Bad guys

millennium-3-gerechtigheid.20170228030352

Gisteravond bekeek ik een stukje van de film Millennium 3. Een scala aan bad guys passeerde de revue; een gewetenloze beul, een pedofiele psychiater en een egoïstische vrouwenhandelaar. M’n ego smult van zoveel slechteriken want het is fijn om zogenaamd overduidelijke foute mensen te veroordelen. Op deze manier koestert m’n ego zijn stralende en smetteloze speciaalheid. Die anderen zijn zondig en verdienen de straf die ze natuurlijk in de loop van de film ook ondergaan. Het is aantrekkelijk om zo’n film te bekijken omdat ik langs deze weg mijn eigen denkbeeldige foute neigingen probeer kwijt te raken door ze op anderen te projecteren. Ik geloof nu werkelijk dat het me gelukt is deze slechtheid kwijt te raken en superieur en zondeloos te genieten van mezelf.

Een eerste stapje naar vergeving is het erkennen van de ego-gerichte impulsen die ik bij de boeven veroordeel in mezelf. Het ego verschuilt zich hierbij achter een illusoire rangorde in zonden. “Ik sla toch niemand de hersenen in, vergrijp me toch niet aan kinderen en buit toch geen vrouwen uit?’. Dit is een handige manoeuvre waarmee ik probeer de projectie te rechtvaardigen. Ik weiger te zien hoe ik dezelfde neigingen (bijvoorbeeld aanvallen van onschuld, waarde toekennen aan geld) in andere vormen koester.

Vervolgens kan ik zien wat het me lijkt op te leveren om mijn “boeven-broeders” te veroordelen. Ik kan de zelfgenoegzame afgescheidenheid bij mezelf opmerken waarmee ik de illusie van een ikje in een boze buitenwereld overeind houd. Wat zou er gebeuren als ik zou weigeren mezelf als superieur te beschouwen aan m’n broeders? Ik heb het nu niet over een gedeeltelijk vergoelijken van hun misstappen. Niet een “ach, ze kunnen er misschien niets aan doen dat ze zo geworden zijn” en een “ik herken het eigenlijk ook wel een beetje bij mezelf”. Nee, in plaats hiervan een totaal liefhebben van de agressieve, op geldbeluste kinderverkrachter. Kan ik de totale eenheid zien van mezelf en die ander? Kan ik dat wonder toelaten?

Hier komt die prachtige werkboekles 91 om de hoek kijken:

“Wonderen worden gezien in het licht”.

Hierin staat: “Je twijfelt er niet aan dat de ogen van het lichaam kunnen zien. Je twijfelt er niet aan dat de beelden die ze jou vertonen werkelijkheid zijn”. Vervolgens worden we opgeroepen om ons geloof in wat we zien, met als krachtige symbool ons eigen lichaam, wat los te laten. Het is immers onze fixatie op afgescheiden vormen die ons blind maakt voor de waarheid. Wij veroordelen anderen om de eenheid juist niet te ervaren. Gelukkig is er hoop voor ons. We hoeven niet zelf te zoeken naar liefdevolle gedachten. Die zijn ons in onze denkbeeldige afgescheidenheid per definitie vreemd. We hoeven slechts de teugels van ons geloof in de slechtheid van anderen wat te laten vieren en ons in vertrouwen te richten op God en al Zijn Gedachten. Het licht en de ervaring van Zijn vrede zijn er altijd al, maar we houden deze buiten de deur omdat we bang zijn voor de liefde en eenheid die we ervaren als we ons oordelen wat loslaten. WB91 is een uitnodiging voor een (hernieuwde) kennismaking met het wonder van vergeving dat plaatsvindt als we het duister niet geloven. Er is al licht en we zien de wonderlijke werking als we Zijn visie vertrouwen en niet de veroordelende ogen van ons lichaam. Wat een genade.

 

Ziek gemeld

ziekgemeld

Afgelopen week heb ik me ziek gemeld. Na anderhalf jaar tobben met een gezondheidsprobleem ging het niet meer. De specifieke vorm doet er niet toe. Wat er wel toe doet is wat deze levensles oplevert. Want naast opluchting dat ik, voorlopig althans, mag stoppen met worstelen komt een diep geworteld schuldgevoel naar boven borrelen. Dit nare gevoel was afgelopen periode, waarin ik nog 50% werkte, ook aanwezig. Steeds probeerde ik het naar de achtergrond te verdringen maar dat levert alleen meer spanning op.

Vanmorgen besloot ik het in de ogen te kijken. Beelden van vroeger kwamen naar boven. Ik zag mijn vader, de stoere marineman, boos kijken naar de kleine Simon die ergens pijn had. “Stel je niet zo aan”, riep vader, “je moet een beetje flink zijn!”. Beschaamd droop het kleine ventje af. Het was duidelijk. Hij was een aansteller en hij moest zich schamen. Hij moest laten zien dat hij sterk en lief was want anders zou hij de liefde van vader verspelen met alle voor een kind verschrikkelijke consequenties van dien.

