen?

Als eerste handvat is daar het geloof in slachtofferschap. Zoals gezegd lijkt de donkere sfeer me ongevraagd te overkomen. Zodra ik dát geloof kan ik niet veel anders doen dan genoemde droommaatregelen nemen zoals plannen en voorbereiden, maar ik weet natuurlijk ook wel dat dit slechts dweilen is met de kraan open. Ik moet serieus de optie overwegen dat ik geen slachtoffer ben van de wereld die ik zie. Heb ik er dan toch zelf om gevraagd? Ben ik nu een stomme zwakke sukkel? Nee, ik heb er onbewust voor gekozen om me kwetsbaar te voelen. Want daarmee kom ik bij het tweede handvat. De kernboodschap van de Cursus is dat wij ervoor gekozen hebben te geloven in afscheiding. We hebben de eenheid, God, de deur proberen te wijzen om dit gevoel van afgescheidenheid te koesteren. Hoe raar is dat; ik steek mijn hoofd in een zwarte wolk. Ik wil me bedreigd kunnen voelen omdat dit me een paradoxaal gevoel van afgescheidenheid oplevert, zelfs als dit voelt als zwakte. Immers, iemand die bedreigd kan worden lijkt echt te bestaan. Want hoe zou het zijn als ik de dreiging eens niet serieus zou nemen? Met een specifieke kwestie is dat wat gemakkelijker voor te stellen. Zo maak ik me altijd wat ongerust over de financiële aspecten van dit droomleven. Er lijken zich op dit gebied bedreigingen af te spelen. Wat als ik deze eens niet geloof? Dat voelt haast ongepast. Eng maar gek genoeg ook wel bevrijdend.

Maar dan die diffuse donkere wolk. Er daagt een vreemd besef. Ik hoef zelfs dat generieke gevoel van dreiging en onbehagen niet serieus te nemen. Dit is eng. Ik wapper wat met mijn handen door de wolk om deze weg te jagen maar vind hierbij weinig houvast. Maar moet ik dit wel doen? Kan ik dit wel doen als ik het bijgeloof koester dat de wolk mij iets oplevert?

Met mijn hoofd in het donker denk ik nu aan de Zon en aan de Wind. Heer, ik wil niet bang in het donker zitten zonder U. Hier is mijn duistere wolk Vader, ik heb deze bedacht maar wil hem niet meer. Laat me Uw licht en heiligheid zien Heer. Ik wil rusten in U.

Waar zoekt hij nu naar? 2Wat kan hij vinden? 3Wie zichzelf een vreemde is, kan geen thuis vinden waar hij ook zoekt want hij heeft zijn terugkeer onmogelijk gemaakt. 4Hij is de weg kwijt tenzij een wonder hem op het spoor komt en hem toont dat hij nu geen vreemdeling is. 5Het wonder zal komen.

Ervaar dat je liefde bent

love2De werkboekles van vandaag luidt: Ik ben een van de dienaren van God (154). Een les met een prachtige en diepe boodschap. In een eerste reactie bedenk ik zoiets van “ja, ja; ik doe m’n best!”. Dan lees ik dat het gaat over het zijn van een boodschapper. Ook dan is m’n begrip eerst oppervlakkig als ik meen dat ik ook andere broeders en zusters op het bestaan van de Cursus dien te wijzen. In feite sla ik met beide opvattingen de plank mis.

Deze les gaat over het wonderlijke principe dat geven en ontvangen in waarheid één zijn. Ook dit is een uitspraak waar je eens wat verstandelijk op kunt kauwen maar die zijn diepere en schitterende betekenis pas toont als het lukt om voorbij de vorm naar de inhoud te kijken. Want oppervlakkig gezien kun je blijven hangen op het niveau van “wie goed doet die goed ontmoet”. In deze spreuk zit natuurlijk een zekere wijsheid maar het gaat veel verder.

Wat de Cursus ons met de les van vandaag biedt is een manier om de waarheid van de Cursus te ervaren. Dát zal ook het enige zijn wat ons de diepe motivatie zal geven om ons verder open te stellen voor de liefde. Het gaat er niet om een universele theologie van goed-willen-doen te geloven maar om, zoals Christenen zeggen, de levende ervaring van de Heilige Geest. Wat zou die ervaring dan zijn? De Cursus beweert dat onze ware Identiteit Liefde is. Onbegrensd en vredevol. Wie wil zich dit nu niet herinneren?

