Geen quick fix

image

We hebben de neiging om wat actiever met de Cursus aan de gang te gaan als we te maken krijgen met vervelende zaken. Stress, angsten, lastpakken, ziektes en ga zo maar door. Er gebeurt iets naars en we willen hiervan af. Misschien vorm jij als lezer de uitzondering en moet ik alleen voor mezelf praten maar ik durf hierin toch wel wat te generaliseren. Het is ook helemaal niet erg als iets ‘groots’ de trigger vormt om weer eens even een spiritueel tandje bij te schakelen.

‘Wat moet ik doen om weer vrede te ervaren?’ is een vraag die ik mezelf dan ook stel. Dit is een goede vraag. Ik ben geen snelle leerling en begin er maar beetje bij beetje achter te komen dat er geen snelle oplossing is. Voor mij niet althans. Ik lees wel eens over broeders en zusters bij wie het kwartje in één keer valt waarna kennelijk de illusie doorzien wordt. Lijkt me heerlijk. Zelf merk ik soms wel meen te snappen hoe het allemaal zit maar dat ik als het puntje bij het paaltje komt toch in een maalstroom van gevoelens ten onder ga. Omgekeerd geldt dan ook dat het een illusie is als ik denk dat een ander er echt mee geholpen is ik voor hem of haar de situatie meta-fysisch probeer te duiden en daarna aangeef dat ze het moeten vergeven, naar de liefde brengen of suggesties met vergelijkbare strekking.

Het valt te vergelijken met ons leven binnen de illusie. Ik kan een boek lezen over de optimale training om een hardloper te worden maar als ik niet uit m’n stoel kom dan is aan het einde van het boek m’n conditie nog net zo slecht als daarvoor. Als ik dan plotseling in een situatie kom waarin ik een paar kilometer moet rennen dan lukt me dat niet. Ook al weet ik alles over de optimale adem- en looptechniek. Zo ook met spirituele groei.

Ik weet ook wel dat zuivere non-dualisten kunnen gruwen van zoiets als spirituele training. Er is geen ik dat iets bereiken kan, geen doel en inspanning zou alleen maar de illusie van een ik bevestigen. In Cursus kringen wordt dit bevestigd maar tegelijkertijd ook gezien als niveau I waarheid. Er zijn natuurlijk helemaal geen niveau’s maar, dat gezegd hebbende, zullen we op niveau II moeten oefenen. Dit blijkt natuurlijk ook uit de opbouw van de Cursus. Het tweede deel heet niet voor niets WERK-boek en het bevat 365 lessen. Dit zijn niet zozeer lessen zoals we ze kennen van een LOI-cursus. Net zoals we bij looptraining echt aan de slag moeten, geldt dit ook voor de Cursus.

Kort gezegd; een enkele uitzondering daargelaten, mogen we niet verwachten dat een beetje lezen en cognitief studeren en begrijpen ons echt verder zal helpen als we een keer binnen onze droomwereld in de problemen komen. We zijn simpelweg niet getraind. Ik wil niet moraliseren of beschuldigen en terwijl ik dit schrijf reken ik mezelf ook tot de lezers. We zullen dus gewoon de werkboeklessen moeten proberen te doen. Gewoon dagelijks stille tijd nemen. Liefdevol en zonder dwang maar wel met een passie voor ontwaken. Oefenen betekent ook dat je dan merkt hoe weinig zin je hier soms in hebt. Die weerstand is een prachtige gelegenheid om te zien hoe verslaafd je bent aan afleiding, aan de droomwereld. Je komt erachter dat je neigt te kiezen voor van alles en nog wat maar niet voor de stilte, voor vrede.

Maar geleidelijk merk je na kortere of langere tijd dat er iets is veranderd. Door al dat oefenen en steeds weer je eigen onwil vergeven blijkt dat je niet meer zo erg kopje onder gaat als het een keer niet zo lekker loopt in de droom. Ongemerkt is je spirituele conditie beter geworden. Niet dat je nu een cognitief trucje hebt geleerd. Niet dat je intellectuele begrip je nu redt. Nee, er is een andere houding gegroeid. Iets van kalmte, iets onverstoorbaars. Niet spectaculair, niet absoluut maar geleidelijk en eerst een klein beetje. En zo beklimmen we de ladder waarvan wordt gezegd dat uiteindelijk zal blijken dat deze niet bestaat. Dat is nog eens een open eind..

Tegenzin

image

Soms denk ik vooruit aan de komende dagen of week en dan merk ik dat ik er niet echt veel zin in heb. Ondertussen weet ik natuurlijk wel, welke ingrediënten hiervoor bij mij verantwoordelijk zijn; veel drukke zakelijke afspraken waarvoor ik me verantwoordelijk voel. Voeg daar nog de factoren ‘reizen’ en ‘vroeg opstaan’ aan toe en mijn berg om tegenop te zien is compleet. Bléh, geen zin. Jullie herkennen mogelijk het gevoel wel hoewel waarschijnlijk jullie denkbeeldige obstakels zullen verschillen van de mijne. Dit wat half-gare negatieve gevoel is niet noodzakelijk heel sterk. Het kan zo’n beetje halfbewust op de achtergrond aanwezig zijn.