Natuurlijk heeft het geen zin om me met terugwerkende kracht kwaad te maken op mijn vader en hem als schuldige van mijn eigen schuldgevoel aan te wijzen. Ik heb deze leersituatie gekozen en zal er mee geconfronteerd worden totdat ik mijn les geleerd heb. De metafysische analogie is immers duidelijk. Ik meen een lichaam te zijn, afgescheiden van het geheel, kwetsbaar. In confrontatie met het ego van mijn vader heeft “mijn eigen” ego dezelfde les geleerd: kwetsbaarheid is slecht en moet veroordeeld en bestraft worden. Het verdient afwijzing en dood. De reactie van mijn vader, en dus ook die van mijn ego, is eeuwenoud en werd uitgebeeld door de woedende menigte die de onschuld van Jezus niet konden accepteren. “Dood hem, kruisig hem”.

De Heilige Geest kan me een herinterpretatie geven. Weer gaat Simon met pijn en angst naar zijn Vader. “Papa ik ben bang. Ik ben niet sterk en vrees de toekomst. Ik vrees dat mijn vrienden, mijn collega’s me zullen afwijzen en minachten omdat ik zwak ben. Ik ben bang dat ik minder liefde (in de vorm van salaris / geld) zal krijgen”. Nu zie ik dat ik op hen slechts mijn angst voor de afwijzing door God projecteer. Ik heb de neiging om te geloven in een boze, afwijzende en kritische God die mij Zijn liefde zal onthouden en dus ook in broeders en zusters met dezelfde eigenschappen. En hierin heeft mijn ego een geheime en verborgen agenda. Het vindt het namelijk minder eng om afgewezen en zelfs aangevallen te worden dan om onvoorwaardelijk geaccepteerd en geliefd te worden. Wat blijft dat toch raar. Er is in mij een angst die me ertoe drijft om schuld te omarmen. Het ego duikt bovenop dit inzicht. “Aha”, schreeuwt het triomfantelijk. “Je doet dit dus allemaal jezelf aan! Kijk maar eens in de Cursus, staat hier niet dat ziekte een keuze is? Staat hier niet in dat het vasthouden aan schuldgevoel ook een keuze is? Het is dus allemaal je eigen schuld en je zou je dus diep moeten schamen”.

Nu glimlach ik. Moet een angstig kind dat naar zijn vader gaat zich schamen? Natuurlijk niet, het mag opgepakt worden en een kusje krijgen op de schram. Papa geeft een knuffel en laat weten dat het goed komt, dat het al goed is. En “grote” Simon? Hij mag de werkboekles van vandaag lezen (84):

Liefde schiep mij als zichzelf.

Liefde koestert geen grieven.

“Vader help me om het dode verleden en een ingebeelde toekomst los te laten. Neemt U de leiding want ik wil U zo dolgraag volgen. Dank U dat ik mag weten dat ik Uw Heilige Zoon ben. Totaal schuldeloos en geliefd. Hier ben ik liefdevolle Vader. Ik houd van U, ik vertrouw U”

Hoe laat je die grieven dan los?

Lange tijd dacht ik bij het woord “grieven” uitsluitend aan haatgevoelens jegens anderen. De Cursus gebruikt deze speciale haatrelaties ook dikwijls omdat het voorbeelden oplevert die we allemaal zo goed herkennen. Als ons gevraagd wordt iemand in gedachten te nemen aan wie we een hekel hebben dan lukt ons dit zonder probleem. Keuze te over zelfs.

Tegenwoordig merk ik hoe enorm wijd verbreid dat koesteren van grieven in de denkgeest aanwezig is. Natuurlijk betreft het niet alleen personen maar gaat het over alles wat ons niet zint. En dat is heel wat. Het is de “core business” van het ego om ergens iets van te vinden, dit niet oké te vinden en vervolgens in actie te komen om de situatie te veranderen. De indeling in zogenaamd grote en kleine kwesties is hierbij voor wat betreft het effect wat er met dit oordelend mechanisme bereikt wordt niet relevant. Met enige oplettendheid kun je bij jezelf zien wat er gebeurt als je een mini griefje koestert. Zo werd ik gisterochtend wakker en constateerde dat ik een wat rare spanning in mijn kaken had. Kies gerust je eigen voorbeeld; alles wat je niet helemaal bevalt is geschikt. Waar het om draait is op te merken dat er iets aan de hand is waar je vanaf wilt, hoe ogenschijnlijk klein het ongemak ook is. Merk op dat je inwendig dikwijls haast ongemerkt zegt: “dit wil ik niet” of “dit wil ik anders”. Belangrijker nog, probeer te voelen wat er nu van binnen lijkt te gebeuren met je. Zie de geboorte van de denkbeeldige tweedeling; met het koesteren van je griefje geef je voedsel aan de geboorte van een “ikje” dat ergens vanaf wil, een ik versus iets anders, een ik in een omgeving die je niet bevalt, een slachtoffer ik.