Die laatste vraag krijgt een onverwacht antwoord: wij willen ons niet onze ware identiteit herinneren. Anders zouden we namelijk niet geloven dat we rondlopen op deze wereld als afgescheiden persoontjes, zelfs al zijn we studenten van de Cursus die menen te geloven dat we liefde zijn. Wij koesteren onbewust ons verlangen om ons afgescheiden te voelen en ons belangrijkste middel hierbij is oordelen, liefst in de vorm van veroordelen en aanvallen. Dit hoef je als lezer helemaal niet van me aan te nemen. Je kunt het namelijk simpel zelf ervaren. Met een beetje gevoeligheid kun je opmerken wat er bij je van binnen gebeurt als je een afkeur van iemand ervaart. Je kunt voelen hoe je verhardt, je grenzen vaster lijken te worden en hoe de afstand tussen jou en die ander groter lijkt te worden. Deze neiging van ons is heel paradoxaal: met de mond beweren we liefde te zoeken maar we kiezen vrijwel continu voor het instrument van het oordelen. Dan terug naar de les. Want waarom ervaren we niet dat we liefde zijn als we een broeder veroordelen?

6Niemand kan ontvangen en begrijpen dat hij ontvangen heeft, totdat hij geeft. Want in het geven ligt zijn eigen aanvaarding van wat hij heeft ontvangen.

 Voilà, de Cursus wikkelt er geen doekjes om. We kunnen eindeloos blijven lezen in de Cursus om te proberen deze te begrijpen maar we begrijpen er niks van totdat we de kleine bereidheid kunnen opbrengen om liefde te geven. Pas door liefde te geven kunnen we leren dat we liefde zijn. Middel en doel zijn één. Net zoals het geven van een oordeel onze illusie versterkt dat we afgescheiden (zondig) zijn. Dit liefde geven aan een ander noemt de Cursus vergeven, en dit is de sleutel om de Cursus niet alleen te begrijpen maar rechtstreeks te ervaren.

De wrange grap is echter dat we dus niet in de smiezen hebben dat we vanuit ons geloof in ons denkbeeldig afgescheiden zelf helemaal niet zo bereid zijn om te vergeven. We belijden het met onze mond maar geloven ten diepste dat we ons hiermee kwetsbaar, lees “niet-afgescheiden”, opstellen. We zijn bang onze belangen, denkbeeldige grenzen, te verkwanselen en hiermee onze identiteit geweld aan te doen. En dat klopt voor wat betreft onze schijnidentiteit. De uitkomst van het oplossen van het geloof in een klein zelfje heeft echter niks met opoffering van iets waardevols te maken. We laten slechts illusies los. Maar hoe doen we dit als we er toch bang voor zijn?

Nu komt de Cursus ons tegemoet midden in onze nachtmerrie van afgescheidenheid. We hoeven geen liefde uit ons denkbeeldig verdorde droomhart omhoog te pompen. We zijn nog direct verbonden met de Bron van Liefde; onze Vader, God. Door Zijn boodschapper te zijn en Zijn Liefde door te geven mogen we leren dat niet alleen onze broeders liefde zijn maar wijzelf ook, in innige verbondenheid met elkaar en met onze Vader. Geloof mij niet zondermeer, geloof Jezus in onderstaand citaat ook niet zonder meer, maar beproef deze woorden door ze toe te passen:

  1. Laten we vandaag niets anders leren dan deze les: we zullen pas weten wat we ontvangen als we het hebben gegeven. 2Je hebt dit al honderd keer en op honderd manieren horen zeggen, en toch ontbreekt het jou nog steeds aan geloof. 3Maar dit staat vast: tot jij er geloof aan hecht, zul je duizend en nog eens duizend wonderen ontvangen, maar niet weten dat God Zelf, buiten wat jij al hebt, geen enkele gave achterwege gelaten heeft, noch de geringste zegen aan Zijn Zoon heeft ontzegd. 4Wat kan dit voor jou betekenen zolang jij je niet met Hem en het Zijne vereenzelvigd hebt?

Heikele kwesties?

waar of onwaar

Over fysieke genezing, reïncarnatie en zo.