Het duurde even voordat ik het leerde te zien als vorm van slachtofferschap. Ik zou hierbij het slachtoffer zijn van nare omstandigheden die ik niet onder controle heb. De vervelende gebeurtenissen komen onafwendbaar dichterbij en ik zal er doorheen moeten, me er zo goed mogelijk doorheen moeten slaan. ‘Let’s get it over with’, zeggen de Engelsen zo kernachtig.

De Cursus leert me dat ik NIET het slachtoffer ben van de wereld die ik zie. Ik heb zelf betekenis gegeven aan alle dingen die ik zie. Een drukke werkweek met reizen en verantwoordelijkheden geven niet vanzelf dat half-gare gevoel van tegenzin bij mij. Sterker nog, ik heb wél een keuze hoe ik hiernaar wens te kijken. Vervolgens is het interessant om te kijken wat deze waarheid bij me doet. Er ontstaat ontkenning en weerstand. ‘Nee hoor, het overkomt me gewoon, het ís ook niet leuk en ik kan er niks aan doen dat ik er tegenop zie’. Kennen jullie die gedachten en dat gevoel?

Vervolgens weet ik wat me te doen staat. Het is heel subtiel. Want ik ga NIET naar God met het gebed om me een leukere baan te geven. Ik ga zelfs niet naar Hem met de vraag om me te steunen in de komende drukke week of met de vraag ok me een meer ontspannen gevoel te geven. Nee, ik ga naar hem toe en vertel met enige tegenzin dat ik er gek genoeg voor lijk te kiezen om ergens zo tegenop te zien. Ik vertel Hem dat ik er gek genoeg voor kies om me slachtoffer te voelen. Ik belijd als het ware dat ik er voor kies om me rot te voelen en dat ik dit stiekem lekker vind. Dan open ik me en bied Hem deze weerstand aan. Ik kies er voor om er samen met Hem in stilte naar te kijken en het los te laten. Vergeving. Ik zie een frisse openheid verschijnen die ik gek genoeg vreesde. Maar ik zie ook de aantrekkelijkheid van deze niet-ingevulde ruimte. De liefde, de vrede.

WB 270: Vandaag zal ik niet de ogen van het lichaam gebruiken.

ECIW-coach Facebook groep

stay-connected-to-gods-love

Wie is een “ECIW-coach”? Iedereen die onvoorwaardelijke liefde betoont aan een medestudent met bewoordingen uit ECIW.
Wie is een “ECIW-student”? Wij allemaal.

 

Deze Facebook-pagina is bedoeld voor iedereen die zijn of haar eigen ervaringen met ECIW wil delen. Op deze pagina kan ook iedereen een vraag voorleggen aan alle medestudenten.

Waar is deze pagina niet voor bedoeld? Ik wil iedereen vragen om deze groep niet te gebruiken om te zenden. Daarmee bedoel ik het delen van ECIW-teksten en mooie afbeeldingen, hoe inspirerend deze ook zijn. Dit gebeurt al genoeg in andere ECIW-FB-groepen. Prachtig en inspirerend, maar ik wil de ECIW-coach groep graag reserveren voor onze authentieke ervaringen met de Cursus.

Ik zal niet-persoonlijke posts in liefde verwijderen zodat de wel-persoonlijke berichten niet ondersneeuwen.

Moge Zijn Liefde door ons stromen naar elkaar.

Wat wil ik nou?

Woman thinking blackboard concept. Pensive girl looking at thought bubble on chalkboard / blackboard texture background. Mixed race Asian Chinese / Caucasian student.

Goede vraag. Ik wil van alles. Maar dat is zo veel dat het me eigenlijk ook weer niet veel zegt. Het doet er ook niet zo veel toe. De omgekeerde vraag zegt me soms wat meer. Wat wil ik niet? Zolang dat wat ik mijn leventje noemt een beetje doorhobbelt, komt ook deze vraag niet echt in mijn bewustzijn. De sleur van het dagelijks leven kan ervoor zorgen dat de minuten, uren, dagen en weken als zand door mijn vingers glippen. Voor je het weet ben je 55 jaar oud. En zo zal het ook wel verder hobbelen, vermoed ik.

Als ik verrek van de pijn of een conflict heb met iemand weet ik iets beter wat ik nu eigenlijk wil. Ik wil van de pijn af en ik wil dat die ander dat doet waarvan ik vind dat ie dat zou moeten doen. Soms lukt dat en dan kan ik weer verder met de sleur. Soms lukt het niet en dan heb ik hier zoveel last van dat mijn interesse in de Cursus in Wonderen weer wat toeneemt. De Cursus als pijnstiller of tranquilizer. Ach, waarom ook niet.