Als je dit ziet en er enigszins gevoel bij krijgt dat je hier haast van moment tot moment mee bezig bent dat kan het gebeuren dat je hiervan baalt en hier dan weer mee wil stoppen. Die gespannen kaak die ik noemde is hier bij mij een voorbeeld van. Een soort afgeleid balen van het veroordelen van m’n neiging te veroordelen. Dit is werkelijk een vicieuze cirkel waarbij het ego steeds harder en harder lijkt te worden. Maar wat dan wel? We hebben een wonder nodig.

Maar hoe dan? In onze geïdentificeerde ego-staat hebben we een beeld van wat dat wonder in moet houden. Ook dit is in algemene termen uit te drukken; we willen af van de nare omstandigheid. In mijn voorbeeld: ik wil een ontspannen gevoel krijgen. Dat lijkt een valide wens en dat is het ten diepste ook. Maar ook hier gaat het ego aan de haal. Het is er achter gekomen dat het uit zichzelf de situatie alleen maar erger maakt. Het kan niks doen en de ellende alleen maar groter maken. Dus roept het de hulp van Jezus of de Heilige Geest in. Het “gebed” komt ongeveer hier op neer: “lieve Heer, ik heb last van …. (gespannen kaak) ik baal hiervan en geef de voorkeur aan … (ontspannen gevoel). Kunt U dit even regelen? Amen”. Deze overgave is een stap in de goede richting, zoveel is zeker. Toch kleeft er nog een grote voorwaardelijkheid aan deze manier van bidden en hiermee de neiging tot het oordelen van de acties van Jezus of de Heilige Geest. De arrogantie van het ego bestaat eruit dat het meent te weten wat er aan de situatie mankeert en wat de gewenste verandering precies inhoudt. In feite zegt het tegen God wat de zogenaamde oplossing is voor mij. En hier zit hem de crux. Want uiteindelijk gaat het niet om een oplossing voor mij maar het oplossen van mij. En hoe zou “ik” het oplossen van mezelf ooit kunnen beoordelen? Dit beoordelen is juist de truc om het ik-gevoel in stand te houden. Hier komen woorden als liefde, geduld, loslaten en vertrouwen om de hoek kijken. Ik mag het fanatisme loslaten en glimlachen om waar ik mee bezig ben. Ook overigens erg goed voor die gespannen kaak van me.

Oeps, ik doe het weer Heer. Hier ben ik Heer. Ik ben zo bang om los te laten dat ik kies voor de verkramping die ik vind bij het beoordelen van personen of situaties. Ik kan hier niks aan veranderen want ik weet niet wat voor mij in deze situatie het beste is. U weet dit wel Heer. Daarom kijk ik slechts naar U. Ik wend me tot U en ik strek mijn arm naar U uit. Help me Heer, Uw wil geschiede. Dank dat U trouw bent Heer en niets liever doet dan me opnemen in Uw vrede.

WB 78: Laat wonderen alle grieven vervangen

Oordeel of liefde?

Transgender

Gisteravond bekeek ik een opgenomen uitzending van “Hij is een zij”, een programma over transgenders. Hierin werd een transvrouw uitgenodigd om te spreken op een Christelijke studentenvereniging. Natuurlijk vind ik het super dat er op deze manier bruggen gebouwd worden en dat een dialoog mogelijk is. Toch maakte de uitzending het me duidelijk dat het geloof in een God buiten ons, zoals binnen het klassiek dualistische klassieke geloof, ons in een lastige spagaat brengt. Er ontstaat een innerlijke strijd die ook mij jaren geleden kwelde. In grote lijnen komt het op het volgende neer.

  1. Ik geloof dat er een God bestaat die een duidelijke mening heeft over wat goed- en wat slecht is.
  2. Ik geloof dat God ons liefheeft.

Zodra je uitgaat van punt 1 wil je weten wat God dan precies goed en fout vindt. Je meent dat de Bijbel daarbij kan helpen maar als je gaat lezen in dit boek dan loop je al snel aan tegen het feit dat God klaarblijkelijk bepaalde gedragingen niet leuk vindt. Daaronder vallen in het licht van de tv-uitzending van gisteravond zaken als het dragen (door een man) van vrouwenkleding, homoseksualiteit en echtscheiding. In het Oude Testament kon het vervolgens behoorlijk uit de hand lopen als deze “wil van God” gedwarsboomd werd. Gelukkig zijn de huidige Christenen liefdevoller dan deze oudtestamentische stamgod. Maar toch. Je ziet de aarzeling. Het publiek wil wel liefdevol reageren maar meent toch dat de handelswijze van de vrouw niet in overeenstemming is met de wil van God. Uit mijn kerkelijke periode herinner ik me een super formule om hiermee om te gaan: “God haat de zonde maar heeft de zondaar lief”. Leuk bedacht, maar luistert ons hart naar een dergelijke bezwering?

Een Christelijke vriend met wie ik gisteravond keek illustreerde met een typerend voorval waar dit op uit draait. Een lesbische kennis van hem vertelde in Christelijke kring dat ze ging trouwen, natuurlijk met een vrouw. Men zweeg en wist zich geen raad met de situatie. Het werd extra schrijnend toen enkele weken later dezelfde vrouw getuige was van de aankondiging van een “normaal” heteroseksueel huwelijk. Hierop werd openlijk vreugdevol gereageerd.