Dit zijn kwesties waar nogal eens verhitte discussies over gevoerd worden. We vragen ons af of deze zaken waar of onwaar zijn. Zoals zo vaak gaan we aan de slag met vragen zoals deze, zonder dat we in de gaten hebben dat we reeds begonnen zijn met het geloven in het antwoord op de vraag. Onbewust geloven we namelijk dat we een afgescheiden zelf in een lichaam zijn. Dit zelf kan vervolgens een ziek lichaam hebben of een gezond lichaam en het kan sterven en daarna, in een wat andere vorm, weer levend worden. Dit geloof is ons startpunt, ons uitgangspunt.

In het handboek voor leraren wordt in H24 “Is reïncarnatie het geval?” geen enkele ruimte gelaten voor twijfel over de juistheid van onze aanvankelijke aanname dat we een lichaam zijn.

In uiteindelijke zin is reïncarnatie onmogelijk. 2Er is geen verleden of toekomst, en het idee van geboorte in een lichaam heeft geen betekenis, noch één keer, noch meerdere keren. 3Reincarnatie kan dan ook in geen enkele werkelijke zin waar zijn.

In feite is hiermee de kous af. We zijn geen lichaam, noch ziek noch gezond, we kunnen niet als fysiek lichaam sterven en zoiets als een fysieke (her-) geboorte is onzin. Dan gaat de Cursus in het Handboek op wijze en liefdevolle wijze verder:

4Onze enige vraag zou moeten luiden: ‘Is het begrip ons behulpzaam?’

 Hetzelfde geldt voor wat we aanduiden als ons fysieke lichaam en voor de wereld die we menen te zien. Alles wat wij in ruimte en tijd als afgescheiden vorm menen te zien bestaat niet echt. Het is een niet bestaande droom. Bij het kijken naar deze droombeelden, die op zichzelf geen betekenis hebben, kunnen wij ons door twee adviseurs laten influisteren. Degene die het eerst spreekt is het ego. Deze zegt zaken als:

  • Deze droom is belangrijk en bestaat echt
  • Je fysieke pijn is weliswaar echt maar de Cursus beweert dat je deze moet negeren. Het is dus oké als deze echte pijn je blijft kwellen.
  • Of juist: je fysieke pijn is echt en pas als deze door vergeving verdwijnt laat je zien dat je de Cursus goed begrepen en gedaan hebt.
  • Een ziek lichaam, van mijzelf of anderen, is een indicatie dat er nog iets flink mis is.
  • Je huidig lijden komt door ellende uit een vorig leven maar gelukkig mogen we hopen op een volgend leven waarin we het beter zullen hebben.

Het doel van het ego is dus dat we blijven uitgaan van de echtheid van de (fysieke) afscheiding en dat we de focus houden op verbeteringen hiervan.

De Heilige Geest heeft slechts één doel; ons helpen herinneren dat we niet afgescheiden zijn, één zijn met elkaar, geest, liefde. Daartoe spreekt Hij ons met zachte Stem toe op het niveau waar we ons menen te bevinden. Hij gebruikt de droombeelden en geeft ze een nieuwe betekenis. Dit kan ongeveer als volgt klinken:

  • Breng de beelden uit de droom naar mij en laten we eens samen kijken
  • Ach mijn kind, ik zie dat je gelooft in deze nachtmerrie van pijn. Het lijkt of je strijd moet leveren tegen een ziek lichaam. Kijk samen met mij naar dit geloof. Durf je de strijd los te laten en je over te geven aan mijn liefde?
  • Ach mijn kind, je lijkt te schrikken als de pijn, die je zo belangrijk en echt vindt, oplost. Je weet niet wat er met je gebeurt als je je niet langer slachtoffer voelt van een ellendig lichaam of een boze buitenwereld. Ontspan je in mij en laat maar gebeuren wat gebeuren moet. Je bent geen lichaam, je bent vrij.
  • Ach mijn kind, waarom ben je gevangen in de beelden van de nachtmerrie. Wat je ziet is niet echt maar de projectie van je eigen angst. Je meent een zieke broeder te zien maar je kijkt naar de heilige Zoon van God. Zegen hem en ontvang deze zegen zelf. Geef je blik van liefde en onschuld en besef dat je zelf liefde en onschuld bent.
  • Nogmaals lief kind, er is geen dood. De dood hoeft zelfs niet overwonnen te worden maar slechts terzijde gelegd als illusie. Laat je versmelten in mijn armen, laat je schild zakken en ontspan. Er is geen oorlog, alleen vrede.