Ooit las ik ergens de zin “niets meer te wensen en toch niet gelukkig”. Misschien is het de titel van een boek. Binnen de illusie hebben sommigen van ons het “geluk” om dit mee te maken. Genoeg geld om te doen wat je wilt, vrijheid en lieve mensen om je heen. Je wint de loterij of je bedenkt een leuk liedje en je wordt een beroemde popster. Daar zit je dan in je riante villa. Vakantie hier, vakantie daar. En je ontevredenheid reist gezellig met je mee.

In deze dimensie is vrede niet te vinden. Althans, niet voor mij. We kunnen ons een tijdje vermaken maar that’s it. Je kunt dit zwartgallige betoog met je verstand begrijpen, maar zelfs dat helpt je niet verder. Er mist een dimensie. Een dimensie die niets met onze wereld van ruimte, tijd en waarneembare objecten te maken heeft. Een dimensie die je niet kunt vinden omdat deze al overal is. Een dimensie die pas zichtbaar wordt als je geen genoegen meer neemt met spiegeltjes en kraaltjes. Begrijp me goed; er is niks mis met een dikke bankrekening, een mooi huis, een tropisch eiland en een schat van een partner. Enjoy. En als je verder niks wilt; ook goed. Gewoon oud worden, toch ziek worden en doodgaan. Nieuwe ronde, nieuwe kansen.

Maar als je het zat wordt, echt zat wordt, dan kun je ook doen wat in de Bijbel staat. Zoek eerst het Koninkrijk der Hemelen. Hoe dan? Dat Koninkrijk is een symbool voor de Liefde en hiervan leert de Cursus ons dat we die niet direct kunnen zoeken. Onze werkboeklessen zijn erop gericht dat we leren “vergeven”. Over dit vergeven denken we snel tamelijk platvloers. Iemand doet iets vervelends en ik zeg: “laat ik maar de wijste zijn, zand erover”. Maar vergeven is veel mystieker. Het is een voorbij kijken aan dat wat we menen waar te nemen, dat wat ons lijkt te overkomen. Alles, echt alles, wat we opmerken kan vergeven worden. Daaronder vallen inderdaad zogenaamde irritante medemensen en lichamelijke pijn. Maar het gaat verder. Het bruine blaadje dat ik net van de boom zag dwarrelen en met een klein tikje landde op de tegel. Ik zie het, ik hoor het. Nee, zo is het niet. In het zien en in het horen ontstaat het beeld van een “ik” die er zich buiten lijkt te bevinden. En nu stil. Nu de bijna eerbiedige erkenning dat ik helemaal niks weet. Totale en grenzeloze verbazing over wat zich ontvouwt. Nu. En nu. Toestaan, overgeven, loslaten. Liefde, ruimte. Alles en niks.

Ongemerkt arrogant

cope-with-arrogant-people-step-18Als ik met meer orthodoxe christenen over hun geloof praat stoort het me soms dat ze zo stellig kunnen overkomen. Vanuit de Bijbel menen ze te weten wat God wil en wat ongelovigen zal overkomen als deze zich niet zullen bekeren. Zo’n storing is altijd een mooi begin voor zelfonderzoek. Zonder direct helemaal te begrijpen wat er aan de hand is kun je er als Cursus student in ieder geval van uitgaan dat er iets bij je zelf opgelost en vergeven mag worden als je je stoort aan een ander. In dit voorbeeld geldt dat ik me slechts kan irriteren aan de stelligheid van een broeder of zuster als ik zelf ook een stelling heb ingenomen. Ook ik meen te weten dat God namelijk niet is zoals zij zeggen maar dat betekent dat ik dus ook nog steeds een heel duidelijk beeld van Hem heb.

We zijn allebei bezig om een beeld van God te scheppen. Ik heb nu de neiging om me hiertegen te verdedigen door te stellen dat God grenzeloze liefde is waar je je geen beeld van kunt vormen. Voilà, ook weer een alleraardigst beeld. Ik gedraag me hiermee weer ongemerkt arrogant. Ik ben als het ware God aan het scheppen in mijn gedachten. Dit is niet alleen een gedachtenspelletje. Als ik niet door heb wat ik aan het doen ben dan werkt dat ook door in de manier waarop ik denk mijn vergevingsoefeningen te moeten doen. In het Oude Testament meende men de genade van God te kunnen verdienen door goede werken te doen. Denk maar eens aan de Tien Geboden. Als Cursus studenten leren we al snel dat het niet gaat om uiterlijk gedrag. Toch kan er een fanatisme binnensluipen in het bestuderen van de Cursus, het doen van de werkboeklessen en het volgen van Cursus bijeenkomsten. Ook als we in onze zogenaamde binnenwereld aanlopen tegen een ongewenst emotie vragen we ons af wat we moeten DOEN om hier zo snel mogelijk vanaf te komen.