Terug naar de uitzending. Want wat blijft er over als je naar de spreekster kijkt die daar in al haar kwetsbaarheid staat? Wat gebeurt er als je niet meer door de bril van nare passages uit de Bijbel naar haar kijkt? Dan borrelt enorme compassie omhoog, directe liefde voor een vrouw die vraagt “houd van mij, accepteer mij, sluit mij niet uit van een relatie met jullie en met de God van liefde die ik ook als vader zie”. Lukt dit ooit zonder ons klassieke beeld van een oordelende God totaal los te laten?

En lang leve de blinde vlek. Ook ik had gisteravond vergevingswerk te doen. Zodra ik namelijk niet de transvrouw maar wel het Christelijk publiek veroordeel, doe ik natuurlijk exact hetzelfde. Ik heb dan een nieuw geloof in het leven geroepen dat als volgt luidt: “men zal niet oordelen”. Zodra ik meen te bespeuren in een broeder of zuster dat hij of zij oordeelt dan roept dit een fanatieke veroordeling bij me op en een gevoel van afscheiding van de liefde. Hoe kan ik hier dan mee omgaan?

Dat kan door in m’n denkgeest contact te maken met wat ik veroordeel in anderen. Ik moet erkennen dat ik exact dezelfde neiging tot oordelen heb. Wellicht niet gebaseerd op de Bijbel maar dat doet er niets toe. Ook mijn oordeel brengt denkbeeldig onderscheid aan tussen een ikje en die ander (het Christelijke publiek). Ik doe dit met dezelfde reden; schuld projecteren buiten mij. Want wat gebeurt er als ik me openstel voor het feit dat ik verbonden ben met het publiek in onze ego-neiging tot oordelen?

“Heer, ik oordeel omdat ik me schuldig voel. Ik wil de schuld buiten me houden en bij die ander leggen. Dit doe ik omdat ik bang ben voor uw grenzeloze liefde. Heer ik geef uw mijn oordeel en mijn angst en laat me vallen in uw armen. Laat me beseffen dat uw liefde stroomt en mogen mijn broeders, zusters en ik beseffen dat we thuis zijn in U, thuis in de liefde. Niemand uitgezonderd.”

 

Totale vergeving

waterval

Mijn jongste dochter is 15 jaar. Ze woont de helft van de week bij mij. Ik ben altijd blij als ik haar op woensdag middag zie verschijnen met een fiets vol tassen met kleertjes en schoolboeken. Als deeltijd ouder wil ik natuurlijk dat ze het naar haar zin heeft bij mij en m’n huidige partner. We zien het dan ook door de vingers als m’n dochter naar haar kamer glipt op momenten dat er een bijdrage van haar verwacht wordt aan bijvoorbeeld het dekken of afruimen van de eettafel, in- of uitruimen van de vaatwasser, een keertje ook drinken voor ons meenemen en ga zo maar door. Ik voel nu de glimlach van herkenning van lezers die kinderen hebben in dezelfde leeftijd en ik weet zeker dat mijn eigen moeder dit ook allemaal met terugwerkende kracht heel grappig zou vinden.

En natuurlijk herkent u dan ook dat moment dat de tiener-luiheid je toch even teveel wordt. Zoals gisteravond. ‘Wie heeft er zin om thee te zetten?’, vroeg ik dapper en keek daarbij veelbetekenend naar de jongste. Het voorspelbare antwoord volgde: ‘Ik niet, ik heb nu geen trek in thee’. Ik stak een zo vriendelijk mogelijk opvoedkundig preekje af waarbij ik zei dat het best fijn kan zijn ook eens iets voor iemand anders te doen. Tot opluchting van de jongste stond m’n oudste dochter, die op vrijdagavond soms mee-eet, op en zette thee voor ons. Grr. Kort hierna ging de jongste naar haar kamer. ‘Jaag ik haar nu weg? Is ze boos? Hé, ik wil zo graag dat ze het hier gezellig heeft’. M’n ego vond in mij als gescheiden vader een dankbare prooi om m’n schuldgevoel aan te wakkeren.

Vanmorgen gingen de aanvallen van het ego verder en ik verdedigde zo goed ik maar kon. Ego: ‘was dat nou nodig gisteravond?’. Moi: ‘Ze kan toch wel een keertje iets doen, ik mag toch wel zoiets kleins aan haar vragen, ik hoef toch niet altijd haar maar te ontzien om de lieve vrede te bewaren enz’. Dit soort inwendige dialogen zijn nooit leuk, dragen zeker niet bij aan het ervaren van vrede en hebben een vreemd soort macabere aantrekkingskracht. Er is bijna niet te ontsnappen aan deze mini-rechtszaak. En dan, heel vervelend, gaat de Cursus zich er ook mee bemoeien. ‘Wil je gelijk hebben of vrede ervaren’. Sodemieter toch op, denk ik, op dit gezever zit ik nu even niet te wachten. Helaas weet ik dat dit het enige spoor is dat ergens toe gaat leiden dus met tegenzin begin ik de vergevingsles te leren.