Ik laat het laatste woord aan de Cursus (H24,6):

  1. Deze cursus blijft steeds hetzelfde benadrukken: op dit moment wordt jou volledige verlossinggeboden en op dit moment kun jij die aanvaarden. 2Dit is nog steeds je enige verantwoordelijkheid.3De Verzoening kan gelijkgesteld worden aan een totaal ontsnappen aan het verleden en een totaalgebrek aan belangstelling voor de toekomst. 4De Hemel is hier. 5Er is geen ergens anders. 6De Hemel is nu. 7Er is geen andere tijd. 8Geen enkel onderricht dat niet hiertoe leidt, is voor Gods leraren van belang. 9Alle overtuigingen zullen hierop gericht zijn als ze juist worden geïnterpreteerd. 10In deze zin kan worden gezegd dat hun waarheid in hun bruikbaarheid ligt. 11Alle overtuigingen die tot vooruitgang leiden, dienen gerespecteerd. 12Dit is het enige criterium dat deze cursus vereist. 13Meer is niet noodzakelijk.

 Les 149:

Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God

(137) Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen
(138): De Hemel is de beslissing die ik moet nemen

Genoegdoening en gerechtigheid

Image: UKRAINE-RUSSIA-CRISIS-MALAYSIA-ACCIDENT-CRASH

MH17 is neergeschoten en hierbij zijn bijna 300 mensen om het leven gekomen. De beelden van het repatriëren van de stoffelijke overschotten en het hartverscheurende verdriet van de nabestaanden staan op m’n netvlies gegrift. Het is goedkoop om dit vanuit m’n luie stoel gemakkelijk af te doen als niveau-II gebeurtenissen binnen een droom. Ik worstel met deze gebeurtenis, ook al is het maar een droom.

Ik zie dat Rutte de aanvoerder is van het collectief dat genoegdoening zoekt voor de groep nabestaanden. Wat is dit eigenlijk; genoegdoening? Ik wil dan dat de Russen bij monde van Poetin verantwoording afleggen voor hun daden. Dit is hierbij ongeveer mijn ideaalbeeld:

Poetin zegt: “ik zal nu maar eerlijk zijn. Het klopt dat Rusland betrokken was bij deze oorlog en dat we manschappen en materieel geleverd hebben. Soldaat x heeft een inschattingsfout gemaakt toen hij die Buk-raket afschoot want hij dacht dat hij een oorlogsvliegtuig zag. Volgende keer zal hij beter uitkijken en hij heeft een flinke gevangenisstraf gekregen. Ik vind het ook persoonlijk allemaal heel erg <Poetin kijkt duidelijk aangedaan naar de camera> Rusland zal 100.000 euro per slachtoffer betalen aan de nabestaanden”

Nou, hé hé, het ei is gelegd. Het blijft tragisch maar nu is er toch sprake van een zekere afsluiting ondanks het feit dat het verdriet maar heel langzaam wat scherpe kantjes zal verliezen. Maar helaas. Dit gebeurt niet en vermoedelijk volgt nog een jarenlang spel waarbij de bewijzen zich opstapelen en Poetin glashard zal blijven ontkennen. Dan zal er een vorm van wraak in de vorm van sancties moeten plaatsvinden. Het gaat wat ver om een Russisch passagiersvliegtuig uit de lucht te schieten maar we moeten vriendschappelijke betrekkingen verbreken en sancties instellen die de Russen in de portemonnee zullen voelen.

Dit klinkt ironisch, dat besef ik. Binnen onze droom weet ik ook niet goed welke houding ik (Nederland) moet aannemen. Het voelt te gemakkelijk om de schouders op te halen, te zeggen dat het jammer is dat de Russen de verantwoordelijk niet accepteren en over te gaan tot de orde van de dag. Het lijkt of mijn klassieke vorm van ‘vergeven’ ten minste de schuldbekentenis van die ander nodig heeft. Hoe kan ik nu zeggen dat ik de Russen vergeef als ze zelf zeggen dat ze niks gedaan hebben? Dit geeft kortsluiting in mijn hele systeem van rechtvaardigheid. Ze moeten toch echt eerst “sorry” zeggen want anders blijf ik ze als schuldig zien en moet ik boos blijven. Voor hoelang? 10 jaar? 50 jaar? Dat weet ik niet goed. Vermoedelijk moeten eerst 2 of 3 generaties nabestaanden voorbij gaan voordat Nederland weer met goed fatsoen normaal kan doen tegen de Russen. Anders zal het voelen als verraad jegens deze nabestaanden.

