Niets aan de hand, niks te vergeven?

Niets aan de hand

Lekker, zo’n dag die je gewoon toelacht. Een pril zonnetje schijnt al door de gordijnen van de slaapkamer. Als eerste pak ik na het wakker worden mijn iPhone waarop ik de werkboekles van de dag lees (141): Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God. Dat is mooi, heel mooi. Vervolgens open ik de app van de krant en lees een paar berichten. Mmmm. Daarna denk ik met een tevreden glimlach terug aan gisteren. Dat was een gezellige middag. Nu dwalen mijn gedachten af naar straks. Ik ga nog een stukje rennen. Had ik eigenlijk gisteren willen doen, maar toen kwam het niet uit. Welke route zal ik straks lopen?

Tja. Mijn denkgeest loopt vol met gedachten die ik kennelijk aantrekkelijk en de moeite waard vind en ze geven me positieve, blijde gevoelens. Het zijn gedachten waar ik ook weinig last van heb. Het is eerder omgekeerd, het lijken mij gedachten toe die illustreren dat ik gelukkig ben. Ik ben tevreden en heb zin in de nieuwe dag. In zo’n “positieve” bui is mijn gerichtheid op de Cursus minder. Ik lees de volgende zin: “Vergeving is de sleutel tot geluk”. Mooi hoor, heel mooi, mompel ik in gedachten. Maar wat zou ik willen of moeten vergeven als ik me prima voel en fijne gedachten denk? Mijn motivatie tot het doen van vergevingsoefeningen is een stuk groter als ik aanvals- of verdedigingsgedachten koester en de daarbij behorende nare gevoelens ervaar. De laatste zin dan maar: “Vergeving biedt me alles wat ik wens”. Ach, al met al ben ik met mijn blijde gedachten van nu toch redelijk tevreden.

Natuurlijk is er niks mis met het hebben van blijde gedachten en bijbehorende gevoelens. Net zo min overigens als met hun negatieve varianten. Het zijn echter twee kanten van dezelfde medaille. De medaille van het ego en het geloof in een afgescheiden ikje dat zowel gelukkig als ongelukkig kan zijn en meent het verschil hiertussen te kennen. Denken we zo niet allemaal? Als mijn denkbeeldig afgescheiden ikje zich positief verhoudt tot de buitenwereld dan noemen we dat geluk, bij een negatieve verhouding spreken we van ongeluk. In het eerste geval leunen we tevreden achterover, in het tweede geval gaan we vergeven om gelukkig te worden. Bij dit alles nemen we dus onze gedachten en gevoelens, hetzij positief hetzij negatief, behoorlijk serieus.

Dat brengt me terug bij “wat ik denk met God”. Wij kunnen ons geen denken voorstellen zonder gedachten. Maar God denkt geen afgescheiden gedachten. God denkt überhaupt niet zoals wij denken. Ons zogenaamde denken, de stroom van positieve en negatieve gedachten, is een geloof in concepten die zwaar bepaald worden door ruimte en tijd. Kun je je gedachten voorstellen die niet “ergens” over gaan? Denken over mensen, dingen of situaties is iets wat alleen lijkt te gebeuren in onze duale illusie van tijd en ruimte.

Het is niet voor niets dat we bij verschillende meditatievormen uitgenodigd worden onze aandacht te richten op de stille ruimte tussen de gedachten of dat waarin de gedachten verschijnen. Een dergelijk betoog is natuurlijk ook te houden voor de gevoelens en andere gewaarwordingen die door ons bewustzijn heen lijken te trekken. Pas in die ruimte vinden we een rust, een stilte en een vrede die al ons denken ver te boven gaat.

Nu valt de werkboekles wat op zijn plaats. Wat is “vergeven” namelijk anders dan alles wat zich lijkt voor te doen, al onze projecties zoals waarnemingen, gedachten en gevoelens, slechts te ontvangen in de liefde van de Heilige Geest? Om er ons niet langer mee te identificeren maar om weer te leren glimlachen om hun intrinsieke neutraliteit? Ze zijn niks en ze staan al helemaal op geen enkele manier in relatie tot wat we wel zijn; onbegrensde Liefde. Zo wordt vergeven inderdaad de sleutel tot geluk en biedt het alles wat ik zou kunnen wensen. Zo breidt het woordeloze denken van God, Zijn liefde en bewustzijn, zich uit over alles, kijken we eraan voorbij en kunnen we zien dat het goed is zo, ongeacht de vormen die in dit bewustzijn op lijken te doemen.