Les 63 dan maar; Het licht van de wereld brengt elke denkgeest vrede door mijn vergeving. ‘Iedereen’ vind ik prima, maar nu even niet die luie kleine meid van me. ‘Nee, haar ook’, zegt de Heilige Geest. Ik stribbel nog wat tegen maar begin dan met moeite toe te geven dat ook zij een Zoon van God is, totaal schuldeloos, wat ze ook doet of, in dit geval, niet doet. Ik merk weerstand om haar schuldeloos te zien. Wil ik de beschuldiging wel los laten, kan ik mijn interne rijdende rechter in z’n auto zetten en de denkgeest uit sturen? Ik heb Hulp nodig, zoveel is weer duidelijk.

In gedachten stel ik me voor dat er een grote vergevingsklus moet plaatsvinden en ik hoop op een steuntje in de rug van de Heilige Geest. Na enige minuten ploeteren merk ik dat er niks gebeurt. Dan pas merk ik dat ik zelf erg mijn best doe. Waarom? Omdat ik de kracht van het Licht hopeloos onderschat. Ik verwacht een kleine bijdrage van Hem aan mijn nobele pogingen. Ik meen dat ik zelf hoogstens met moeite de sluis van vergeving naar m’n dochter een beetje kan openzetten en dat hierdoor het allemaal een beetje beter zal gaan.

Wacht eens, wat is hier nu aan de hand. Geloof ik dat mijn dochter totaal schuldeloos is? Ja. Geloof ik dat God almachtig en totale liefde is? Jawel. Geloof ik dat ik in staat ben, waardig ben, als volledig geopend kanaal Zijn liefde en licht door te geven? Nee dus, hier zit hem de crux. Ik, voel mezelf onwaardig, niet in staat en daardoor schuldig dat ik vasthoud aan m’n wrok. Mijn dochter mag nu iets meer doen wat ze wil, helpen of op haar kont blijven zitten, maar ik ben wel nog steeds onderworpen aan de wetten van goed en kwaad. Ik kan het nog wel steeds goed of fout of iets hiertussen in doen.

Doordat ik mezelf nog schuldig acht kan ik niet volledig vergeven. Ik blijf schuld zien in de situatie; nog een beetje in haar maar vooral heel veel in mezelf.

En God? Die giet zich totaal leeg in belangeloze oneindige en onbegrensde liefde in de Denkgeest. Hij ziet totaal geen zonde in mijn dochter, noch in mij. Hij ziet 100% licht en schuldeloosheid en in Hem is geen spoor van duisternis. Hij geeft zich totaal aan mij, hij verklaar mijn totale schuldeloosheid en biedt mij de ervaring van totale vrede. Daarvoor hoef ik maar één ding te kiezen: ik hoef alleen maar, net als God, totale schuldeloosheid te zien in haar. Alle reserves mag ik laten varen. Juichend mag ik de sluis van vergeving wijd openzetten, ik trek de sluisdeur eruit en laat Zijn Liefde dwars door me heen stromen naar haar. Er verschijn licht in haar, ze straalt volledig en ik? Ik huil van geluk.

Ontslag

arbeidsrecht-ontslag-pd-20160120

Een lieve collega van me is ontslagen. Ze was niet meer nodig, werd haar verteld. Super doei. Ik heb haar leren kennen als een keiharde integere werker met een groot hart voor de zaak. De verontwaardiging onder de achterblijvers is groot. Toen ik haar onlangs sprak had ik gelukkig de oppervlakkige tegenwoordigheid van geest om niet mee te gaan in het verwensen van haar direct leidinggevende die haar op ongehoorde wijze de wacht heeft aangezegd. Ergens begreep ik wel dat dit haar niet zou helpen.

Maar toch. De kwestie was voor mij nog niet opgelost, niet vergeven. Begin deze week kwam haar baas terug van vakantie. Ik merkte dat ik hem ontliep. Ik hoorde hoe andere collega’s vriendelijk vroegen hoe hij het had gehad op wintersport maar ik kon dat even niet opbrengen.

Mogelijk speelt mee dat ik zelf ook momenteel richting de uitgang beweeg. Ik word begeleid op het zogenaamde tweede spoor; lees, richting een andere baan. Ten diepste is er geen onderscheid tussen wat ik voel rondom het ontslag van mijn collega en mijn eigen dreigende vertrek. Er is  verontwaardiging. “Dit doe je toch niet? Zo ga je toch niet om met mensen die zich jaren trouw en hard werkend hebben ingezet voor het bedrijf? Dit is ronduit onbeschoft gedrag!”.
Binnen de illusie kan dit allemaal waar zijn en mogen we natuurlijk protesteren en proberen een goede regeling mee te krijgen. Maar wat wordt er aangeraakt in mij dat ik zo heftig reageer? Dat is de kwestie, daar is werk te doen.