En dan die verrekte Cursus. Want deze is toch van een andere orde, of ik dat nu fatsoenlijk en gepast vind jegens nabestaanden of niet. Want deze Cursus zegt me naar binnen te kijken en wijst me erop dat ik de lichamelijke dood van de slachtoffers zie als een echte dood. Dat ik geloof dat lichamen, en daarmee dat mijn broeders en zusters, uiteengereten zijn door andere mensen. Dat deze anderen, de Russen, hiermee schuldig zijn aan aanval en moord. Het zou ze gelukt zijn de Zoon van God te kruisigen en daarmee zouden ze schuldig zijn geworden en straf verdienen. Of ze het nu toegeven of niet. Maar alles wat ik hiermee zeg is dat ik geloof dat Jezus een afgescheiden mensje was van vlees en bloed die aangevallen kon worden en uiteindelijk zelfs gedood kon worden.

De hele boodschap van Bijbel en Cursus is deze: NEE, DIT IS NIET WAAR. Mij wordt gevraagd om de soldaten te vergeven voor wat ze nooit hebben kunnen doen. Ze hebben Jezus niet kunnen kruisigen en ze hebben de MH17 niet kunnen neerschieten. De nabestaanden van Jezus huilden toen, wij huilen nu. Maar toch. Hierin ligt de gerechtigheid van God; niet dat de soldaten gestraft dienden te worden maar dat het doek in de tempel scheurde en de grens tussen de droom-wereld en het echte heiligdom verbroken werd. Vanuit ons afgescheiden zelf kunnen we slechts huilen en boos worden. Maar samen met Jezus mogen we roepen: in Uw handen leggen wij onze denkgeest. Dan kan zijn Licht ons vanuit het gescheurde wolkendek beschijnen en ons verlossen van de strijd, de oorlog en de schreeuw om wraak. Hij kan leven geven,  zelfs in het donkerste verdriet en de zwartste nacht. Alleen bij Hem kan ik mijn toevlucht nemen en echte vergeving vinden. Heer, laat me toch Uw gedachten denken en niet de mijne.

Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God.

Wat verlang ik?

verlanglijstToen ik de Cursus voor de tweede keer las kreeg ik de indruk dat ik er bij de eerste keer lezen weinig van begrepen had. Bij een derde herlezing overviel me hetzelfde gevoel. En zo ging het maar door. Dit is geen oproep om een Cursus-verslaafde te worden. Als het gezien wordt dan wordt het gezien maar de lezers die dat betreft zullen deze “waarschuwing” niet nodig hebben. Het langzaam duidelijker worden van de Cursus bij het telkens herlezen ervan illustreert slechts mijn aarzeling om de waarheid binnen te laten komen. Deze bereidwilligheid groeit bij mij kennelijk maar langzaam.

Hieraan moest ik denken toen ik die korte tweedelige herhalingsles van vandaag las (145). Het begint met WB 129: Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang. M’n eerste reactie is er een van mooi naïef verlangen. Oh, wat zou het toch heerlijk zijn als er eens wat minder ellende in de wereld was. Kunnen we niet gewoon wat liever tegen elkaar doen? Ik verlang naar vrede, gezondheid, veel ontspanning en lekker weer. Het is fijn dat iedereen bij Jezus mag komen. Niet alleen de Schriftgeleerden met theologische vragen. Nee, ook de zieken die beter willen worden, de tollenaars die zich schuldig voelen en wij als we gewoon wat minder ellende willen.

De les gaat verder (130): Het is onmogelijk twee werelden te zien. Mmm, ik meen toch duidelijk leuke dingen en minder fraaie zaken te zien. Oorlog en vrede, ziekte en gezondheid, ruzie en gezelligheid. Dit lijkt zich wel degelijk allemaal naast elkaar af te spelen. Als ik ’s avond wat zap op de tv dan ga ik van een gezellig kookprogramma naar een gewelddadige actiefilm. Ik meen dus wel degelijk een nare kant van de wereld te zien en een leukere kant.