Gelukkig zet in het Nieuwe Testament Jezus onze kerkelijke broeders en onszelf weer op het goede spoor met de twee grote “geboden”:

En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.  En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als u- zelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. 

We worden op het spoor van de liefde gezet. Ook hierbij geldt dat we ons best kunnen gaan doen om lief te hebben. Hoewel goed bedoeld, werkt dit toch niet. Als ons ego bovenstaand citaat leest zal het concluderen dat God een narrig en jaloers wezen is. Angst sluipt binnen. Angst dat Zijn toorn ons zal treffen. Deze angst drijft ons tot de ogenschijnlijk lieve daad van evangelisatie. We menen de ongelovigen te moeten overtuigen om te geloven in onze “lieve” vader omdat hij anders boos wordt.

Als Cursus student kan ik deze splinter opmerken in het oog van mijn kerkelijke broeder maar als ik denk dat hij of zij het dus allemaal fout doet dan zie ik de balk in mijn eigen oog over het hoofd. Kennelijk is de opdracht om lief te hebben nog niet ondubbelzinnig genoeg voor ons allemaal. En in dat woord zit ook de sleutel: dubbelzinnig. Zolang we uit blijven gaan van een dualistisch wereldbeeld blijft het “ik en God” en “ik en mijn medemens”. Wat we dan ook “doen”; er blijft altijd ruis op de lijn.

En hier komt werkboekles 260 goed van pas:

Laat ik me herinneren dat God mij geschapen heeft.

En dat “herinneren” moeten we niet als cognitief spelletje opvatten. Het is een oproep om weer naar binnen te keren. Om stil te worden. Zolang we blijven babbelen, plannen maken, discussiëren en dingen doen, bevestigen we voor ons zelf de illusie van afgescheidenheid. Stil worden en naar binnen keren. (WB260:2): “Nu herinneren we onze Bron en daarin vinden we eindelijk onze ware Identiteit. Wij zijn waarlijk heilig, want onze Bron kan van geen zonde weten. En wij die Zijn Zonen zijn, zijn elkaars evenbeeld en de gelijkenis van Hem”.

En in dit stille woordeloze gebed ontmoeten wij al onze broeders in Zijn Liefde en genade, in de Liefde die we allemaal zijn. Hier is geen ruimte meer voor arrogantie. Godzijdank.

Wat overkomt me nu weer?

image

Doe eens een stapje terug en kijk eens naar je leven in de droom die we onze wereld noemen. Zet aangeleerde Cursus-wijsheden even opzij en wees eerlijk. Kijk eens wat je allemaal overkomen is, nog steeds overkomt en waarmee je zogenaamd opgezadeld bent. Kijk zo naar je lichaam met eigenschappen die je niet zo fijn vindt. Kijk naar je verleden, je opvoeding, je ouders. Naar je werksituatie en naar je partner. Als ik zelf zo kijk dan meen ik een soort combi te zien van zaken die me overkomen zijn, die me nog steeds overkomen en andere zaken die ik een beetje naar mijn hand heb kunnen zetten. En lees dan werkboekles 253. Op verschillende manieren zegt de les: ‘Wat gebeurt, is wat ik verlang’. En leg deze uitspraak dan naast de toestanden waar je naar jouw mening absoluut niet op zat of zit te wachten.

En, jawel, daar is ie weer. Onze goede vriend, het ego: ‘eigen schuld, dikke bult’. En in plaats van ons te verbinden met broeders die, op welke manier dan ook, ziek zijn, sabelen we ze neer met deze ‘wijsheid’. Idem dito met ons zelf. Zelfverwijt en schaamte zijn het gevolg. En het rare is, zelfs daar vragen we dus om.

Waarom zouden we willen geloven dat narigheid ons ongevraagd overkomt? Omdat we slachtoffer willen zijn. Ik vraag je niet om dit met je verstand aan te nemen. Neem gewoon iets in je gedachten waarvan je denkt dat het je overkomt. Hierbij een voorbeeldje van mij. Een paar dagen terug zat er een briefje achter de voorruit van mijn auto. ‘Hartelijk dank dat u uw auto zo asociaal hebt neergezet’, stond erop. Ik begreep het niet. Ik parkeer altijd keurig met gepaste afstand tot reeds geparkeerde auto’s, zelfs als dat niet helemaal klopt met de vaag aangegeven parkeervakken. Boos verfrommel ik het papiertje en rijd naar mijn werk. Ik ben wat later dan gewoonlijk, iets na negenen, en de receptioniste begroet me met ‘ook goedemiddag’. Ik merk dat ik me aangevallen en gecorrigeerd voel. Twee ogenschijnlijk willekeurige gebeurtenissen die me overkomen. Toch?