Metafysisch gezien is het niet zo ingewikkeld. De werkgever is het symbool voor God en het salaris het symbool voor liefde en een surrogaat gevoel van veiligheid en geborgenheid. Ik vrees de toorn en de straf van mijn afgod, de baas. Als ik deze projectie terugneem dan zie ik dat deze teruggaat op mijn vermeende afscheiding van God/Liefde en de evenzo vermeende toorn van God hierover. Ik voel me schuldig en vrees straf (zijn boosheid/ontslag) terwijl ik hoop op liefde (waardering en salaris). Ik ben kortgezegd mijn ware identiteit vergeten; de onvoorwaardelijk geliefde Zoon.

Tot zover de verstandelijke kant van de zaak. Maar dan het gevoel. Eerst de boosheid en ook verdriet. En daar is nu iets geks mee aan de hand. Het lukt vandaag tamelijk snel om contact te maken met een weeïg gevoel in mijn borst. Hier lijkt het verdriet zich te uiten. Het lukt om hier even bij te blijven en niet direct weg te vluchten. Opvallend gemakkelijk kan ik vervolgens boosheid, angst en verdriet in één beweging voor de voeten van de Heilige Geest leggen. En deze lost het zo snel op, met zo’n speels gemak dat ik me vervolgens hier weer schuldig over voel. Het voelt haast ongepast om het ontslag van mijn collega en mijn eigen dreigende ontslag zo als een stukje uit een film te zien. Om er zo makkelijk om te glimlachen. Het voelt haast als verraad richting mijn ontslagen collega, richting ‘de werkelijkheid’.

En toch werkt het zo. Waar mijn denken eerst beweerde dat dit een “erg zware kwestie is die langdurig en pittig vergevingswerk zou vergen” laat de Heilige Geest zien dat er geen rangorde in ellende is en geen rangorde in wonderen om de illusie weg te blazen. Met andere woorden; ik word haast bang van het speelse gemak waarmee Hij de ogenschijnlijk zware kwesties kan oplossen, als ik dat toelaat. Wow. Ik kan het haast niet geloven en merk dat ik argwanend in de gaten houd of er nog een “terugslag” komt. We zien wel, maar tot die tijd: Halleluja, dank!

 

Spirituele arrogantie?

spirituele-arrogantie

Herken je dat je het soms jammer vindt dat de wereld zo weinig spiritueel is? Dit kan heel specifieke vormen aannemen, bijvoorbeeld als het mensen betreft in je naaste omgeving; collega’s, familieleden, je kinderen of partner. Je kunt het ‘jammer’ vinden dat ze helemaal niet aangesproken lijken te worden door jouw spirituele zoektocht. Dat ze zich zo lijken te verliezen in aardse zaken die er toch helemaal niet toe doen. Je kunt je een beetje een roepende in de woestijn voelen.

Het is natuurlijk ook fijn om met medestudenten samen te zijn, om ze te ontmoeten tijdens Cursus-bijeenkomsten of in FB-groepen. Ervaringen van hen kunnen zo inspirerend zijn en natuurlijk mogen we hier van genieten en ons hierdoor laten inspireren.

Toch kan er in onze houding richting ogenschijnlijk minder spiritueel geïnteresseerden een element van veroordeling sluipen. Haast ongemerkt kunnen we ons toch een beetje verheven gaan voelen, een stukje verder op de ladder, iets minder aards. Het is niet leuk om dit onder ogen te zien. Het vergt een pijnlijke eerlijkheid naar jezelf. Toch denk ik dat het goed is om dit te herkennen en te erkennen. Het ego is er, zoals gewoonlijk , als de kippen bij om dit spirituele-ego te veroordelen. Iemand die arrogant is verdient volgens ons ego een negatief oordeel. Liefst zien we die arrogantie bij een ander maar als we het bij onszelf zien volgt er hetzelfde oordeel met daarna de schaamte. We voelen ons schuldig vanwege de vermeende arrogantie.

Stapje terug dan maar. Want wat is er aan de hand als we het jammer vinden dat onze naasten ervoor lijken te kiezen om door te slapen? Als we dit veroordelen? Dit is, zoals bekend, niet meer dan een indicatie dat we de keuze om door te slapen in onszelf veroordelen. We voelen ons hier zelf schuldig over maar konden dit schuldgevoel in onze denkgeest niet verdragen. Dus projecteren we het op anderen zodat we het veilig in hen kunnen veroordelen. Dit is de klassieke manier om ons gevoel van afscheiding in stand te houden.

Sterker nog. Door dit zogenaamde slapen van anderen (dus ook het zogenaamde slapen van onszelf) te veroordelen, geven we te kennen dat we menen dat het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. We onderschrijven het bijgeloof dat het echt gelukt is om ons van God (de Liefde) los te denken, dat we hiermee iets hebben gedaan wat fout en zondig is. Dat die ander (wij zelf dus) hiervoor veroordeling en straf verdienen.

En dit is dus niet zo. Er is niks gebeurd, we hebben ons niet los kunnen denken, wij en die zogenaamde anderen zijn onveranderd schuldeloze kinderen van God. Om dit niet te hoeven ervaren (omdat we bang voor liefde zijn), veroordelen we anderen (en daarmee onszelf) voor iets wat nooit gebeurd is.