Het mooie van de Cursus vind ik dat ze een stap verder gaat dan veel Advaita leraren die met name de aandacht leggen op het geven van aandacht aan de schijnbare inhoud van het bewustzijn. In de metafysica van de Cursus wordt namelijk uitgelegd waartoe wij zo druk aan het projecteren en identificeren zijn. Dit is omdat er in het onbegrensde bewustzijn dat nietig dwaze idee is ontstaan dat afscheiding van het onbegrensde bewustzijn mogelijk is. Dit vervulde ons met zoveel angst voor de eenheid, voor de liefde, dat we een binnen- en een buiten wilde maken. Dat we tijd en ruimte wilden maken en allerlei waarnemingen, gedachten en gevoelens die onze illusie van een ikje die dit meemaakt zouden versterken en bevestigen.

Toch is de waarheid nooit veranderd en tegelijk met het ontstaan van de illusie was daar de herinnering aan hoe het werkelijk is. Die “roep terug” is de Stem van de Heilige Geest. De Magneet van de waarheid waartoe we naar terug getrokken kunnen worden als we weigeren ons mee te laten sleuren in de illusie. We kunnen onze angst hiervoor zien en net zomin serieus nemen als de rest wat zich lijkt voor te doen. Vergeven dus; de sleutel tot geluk en alles wat ik wens.

Stoppen met “doen”

Meditatie-3-1024x768

Ik kan mezelf bezig zien als drukke doener. Er lijkt zich in mijn hoofd een entiteit te bevinden die actief is om bepaalde doelen te bereiken. Laten we deze entiteit maar weer eens ego noemen. Ego beoordeelt ook vrijwel continu of de situatie al oké is of dat er nog iets moet gebeuren. Vroeger of later kiest hij steeds voor de tweede optie; wat zich voordoet vindt hij niet goed genoeg.

Puristen binnen non-dualistische kringen zeggen soms, terecht, dat het niet mogelijk is te streven naar het zwijgen van dit ego. Dat is niet ingewikkeld om te begrijpen zodra je ziet dat het de streber zelf is die dat gaat proberen. Iets willen gaan doen om wat minder te doen schiet niet echt op. Het is echter jammer wanneer je op basis van deze opvatting het kind met het badwater weggooit en niet een vorm van stiltebeoefening inbouwt in je leven. Een druk doend ego kan gezien worden als een flinke schreeuwlelijk en het valt niet mee om de zachte Stem van de Heilige Geest te horen als het ego er non-stop doorheen zit te tetteren.

Er zijn veel technieken die ons behulpzaam kunnen zijn om, althans enigszins, uit die doe-mode te komen. Een vrij simpele maar uiterst effectieve techniek wordt ook vaak toegepast aan het begin van Cursus-bijeenkomsten. Hierbij wordt even tijd genomen om als het ware te landen in de tijd en ruimte waarin je op dat moment bent. Kortgezegd komt het er op neer dat je de aandacht richt op wat je met je zintuigen waarneemt. Dit is overigens ook de kern van mindfulness. Door je aandacht te brengen naar het luisteren (zonder oordelen, naar alle geluiden) of naar het voelen (je gewicht op de ondergrond, de lucht langs je gezicht, andere gewaarwordingen) gaat er als het ware een knop om; van druk doen naar ontvankelijkheid.

Dit verklaart direct de weerstand die we ervaren tegen stille tijd. Misschien herken je het wel. Ik bespeur het in elk geval wel bij mezelf. Misschien begin je even met luisteren naar geluiden maar binnen de kortste keren ga je weer kopje onder in een stroom van gedachten. Mijn eerste reactie hierop is er een van arrogantie: “ach, zo’n stilte-oefening. Als ik echt zou willen dat lukt me dat makkelijk maar ik heb gewoon nu hier even weinig zin in”. Hier zit echter meer achter. Het is namelijk de weerstand van het ego dat zich bedreigd voelt dat weg wil uit de situatie waarin gevraagd wordt om niet te doen maar te ontspannen en te ontvangen.