Nu kan verdieping plaats vinden. Het verlangen dat genoemd wordt in 129 is niet zomaar een verlangen naar een verbetering van de fysieke wereld die ik meen te zien. Het is een oerverlangen, een herinnering aan diepe kennis betreffende mijn ware identiteit. Al mijn beperkte verlangens hier zijn reflecties van de herinnering aan eenheid en liefde. Omdat ik echter droom van een beperkt zelf ga ik op zoek naar de vervulling van dat oerverlangen op het verkeerde niveau. Ik zoek het in zekerheid, sensaties en macht. Dit zoeken op de verkeerde plek noemt de Cursus het aanbidden van afgoden. In de Bijbel zegt God: ge zult geen andere goden voor mijn aangezicht plaatsen. Is God dan echt jaloers in de betekenis die wij hieraan toekennen? Allerminst. We worden slechts aangemoedigd om onszelf niet tekort te doen, om verder te kijken. In T26 VII lezen we: 7Hier vraagt de Zoon van God niet te veel, maar veel te weinig. 8Hij zou zijn eigen identiteit en alles willen offeren om een kleine schat voor zichzelf te vinden. 9En dit kan hij niet doen zonder een gevoel van afzondering, verlies en eenzaamheid.

We richten ons verlangen op alle zaken die ons gevoel van afgescheidenheid niet bedreigen en liefst zelfs versterken. We willen ons bange, arme en zieke zelf vervangen door een dapper, rijk en gezond zelf. Dít zien wij als de wereld die we verlangen, als de wereld die we willen zien. Dit is waarvoor wij de felbegeerde wonderen van de Cursus wensen. Als we eerlijk naar binnen kijken zien we vooral egocentrische drijfveren. Dit is in de ogen van de Cursus slechts een kleine schat en in feite is het helemaal geen schat. Die kleine verlangens kunnen een weerspiegeling zijn van dat grote verlangen maar door ze op objecten binnen de droom te richten versterken we deze droom slechts. Dit is stiekem ook onze bedoeling van het aanbidden van afgoden.

Wat mogen we dan wel willen? Dat brengt me bij de titel van de werkboekles: Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God. Hier staat nogal wat. Al onze droomgedachten worden hier gediskwalificeerd. Niet slechts als “nare en negatieve gedachten” maar veel fundamenteler. Wat wij onze gedachten noemen zijn geen echte, scheppende gedachten. Herinner je les 4 maar eens: Deze gedachten betekenen niets. Hoe zouden gedachten over een niet bestaande droomwereld zelf wel betekenis kunnen hebben? Ze zijn van exact dezelfde orde; mismaaksels om onze illusie van afgescheidenheid in stand te kunnen houden. En hiermee willen wij ons naar de waarheid denken?

Er is uit deze situatie maar één uitweg. We moeten ons geloof in wat we menen te zien loslaten: ik bevrijd de wereld van al wat ik haar heb toegedacht (132). Ik zal geen waarde geven aan wat geen enkele waarde heeft (133). Er is afstemming nodig op een Kracht buiten ons. Overgave aan de God der liefde zodat ons ware Zelf ontsluierd kan worden. We dienen verlost te worden, niet door ons denken maar vanuit de scheppende kracht die ons erfgoed is. We mogen de verlossing voor onszelf aanvaarden (zie 140). Wat een opluchting. We mogen ontslag nemen als onze eigen leraar en stoppen met worstelen en vechten. Voor mij vergt dat tijd en herlezen van de Cursus. Niet omdat het zo moeilijk is of ingewikkeld. Maar omdat de majestueuze eenvoud, kracht en grenzeloze liefde me wat afschrikt. Gelukkig hoef ik niet te twijfelen omdat de uitkomst zo zeker is als God:

(131) Niemand kan falen die tot de waarheid tracht te komen.

Ontschuldigen

onschuldig

Tijdens een gezellige bijeenkomst met wat vrienden maakte op een gegeven moment iemand een grappig bedoelde opmerking die, in mijn beleving, ten koste ging van mij. Ik probeerde hierboven te staan en lachte een beetje mee als een boer met kiespijn. Dit voorval schoot me vanmorgen in gedachten en gewoonlijk betekent dit dat ik een les ben vergeten te leren. Zo’n les komt dan gewoon telkens weer voorbij, hetzij in ons zogenaamd echte leven hetzij als herinnering.