Dus we zijn één met die slapende ander. Dit slapen is niet fout maar een tijdelijk spelletje dat hij/zij en ik verkiezen te spelen om ons even een afgescheiden ik te kunnen voelen. We hoeven het niet serieus te nemen, noch bij die ander noch bij onszelf. We mogen zien dat wat die ander of ik ook lijken te doen, hoezeer we ook in slaap lijken dat we onveranderd de totaal schuldeloze en geliefde kinderen zijn van Hem. Verbonden met elkaar, verbonden met Hem.

Wonderlijk langzaam

slak

Wonderen zijn rare dingen. Althans, dat vindt m’n ego. Vanuit m’n grotendeels geïdentificeerde toestand heb ik tijd nodig om een beetje aan ze te wennen. Op dit moment durf ik ze nog alleen toe te laten op het gebied van emoties en stemmingen. En dan nog steeds mondjesmaat. Als ik me bijvoorbeeld een beetje zwaarmoedig en neerslachtig voel en de tegenwoordigheid van geest heb kan ik ruimte maken voor het wonder. Met een paradoxale tegenzin wordt het me langzaam duidelijk dat ik er onbewust voor gekozen heb om me zo te voelen. Met dezelfde tegenzin richt ik me vervolgens op Hem. Ik meen dat ik daarna enige tijd nodig heb, waarin ik bijvoorbeeld middels een werkboek-affirmatie mijn vertrouwen op Jezus richt, om het wonder te laten gebeuren. Pas na een klein kwartiertje vindt die wonderlijke shift plaats. Het besef dat ik daadwerkelijk zelf gekozen heb voor mijn negatieve bui en de totaal nieuwe kwaliteit van zien samen met de Heilige Geest. Zo lijkt het vergevingsproces moeite en tijd te kosten.

Als het om lichamelijke kwalen gaat, op dit moment is bij mij maagpijn aan de orde, dan lijkt het wonder niet te werken. Cognitief begrijp ik weer dat ik zelf die pijn projecteer om de illusie te versterken dat ik een lichaam ben. Vervolgens breng ik pijn en verstandelijk besef bij de Heilige Geest, houd ik een schuin oog gericht op m’n pijn, om na hetzelfde kwartiertje te concluderen dat het deze keer niet geholpen heeft. ‘Tja, dit is ook wel wat anders dan een naar gevoeletje’, fluistert mijn ego me in.

Maar de Cursus spreekt me hierin duidelijk tegen. Er is geen rangorde in wonderen dus ook geen rangorde in moeilijkheid van problemen binnen de illusie. Het ego glimlacht tevreden en beweert direct dat ik er dus niks van snap en het allemaal verkeerd doe. Het is dus zogenaamd mijn eigen schuld dat ik niet van mijn maagpijn afkom. Gelukkig krijg ik wel wat sneller in de smiezen wanneer ik me schuldig ergens over voel en kan ik dit gebruiken als signaal dat ik naar het ego luister. De Heilige Geest beschuldigt nooit, dat staat vast.

Toch is dat onderscheid wat ik maak tussen grote en kleine wonderen fascinerend. Elke logica ontbreekt hierin. Ik kan op het journaal naar hongersnoden en oorlogsgeweld kijken en de onrust die dit oproept zogenaamd makkelijk vergeven. Dit vergeven is echter eerder een verdringen uit het bewustzijn dan een werkelijk vergeven. Dat maagpijntje staat volgens de maatstaven binnen onze droom in geen verhouding tot genoemde rampen. Maar als het ‘mijn lichaam’ betreft durf ik de illusie niet los te laten. Ziekte en pijn zijn wat dat betreft prachtige wake-up calls. Wij geven deze fenomenen zelf een bijzondere plaats binnen de totale illusie. Mijn maagpijn is op zich net zo neutraal als de boekenkast die hier naast me staat. Ik voel echter geen enkele behoefte om middels vergeven van die boekenkast af te komen maar wil wel graag af van die lichamelijke pijn. Een overduidelijk illustratie van mijn zelf verkozen gevangenschap in de illusie dat ik wel degelijk mijn lichaam ben.

Uiteindelijk gaat het om het vergeven van het denkbeeldige universum, met alles erop en eraan. Hierbij is niets meer of minder ernstig dan iets anders en hierbij is er geen onderscheid tussen maagpijn, boekenkast en wereldoorlog. Ben ik nu schuldig omdat ik zo kortzichtig ben en zo’n trage leerling van Cursus ben? Nee, ik ben gewoon bang voor de onbegrensdheid van de liefde. Natuurlijk heeft het vergeven van een nare emotie helemaal geen tijd nodig. Mijn bange ikje heeft tijd nodig omdat het te confronterend is om in 1 seconde te zien dat ik de boel bij elkaar aan het verzinnen ben. Idem voor de maagpijn. Hier ben ik zo bang dat ik de illusie van afgescheidenheid onder ogen dien te komen dat ik genezing zelfs niet binnen een kwartiertje durf te laten plaatsvinden. Ik blijf met een dualistische blik loeren naar dat fenomeen in mijn buik: is het weg of niet? De Heilige Geest krijgt van mij een multiple choice antwoord voorgelegd; A of B. Ik sta totaal (nog) niet open voor het echte wonder waarbij ik echt Zijn Wil volg.