Als dit gezien wordt kan er fanatisme ontstaan waarbij de doener er een schepje bovenop doet om niet meer te doen. Dit is het mechanisme waar genoemde hardcore non-dualisten op wijzen als ze de zinloosheid van dit soort oefeningen willen aantonen. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Bij mindfulness leer je om heel mild en liefdevol met dit afdwalen om te gaan. Sterker nog, het afdwalen en weer terugbrengen van de rustige aandacht is de oefening. Heel mild laat je je niet van de wijs brengen door gedachten, gevoelens en gewaarwordingen die langstrekken. Elke keer ga je terug naar luisteren, voelen, ontvankelijkheid. Door dit geregeld met deze liefde en zachtheid te doen merk je dat het een gewoonte kan worden die ook nog eens weldadig voelt.

En nu de parallel met de Cursus en ons dagelijks leven in de zogenaamde buitenwereld. De Cursus gaat uit van het inzicht “zo binnen zo buiten”, omdat er geen binnen en buiten de denkgeest bestaat. Waar ik naar toe wil is onze houding ten opzichte van zaken die we buiten ons willen projecteren. Denk aan lastige mensen of andere ongewenste situaties. Zie je de overeenkomst met de storingen van onze “eigen” ongewenste gewaarwordingen tijdens een mindfulness oefening? Hoe kunnen we nu omgaan met de ongewenste “uiterlijke” omstandigheden? Op precies dezelfde wijze als bij mindfulness. We nemen de situatie waar, we zien onze reactie en reageren met een milde glimlach. We gaan niet mee in de illusie maar stemmen af op het voelen, op het luisteren naar de zachte Stem van de Heilige Geest. Dit doen we met eindeloos geduld, keer op keer, als gelukkige en geduldige studenten. We hoeven de situatie niet zelf te fiksen, we hoeven niks te doen of te veranderen. Ten diepste hebben we vanuit het ego ook geen idee wat we zouden moeten doen. Deze wijsheid komt vanuit een veel dieper laag, vanuit ons Zelf, vanuit de Heilige Geest. Constant mogen we onze aandacht terugbrengen naar Hem en daarmee uit de doe-mode komen en in de wonderstaat komen waarin genezing kan plaats vinden. Het aanbod van een zegening is er namelijk altijd. We hoeven deze alleen maar in ontvangst te nemen door ons over te geven aan de leiding, die feitelijk ook nooit in onze handen was,  aan het geheel waarin wij bevat zijn. Uit dit geheel, uit deze milde diepte komt altijd, jawel, altijd een antwoord, een respons, de genade. Wellicht voelen we dat niet direct omdat we er voor kiezen de “verstoring” nog even serieus te nemen. Als dit gebeurt mogen we keer op keer samen met Hem hier als het ware doorheen kijken. Erin rusten zodat het wonder van genezing kan gebeuren. Als genade, vanZelf.

WB 140: Alleen van verlossing kan worden gezegd dat ze geneest. Spreek tot ons, Vader, opdat wij mogen worden genezen.

De denkgeest centraal; weer over lichamelijke ziekte

jezus geneest

Als we iets lezen over ‘genezing’ dan spitst ons ego direct de oortjes. De identificatie met ons lichaam is voor ons ego namelijk van topprioriteit. Bij het nadenken over dit lichaam zijn twee standpunten voor het ego volledig acceptabel:

  1. Lichamelijke ziekte overkomt je, je bent er het slachtoffer van
  2. Je bent zelf verantwoordelijk voor de ziekte van je lichaam

De onhoudbaarheid van het eerste standpunt krijgen we redelijk snel in de smiezen. We leren dat we juist niet het slachtoffer zijn van de wereld die we zien. Dan speelt het ego zijn tweede kaart: “Aha, jij bent dus de veroorzaker van de ziekte van het lichaam en hiermee verantwoordelijk voor je eigen ellende”. Dit tweede standpunt lijkt ons hoop te bieden op lichamelijke genezing en dit is wat we zo dolgraag willen. We absorberen met graagte uitspraken van leraren die ons op deze mogelijkheid wijzen. Jezus had om dezelfde reden ook niet te klagen over voldoende aandacht. Volksstammen kwamen bij hem langs om de felbegeerde lichamelijke genezing in ontvangst te nemen.