Deze gebeurtenissen zullen me zogenaamd blijven overkomen zolang er een diep schuldgevoel in mijn denkgeest verborgen blijft. Dat schuldgevoel gaat helemaal terug op de denkbeeldige afscheiding van de liefde, van God. Onbewust denk ik dat ik schuldig ben en dat Hij boos is. Te pijnlijk voor m’n zogenaamde binnenwereld dus projecteer ik er lustig op los. Een boze buurman en een boze receptioniste. Mijn neiging is om te verdedigen en vervolgens de tegenaanval te openen. Een sneer terug geven, of zo.

Ik kijk nog eens naar deze mogelijke reactie maar heb eindelijk enigszins geleerd om de verantwoordelijkheid niet direct bij die ander te leggen. Het overkomt me niet. Ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie. Ik hoef me ook niet schuldig te voelen over mijn neiging. En dan komt het. Ik overweeg om toe te geven dat het bij mij ligt. Dat slechts mijn allergie voor vermeende schuld wordt getriggerd. Durf ik deze gevoelens over te geven? Hoe voelt het om die anderen én mezelf ‘off the hook’ te halen? Om te weigeren om het spel ‘zwarte-pieten-met-schuld’ te spelen? Dat voelt raar, haast ongepast. Toch rust ik in die ruimte, die openheid. Ik merk de weerstand op om het beschuldigen van anderen en van mezelf los te laten. Als ik die weerstand toch overgeef, loslaat, dan stroomt er iets teders door mijn hart. Hier ligt de sleutel. Dit is genade.

Mijn Zelf is heer en meester van het universum.

Twee jongens en een kat

two-boys-with-their-cat

Gisteren gaven we een feestje. Gelukkig was het redelijk weer en konden de deuren naar de tuin open. De meegekomen kinderen vermaakten zich in het dichtbij gelegen speeltuintje. Een jongetje van een jaar of negen blijft echter achter in de tuin en vanuit m’n ooghoek zie ik hoe hij pogingen doet om onze lieve poes Mies op haar staart te stampen. Mies vliegt in paniek door de tuin waarop het ventje de achtervolging inzet. De ouders staan op dit moment natuurlijk net binnen en ik spreek het kereltje ‘vriendelijk’ aan op zijn gedrag en leg uit dat dit niet leuk is en dat het pijn doet als je bij Mies op haar staart gaat staan. ‘Ik vind het leuk’, is het antwoord. ‘Het is niet leuk, en je moet het niet meer doen’, zeg ik met ingehouden woede en ik kijk hem strak aan. Kennelijk ziet hij dat het menens is en hij staakt de achtervolging.

’s Nachts komen dit soort voorvallen weer bij me naar boven als ik even wakker word. Ik heb de les niet geleerd. Pas nu herken ik mijn eigen aanvalsgedachten op het kind. M’n boosheid en verontwaardiging. Op zijn aanval heb ik met een tegenaanval gereageerd. M’n ego schraapt de keel en legt uit dat dit helemaal gerechtvaardigd was en dat het goed is dat ik hem op zijn gedrag aansprak, ook in het belang van de poes. Maar het gaat niet om het aanspreken maar om mijn intentie. En daar zal ik geen doekjes om winden; ik was boos en verontwaardigd. Ik herkende de aanval van het jongetje niet als een vraag om liefde en reageerde misschien ogenschijnlijk niet al te boos maar ik voelde bepaald geen liefde stromen.

Als ik er even rustig naar kijk begin ik de vette projectie te herkennen. Ik meen dat ik buiten me zie dat een dader een aanval uitvoert op een onschuldige en dat deze dader zich schuldig moet voelen. Ik besef dat ik mijn vermeende schuld op hem heb geprojecteerd. Ik meen dat ik een onschuldige heb aangevallen en dat ik schuldig ben en straf verdien. Die onschuldige is God, de liefde. Mijn aanval bestaat uit mijn vermeende couppoging waarbij ik zelfstandigheid en speciaalheid heb opgeëist. Ik meen dat ik Jezus gekruisigd heb en dat ik schuldig ben. Dit schuldgevoel is te overweldigend en projecteer ik met veel energie op die aanval van het jongetje op een onschuldige ‘buiten mij’.

Deze redenering kan vergezocht lijken maar het is geen redenering. Als ik echt stil word kan ik afdalen naar het schuldgevoel dat ik probeer te projecteren. En dit voelt zeer ongemakkelijk en pijnlijk. Ik kan zien hoe het bijna niet lukt om dit schuldgevoel onder ogen te komen. Hier bestaat grote onwil tegen. Ik wil weg, bij dit gevoel vandaan maar besluit de situatie buiten me niet meer als uitvlucht te gebruiken. Mijn ego gooit het als vanouds op een andere boeg en beweert nu dat het toch wel erg stom is dat ik ‘als gevorderde student’ zo liefdeloos gereageerd heb en pas na zoveel uren erachter ben gekomen dat ik fout zat. Het ego gooit de tijd in de strijd om mijn schuld onomkeerbaar te maken. ‘Nu ben je te laat, gemiste kans, je hebt het ventje echt iets aangedaan, je bent dus toch fout, zondig, schuldig!’