De Cursus spreekt in bovengenoemd verband over generaliseren van ons vergevingsproces. We mogen binnen onze droom de denkbeeldige tijd nemen om als het ware te wennen aan die vredige ruimte. De waarheid is altijd al waar; we zijn schuldeloze, grenzeloze kinderen van God, nu en altijd. En als ik dat nu nog niet aandurf omdat ik hier allerlei onjuiste fantasieën over heb dan mag ik nog even geloven in mijn maagpijn. God overweldigt me hierin niet, dringt Zijn vrede niet aan mij op. Hij wacht slechts tot ik onderken dat Zijn Wil ook mijn wil is. Liefdevol geduldig, wonderlijk langzaam.

Opgelicht!

Het aardige van dromen is dat je de gelegenheid krijgt om onverwerkte thema’s te ontdekken zelfs als er in je ‘werkelijke’ leven even niet zoveel spannends lijkt te gebeuren. Zo droomde ik vanmorgen dat ik op een station een treinkaartje wilde kopen. De dame in het loket noemde de prijs; €32,25. Ik leg een briefje van 20 en een briefje van 10 neer en zoek in mijn portemonnee naar kleingeld. Als ik dit wil neerleggen blijkt het briefje van 10 verdwenen. Even twijfel ik maar ik meen aan de sluwe glimlach van de dame te zien dat ze het briefje gewoon gepikt heeft. Vervolgens ontsteek ik in grote woede en ik zal je de uitingen hiervan besparen.

Opgefokt word ik vervolgens wakker. Natuurlijk vind ik mijn boosheid totaal gerechtvaardigd. Na enkele minuten besef ik dat ik werk aan de winkel heb; vergevingswerk. Ik zoom in op mijn verontwaardiging en blijf erbij rusten. Direct komen er vele situaties uit datzelfde ‘werkelijke’ leven naar boven borrelen waarbij ik even kwaad was. Situaties waarin mij zogenaamd groot onrecht was aangedaan. Wat me opviel is dat het zowel zogenaamd ‘kleine’ als ‘grote’ zaken betrof, recente en oude. Van een winkelier die geen garantie gaf op een artikel dat ik bij hem gekocht had tot aan de ontvreemding van m’n geliefde signaal rode Kadett GSI decennia geleden. M’n boosheid richtte zich op de soms niet eens bekende daders die mij dit hadden aangedaan.

De eerste stappen van een vergevingsklus zijn nooit leuk. De beerput van het ego gaat open en er komt een boel oud zeer naar boven borrelen. Ik besloot aan de slag te gaan met m’n meest recente ervaring, zelfs al betrof dit zogenaamd slechts een droom. Weer zag ik die uitgestreken kop van ‘dat wijf’ voor me en voelde ik de haat. Mijn Cursus-verstand zei me dat ik moest vergeven maar ik merkte dat ik daar totaal geen zin in had. Ik had gelijk en wilde dit krijgen ook, ik wilde gewoon m’n geld terug! M’n eerste poging om te vergeven was het ouderwetse vergeven. ‘Ach, als ze denkt dat ze er gelukkig van wordt; laat dan maar. Hier wil ik boven staan, laat ik de wijste maar zijn’. Dit werkt dus niet. Naast woede komt er nu slechts een gevoel van vermeende superioriteit bij. Nu zit ik met een boos, opgezwollen, verontwaardigd en schijnheilig ego. Ik heb Hulp nodig.

Ik richt de blik op de Heilige Geest en vertel wat er aan de hand is. Mijn ikje kan niet vergeven en wil dit ook ten diepste niet. Het wil zich boos en afgescheiden blijven voelen, dat is tenslotte zijn functie. Een tijdje lig ik in dubio; luisteren naar het schreeuwende ego of naar Hem? Gelijk krijgen of vrede ervaren? Ik besluit voor vrede te kiezen en richt me op de zachte Stem met het kleine beetje vertrouwen dat ik kan opbrengen. In gedachten pak ik de handen van de vrouw in mijn handen en ik herken in haar vermeende diefstal mijn eigen geloof in het belang van geld als surrogaat-liefde. Ons mini-kringetje wordt groter als alle vermeende dieven en oplichters uit het verleden erbij komen staan. Een grote kring van mensen die geloven dat ze moeten hebben om gelukkig te zijn, zelfs als het ten koste lijkt te gaan van anderen. Ik ben één van hen en voel me verbonden. Ik zie onze angst, mijn angst. En ik zie ons werkelijke verlangen, verlangen naar liefde. Met Zijn Liefde mag ik zegenen; hen zegenen, mijzelf zegenen. Dan loopt m’n opgefokte en opgezwollen ego langzaam leeg. Werkelijk en wonder. We staan zo een tijdje in het licht. En dan, weinig spannend, val ik weer lekker een halfuurtje terug in een rustige slaap.