Bij de herinnering aan het voorval kreeg ik de Cursus weer in notendop voorgeschoteld. Er is geen rangorde in illusies en ik ervaarde die grappig bedoelde opmerking als een aanval. Dat voelde niet fijn en mijn eerste reactie was het doen van een vergevingsoefening om van dat nare gevoel van gekwetstheid af te komen. Hierbij lijkt het alsof ik al besefte dat die vriend van me weinig met het nare gevoel te maken had, maar deze conclusie is voorbarig. In feite was ik egocentrisch bezig om een gekwetstheid van mijn gevoelens te “genezen”. Terwijl ik zo op mezelf gericht was dacht ik niet direct meer aan de vriend. “Ik” meende pijn te hebben en “ik” wilde hiervan af.

Na enige tijd besefte ik dat ik me nog steeds slachtoffer voelde van de opmerking van de ander en slechts bezig was de vermeende schade te herstellen. Vervolgens richtte ik de aandacht op het ontschuldigen van deze broeder. Verstandelijk besefte ik dat hij me slechts een spiegel voorhield. Dit voorval vond plaats om mij een les te leren. Hierop volgde de klassieke ego-reactie. Tjonge Simon, wat een beginnersfout, natuurlijk betreft je vriend geen schuld, je bent zélf schuldig aan het ontstaan van dit nare gevoel! Het zwartepieten met schuld gevoelens was begonnen. Eerst voelde ik me dus slachtoffer van een denkbeeldige buitenwereld in de vorm van een ander en vervolgens keerde de geprojecteerde schuld naar me terug en vond ik mezelf een kluns. Hierbij kwam het “ik doe dit mezelf aan” in gedachten. Ook deze prachtige cursus-waarheid wordt door het ego echter aangevuld met een mismaaksel: “dus nu ben je zelf schuldig”.

Dit is zo’n geniepige versie van de ego-wet van behoud van schuld. Het maakt het ego niet uit of deze schuld “buiten” of “binnen” ligt; als deze maar fier overeind gehouden wordt. Iemand moet schuldig zijn; een ander of desnoods ikzelf. Maar het “ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie” gaat niet over echte schuld. De kerngedachte is juist dat er een vergissing is gemaakt door mij door in termen van schuld te gaan denken. Er is nooit sprake van schuld. Ik wil schuld hoe dan ook introduceren in de droom juist om….. me een afgescheiden ikje te kunnen blijven voelen. Het ultieme instrument hierbij is een misplaatst schuldgevoel. Bij de eerste nepgedachte die opkwam in de denkgeest (hé, er is sprake van een afgescheiden ikje dat zich los heeft weten te maken van God) ontstond een schuldgevoel. Een diep gevoel van gezondigd te hebben tegen de Eenheid, tegen God, tegen de Liefde. Het was te heftig om dit schuldgevoel in de denkgeest onder ogen te zien en dit vormde de oerknal waarin de schuld naar buiten gekotst werd in de vorm van een lichaam dat zich in het zichtbare universum bevindt.

Deze geprojecteerde schuld nam ik weliswaar eerst terug, niet mijn vriend maar ik zou schuldig zijn, maar daarmee ontkrachtte ik nog niet het geloof in de echtheid van deze schuld. Mijn geheime agenda is immers om de vermeende echtheid van schuld juist niet te willen kwijtraken. Dit terugnemen biedt echter wel de mogelijkheid om de sleutel uit les 141 te gebruiken (121): Vergeving is de sleutel tot geluk. Een luide vreugdekreet klinkt op als ik de schuld naar het licht breng en samen met Hem ernaar durf te kijken. Nu herinner ik me om weer te lachen: kijk Heer, ik geloofde zojuist in schuld! DIT IS NIET WAAR! Ik speel verstoppertje voor U in het paradijs maar het is niet nodig. U zoekt mij niet boos maar als een liefdevolle vader. In mijn spel ben ik weggekropen achter een donkere steen en bang geworden voor mijn eigen gedachten en verzinsels. Ik hoef echter slechts te stoppen met dit spelletje en dan biedt vergeving me alles wat ik wens (122).

Heer slechts uw gedachten van verbinding, eenheid en uiteindelijk die ene stralende gedachte van Liefde zijn echt. Heer spoel me schoon van verbeelde gedachten van aanval, zonde en schuld. Alles is in U en van U.

Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God.