Ik meen dat het uiterst belangrijk is om de gemene, letterlijk gemene, deler in beide ogenschijnlijk verschillende standpunten te ontmaskeren als ego-taal. Hoewel beide uitspraken namelijk iets diametraal tegenovergestelds te lijken zeggen gaan ze toch nog allebei van hetzelfde uit: het lichaam is echt en daarmee is de ziekte of de gezondheid van het lichaam ook echt.

De Cursus beweert echter anders. Het lichaam is niet echt, het is een projectie vanuit de denkgeest om ons gevangen te houden in de illusie van afgescheidenheid. Deze projectie heeft in het geheel geen eigenschappen en is neutraal, zoals alles wat we buiten ons menen te zien neutraal is. Wat is dus in feite het meest liefdevolle wat je kunt zeggen tegen iemand die meent te lijden aan een lichamelijke ziekte? Het is niet handig om te beloven dat hij of zij “beter” zal worden door het goed beoefenen van vergevingslessen. Waarom is dit niet handig? Omdat je hiermee zijn of haar illusie bevestigt dat de ziekte echt is en genezing behoeft.

Het is behulpzamer om samen met de zogenaamde zieke te onderzoeken wat het zieke lichaam hem wil doen geloven en hier samen vraagtekens bij te plaatsen. De waartoe-vraag is hierbij essentieel. Waartoe focus je zo op de ziekte of juist op het gezond worden van je lichaam? Langs deze weg kan ontdekt worden dat zowel geloof in een ziek- als in een gezond lichaam de twee kanten van dezelfde medaille zijn: geloof in afgescheidenheid van God in een kwetsbaar lichaam. We kunnen vervolgens ontdekken dat we dit geloof aanhangen omdat we alles veiliger vinden dan te ontdekken dat we denkgeest zijn, één met God, met Hem verbonden in grenzeloze Liefde. Vervolgens kunnen we onze angst bij Hem brengen om deze angst te laten genezen.

Nu komt de laatste stuiptrekking van het ego. Het roept dat de projectie wel moet veranderen als de denkgeest geneest. En jawel, het ego heeft hier gelijk. Het lichaam is namelijk inderdaad niets meer dan een projectie. We kunnen uit angst proberen iedere verandering in deze projectie te blokkeren en daarmee vasthouden aan ogenschijnlijke van het lichaam. Het onderzoeken van deze angst voor genezing in de denkgeest om deze angst te kunnen vergeven is echter wat anders dan lichamelijke genezing claimen als bewijs dat het nu eindelijk voor elkaar is. Dat nu pas de les echt geleerd zou zijn. Zie je de subtiliteit? Zodra we de focus op het lichaam leggen en beweren dat dit wel de genezing in de denkgeest moet volgen hebben we dit lichaam gelijk weer belangrijk gemaakt en het ego voer gegeven te volharden in zijn angstig isolement. Het lichaam is niets, nop, nada. Het is niet bestaand. Het bewijst helemaal niets en is onbelangrijk.

Haal er ten overvloede maar de samenvatting van de Cursus bij.

Niets werkelijks kan bedreigd worden.
Niets onwerkelijks bestaat.
Hierin ligt de vrede van God.

Zolang we geloven dat het lichaam ziek of gezond kan zijn menen we dat het bedreigd kan worden. Hiermee bewijzen we dat we geloof hechten aan iets dat niet bestaat, namelijk in het lichaam. Genas Jezus dan niet de zieken? Jawel, maar daar ging het ten diepste niet om. De kern van zijn boodschap was dat zonde (afscheiding) niet bestaat. Zijn doel was niet om ziekte en dood te overwinnen maar om te laten zien dat ze niet bestaan. De genezingen op zich en de opstanding van hemzelf uit de dood waren niet meer dan illustraties hiervan. Geen doelen, maar een manier om de angst in de denkgeest van zijn broeders naar het licht te brengen en te genezen.