Nu is het genoeg. ‘Nee’, zeg ik. ‘Nee!’ Ik ben liefde. Het jongetje is liefde. De liefde van God stroomt nu door ons heen. Ik kijk naar Hem, naar de waarheid. Ik kies Hem, niet het ego. Ik kies vergeving en houd mijn ogen op Hem gericht, in vertrouwen. Er is niets gebeurd, er is geen schuld. Weer zie ik het ventje voor me met zijn brilletje. Ik zie de aandacht die vooral uitging naar zijn schattige zusje. Ik zie iets van eenzaamheid, van behoefte aan warmte. Liefde stroomt van Jezus naar ons beiden. Twee jongetjes die denken eenzaam te zijn. Twee jongetjes die denken dat ze zich sterker zullen voelen als ze aanvallen. Twee jongetjes die zo erg op elkaar lijken en allebei zo geliefd zijn.

WB 247: zonder vergeving blijf ik blind

Ben jij ook zo bang?

Deep fear of businessman

Wat een uitspraak in WB240; angst is niet gerechtvaardigd, in geen enkele vorm. Vooral ook die toevoeging, ‘in geen enkele vorm’. Ogenschijnlijk grote angsten herkennen we redelijk gemakkelijk. We zijn bang voor oorlog en geweld, voor ziekte, voor afwijzing en voor de dood. We gaan met deze angsten om door ze wat af te zwakken (ach, het zal niet zo’n vaart lopen), te vertrouwen op magische oplossingen (een alarmsysteem op je huis, vertrouwen in de medische wetenschap) en vooral ook door ontkenning. We zien de ellende op het journaal, zuchten eens diep en zappen door naar een leuke serie.

Dan zijn er nog die talloze ‘kleinere’ angsten.

‘Hé, wat zullen ze nu van me denken?’
‘Als ik maar niet te laat kom’
‘Straks valt de BBQ in het water’
‘Wat blijft er over van m’n pensioen?’
‘Als er maar niks gebeurt met mijn kinderen’
‘Verdorie, is m’n tv nu al kapot’
‘Als ik maar niet in de file kom’
Etc etc

Ik kan best wel eens jaloers zijn op mensen die, ogenschijnlijk in elk geval, lekker zorgeloos door het leven gaan. Mensen die zich in een avontuurlijke vakantie storten in een afgelegen land, die zich zonder veel nadenken committeren aan een hoge hypotheek, die zich pas zorgen lijken te maken over de dood als deze erg dichtbij komt. Heerlijk lijkt me dat, zo’n opgeruimd gemoed. Maar helaas, in mijn leven binnen de illusie speelt angst een grote rol. Mogelijk is het een ‘bijwerking’ van de Cursus dat ik het spook sneller herken. M’n eerste reactie is die van zelfverwijt en schaamte. De veroordelende stem van mijn vader, de marineman, weergalmt uit het verleden. ‘Kom op, niet zo schijterig, wees een vent!’ Nu pas zie ik ook zijn angst die hij zo krampachtig overdekte met het tegendeel; flink en stoer doen. En wat zijn zelfverwijt en schaamte anders dan ook weer vormen van angst? Ik ben bang het niet goed te doen en ik ben bang wat andere daar van vinden. Weer bang, bang, bang.

Toch is er iets aan het veranderen. Het helpt enorm om angst te leren zien als leermogelijkheid. Om dus niet die eerste impuls te volgen om maar flink te zijn of om de angst te ontkennen. Ik leer steeds beter om mijn zorgelijke aard te zien als een zegen. Want m’n gevoeligheid biedt me veel mogelijkheden per dag. Mogelijkheden om opnieuw te kiezen en een wonder te ervaren. Ik stel me nu niet meer de vraag ‘hoe kom ik hier zo snel mogelijk vanaf?’ maar de vraag ‘waartoe hecht ik geloof aan deze angst?’ Ik maak mezelf minder wijs dat ik slachtoffer ben van een nare, toekomstige, situatie maar dat ik kennelijk geloof dat die angst me iets oplevert.

Wat gebeurt er als je de angst onder ogen ziet en niet direct je neiging volgt deze te willen fiksen? Kijk er naar en durf de angst voelen. Zonder schaamte en zonder schuldgevoel. Laat de angst naakt voor je staan en zeg: ‘zo, daar ben je weer. Wat wil je nu dat ik van je aanneem, waarvan wil je me overtuigen?’. Als je dan goed luistert dan merk je dat de angst je zegt dat je een lichaam bent, kwetsbaar en sterfelijk. En als je dan heel stil bent en heel eerlijk durft en leert te kijken dan zie je dat het helemaal terug gaat naar de overtuiging dat je afgescheiden bent van God, van de liefde, zondig en schuldig. Maar zelfs als je dat laatste nog niet ziet kan het heel behulpzaam zijn om die kleine switch te maken van jezelf slachtoffer voelen van omstandigheden buiten je naar de mogelijkheid om te kiezen.

‘Ik denk dat ik automatisch bang en bezorgd word maar de Cursus leert dat ik er diep van binnen voor kies om de angst serieus te nemen. Hoe zou het zijn als ik deze angst-signalen wel zou waarnemen maar ze niet langer zo serieus zou nemen? Als ik niet zou vechten, maar ze rustig zou accepteren en ze op een dienblaadje zou presenteren aan de Heilige Geest? Kijk Heer, ik geloof dat ik een kwetsbaar wezentje ben, overgeleverd aan omstandigheden buiten mezelf. Kennelijk denk ik dat dit me iets oplevert, dat ik me zo, gek genoeg, een echt stevig ikje kan voelen dat echt bedreigd kan worden. Heer, U leert me dat dit niet nodig is. U leert me dat ik zondeloos, veilig en zonder grenzen bent. Kennelijk vind ik dit nog spannend om te geloven maar ik wil het een kans geven. Ik wil ervaren dat Uw liefde altijd in me stroomt. Ik wil niet luisteren naar valse getuigen die zogenaamd buiten mij zijn maar die ik zelf projecteer, de buitenwereld en andere mensen. Nee, ik wil luisteren naar de enige ware Getuige. Hier ben ik met mijn angsten en zorgen. Ik kies voor U, voor liefde. Dank u dat U de Waarheid bent. Dank’

Les 240: Angst is niet gerechtvaardigd, in geen enkele vorm.

Samen op weg

image

We voelen ons aangetrokken tot ‘verlichte leraren’. Dat is ook niet zo gek. We herkennen het onbewust als we in contact komen met iemand bij wie de ego-identificatie wat minder hecht is geworden. Hoewel zo iemand onze ego-structuren op de korrel kan nemen zal onder de woorden toch liefde doorklinken.

Zoals gewoonlijk schiet ons ego makkelijk wat door in zijn zoektocht naar een zogenaamde verlichte leraar. ‘Is hij of zij nu wel of niet verlicht?’. Ieder spoortje identificatie dat we nog bij die ander bespeuren is voor ons het bewijs dat hij nog niet verlicht is. ‘Zag je dat hij boos werd en zich begon te verdedigen?’ We leggen onszelf langs dezelfde strenge meetlat. ‘Hé, nu trap ik er weer in. Wanneer raak ik nu toch eindelijk eens verlicht?’

En zo zijn we weer terug bij af. Je zou denken dat bij het benaderen van die verlichting aspecten als liefde, verdraagzaamheid en zachtmoedigheid steeds meer zichtbaar en voelbaar zouden worden. Maar het tegendeel blijkt dus vaak het geval. Verlichting wordt het laatste, strenge alles-of-niets oordeel.

Hoofdstuk 26 uit het Handboek voor leraren is wat dit betreft erg verfrissend om door te lezen. Het stelt dat God inderdaad rechtstreeks kan worden bereikt. Dit gebeurt wanneer ALLE barrières tegen de waarheid en liefde zijn geslecht. De Cursus vraagt vervolgens: bij hoevelen is dit het geval? Het zijn de leraren der leraren waarvan Jezus en de Heilige Geest symbolen zijn.

Voor de rest van de leraren binnen de droom geldt dat ze verlichtingservaringen kunnen hebben zoals jij en ik wanneer we onze vergevingsoefeningen doen en ons overgeven aan de liefde. Er kan sprake zijn van een korte ervaring van een rechtstreekse vereniging met God. Het komt echter zelden voor dat dit een groot deel van de aardse tijd wordt ‘volgehouden’. Dit is zo zeldzaam dat het niet als realistisch doel kan worden beschouwd. Als het gebeurt; prima. Zo niet; ook prima. En dan, zo mooi: ‘wanhoop dus niet vanwege beperkingen. Het is jouw functie om aan ze te ontkomen, maar niet om zonder ze te zijn’. God neemt je waar je bent en heet je welkom.

En wat is het mooi als we zo ook elkaar beschouwen in de wetenschap dat het onderscheid tussen leraren en studenten een waterscheiding is. Alles draait om liefde en verbondenheid. Niet om (zelf-)beoordeling, op voetstukken plaatsen of van voetstukken afgooien. In onze veroordeling van leraren met zelfgenoegzame trekjes ligt de veroordeling van onze eigen denkbeeldige afscheiding van de liefde. Laten we ze liefhebben, ons blij laten verrassen als ze iets zeggen wat behulpzaam is en liefdevol glimlachen als we nog iets van ons eigen ego herkennen in hen. Zo zijn we samen op weg en bloeien we samen op in Liefde.

Vechten tegen onvrede

ontevreden voetballer

Het kost ons weinig moeite om een flinke ruzie, ongenoegen of pijn op te merken. Dit is allemaal zo vervelend dat we er zo snel mogelijk vanaf willen. Niet zelden is dit een reden om nog een schepje op onze Cursus-inspanningen te gooien. Vandaag viel me op dat een vorm van ongenoegen als een soort basishouding aanwezig kan zijn. Het doet me denken aan die analogie van een ijsberg. Het topje dat boven water uitsteekt zijn de genoemde heftige voorvallen. Onder het wateroppervlak, onbewust, bevindt zich echter 90% van het ongenoegen. Een paar voorbeelden.

  • Die ander is best wel okay maar heeft toch hinderlijke trekjes
  • Wat hebben we eigenlijk een slechte zomer!
  • Mijn uiterlijk bevalt me niet helemaal. Ik ben te dik, heb te veel rimpels, ben niet getraind genoeg; enzovoort
  • Het blijft tobben met die Cursus, wanneer ben ik nu eindelijk eens verlicht?

Ik laat, zoals gebruikelijk, eerst het ego even reageren. “Is dit dan fout? Mag dit dan niet? Ik mag toch streven naar verbetering? Moet ik dan alles maar goed vinden? Sla je nu niet een beetje door?

Had je deze reacties al bij jezelf herkend? En het klopt ook. Binnen de illusie doen we niet anders dan dingen willen veranderen die ons niet bevallen. Als ik jeuk heb dan krab ik even. Niks mis mee. Gewoon blijven doen, zonder enig schuldgevoel.

Toch is het, voor mij in ieder geval, een mooie oefening om die sluimerende onvrede wat meer in het vizier te krijgen. Die lichte, alledaagse kriebel van ‘zoals het nu is, is het net niet goed genoeg’.  De Cursus leert ons dat het ervaren van onvrede een signaal voor ons mag zijn. Binnen de illusie is onvrede een startschot om in actie te komen. We willen dingen veranderen en verbeteren om de vrede weer te herstellen. Dit herstel is echter altijd tijdelijk want welke reparatie je ook uitvoert, uiteindelijk komt er weer een andere vorm van narigheid voor in de plaats. We verliezen onze denkbeeldige veldslag en menen we dat we na 80 90  jaar dappere strijd toch zullen sterven.

Voor ons, studenten van de Cursus, is het signaal van onvrede een uitnodiging om een vergevingsoefening te doen. Want wat vertelt ons dit signaal? Het bevestigt onze illusie van afgescheidenheid. IK ben niet helemaal gelukkig en moet iets in de denkbeeldige buitenwereld veranderen om gelukkig te worden. Het bevestigt ons ik-gevoel. Er is sprake van een gekke verslaving aan een chronisch gevoel van onvrede. Want wie zouden we zijn als we deze onvrede konden vergeven? Als we deze naar de liefde zouden brengen? Kun je iets van de angst ervaren wanneer je onvrede niet meer heel serieus neemt? Willem Glaudemans gaf een tijdje geleden een lezing met als titel “ik heb vrede met mijn onvrede”. Dit is geen pleidooi om onbewust genoegen te nemen met een leven vol onvrede. Nee, het is geen uitnodiging om onvrede maar te accepteren als ons onafwendbare lot.

Wat moet ik dan doen? Kan ik er iets aan doen? Niet echt. Die zogenaamde IK is binnen de illusie ontstaan juist uit onvrede. Omdat alles ons niet genoeg was zijn we gaan geloven in denkbeeldige grenzen. We willen meer dan alles, meer dan onvoorwaardelijke liefde en zijn dat gaan zoeken in een door ons zelf geprojecteerde wereld. Dat gaat hem niet worden. Inspanning van die IK werkt niet. IK kan niet zagen aan de poten van de illusie waarop IK juist gebaseerd is.

We mogen daarentegen ontspannen in de liefde die we zijn. We mogen hulp vragen aan de Heilige Geest. Overgave aan onze vader, bijvoorbeeld met de werkboekles van vandaag:

God is mijn Vader, en Hij houdt van Zijn Zoon.

Voel de liefde die uit deze les spreekt. Voel dat je hierdoor gedragen wordt. En geef vervolgens je gevoel van onvrede (en je gehechtheid hieraan) over aan deze liefde. Dan vindt het wonder plaats en blijkt vrede mogelijk, zelfs als het binnen onze droomwereld niet allemaal meezit. En vanuit vrede kunnen we ook handelen in deze wereld. Ook dan kunnen we onze voorkeuren volgen. Maar op de achtergrond is er dan een besef dat we dit doen vanuit vrijheid en niet uit een illusie dat onze daden ons iets moeten opleveren dat we kwijt meenden te zijn. We zijn niks kwijt want God houdt van Zijn Zoon. Vanuit deze Liefde ben je vrij. Vrij om te zijn, en vrij om lekker aan te rommelen binnen de illusie. Zonder enig schuldgevoel. Wees vrij en enjoy the ride als een gelukkige leerling.