Genezing vindt plaats in de denkgeest. Dit is de “plek” die onze aandacht verdient en waar via vergeving de genezing kan plaatsvinden. Zodra we onze aandacht brengen naar ons zogenaamde lichaam gaan we glibberen. Onze aandacht voor lichamelijke ziekte laat zien dat we belang hechten aan dit lichaam en daarmee maken we er een afgod van. Staar je niet dood, letterlijk, op die projecties. Wees niet bang voor projecties van ziekte noch van projecties van lichamelijke genezing (!) maar focus je er in Godsnaam niet op want dit is voer voor het ego. Richt je op de denkgeest, op God en zijn boodschapper in je hart; de Heilige Geest. Laat hier je geloof in afgescheidenheid en zonde schoonspoelen en laat zich dan maar een gelukkige maar onbelangrijke droom openbaren als, nog steeds tijdelijk, denkbeeldig gevolg. Houd je kompas op Hem gericht en je merkt vanzelf wel dat de koers die Hij vaart de juiste is. Zal de ziekte dan uiteindelijk verdwijnen? Jawel, samen met de illusie van gezondheid en met die van het hele universum.

Babbelbox

IMG_0633

Op vakantie in de Algarve. Schitterende omgeving en lekker weertje. Na een leuk autotochtje zaten we gistermiddag even op ons kleine balkon. Kopje thee erbij, kijken naar de zwaluwen, de wolken en luisteren naar alle geluiden waaronder het eindeloze gekakel van een buurvrouw. Met zwaar Amsterdams accent en een luide, diepe doorrookte whiskey-stem legt ze haar hele levensgeschiedenis en levenswijsheid uit aan haar grotendeels zwijgende vriendin. Flesje wijn erbij en een reeds goed met peuken gevulde asbak. Ik probeer het oeverloze geklets te negeren. Tevergeefs. Ik irriteer me aan de eindeloze woordendiarree waar maar geen einde aan komt. Na een uurtje besluit ik mezelf niet langer te kwellen en vertrek ik naar het zwembad. Als ik anderhalf uur later gedoucht heb en weer plaatsneem op het balkon om nog even lekker een uurtje te chillen voor het avondeten blijkt buurvrouw nog lang niet uitgepraat. Haar stem echoot heftig tussen de andere balkons van het U-vormige appartementencomplex. Allemachtig.. weinig vriendelijke gedachten komen bij me naar boven en we besluiten om maar wat vroeger ons restaurantje op te zoeken.

Les niet geleerd en dan weet ik het al. ‘S nachts komt het tafereeltje weer bij me aankloppen. Ik merk dat ik nog niet eens zozeer geïrriteerd ben op de buurvrouw maar veel meer op mezelf. Waarom zit ik me zo op te fokken? Waarom sta ik hier niet boven en kan ik het niet gewoon met een liefdevolle glimlach laten voor wat het is?
Ik draai me op m’n rug, ontspan me en kijk zo open mogelijk naar m’n gedachten. Ik blijk vooral de oppervlakkigheid en het automatisme van het doorbabbelen te veroordelen. Met enige tegenzin neem ik de projectie terug en onderzoek deze eigenschap bij mezelf. Zo’n hersenloze oppervlakkige babbelbox wil ik echt niet zijn! Maar, helaas, natuurlijk is mijn ego niet meer dan dat; een hersenloze babbelbox. Deze zie ik nu op een balkon naast me geprojecteerd en daar richt ik mijn oordeel op. Dat is fijner dan de eigenschap in eigen denkgeest te veroordelen.
Ik ben er nog niet. Er zit een lading schuld op. Ik meen als babbelbox van God-los te zijn en daarmee afgescheiden en schuldig. De vermeende oppervlakkigheid is symbool voor vermeende anarchie tegen God, tegen de liefde.

Ik voel wat mijn oordeel over mijn geprojecteerde Amsterdamse filmster met mij doet. Ik voel me boos en afgescheiden. Nu weet ik wat me te doen staat. Ik moet de babbelaar in haar- én die in mezelf vergeven. Zonder deze zuster die mij zo fraai spiegelt kan ik de hemel niet betreden. Sta ik nu te trappelen om deze vergeving direct te laten gebeuren? Nee dus. IK heb hier helemaal geen zin in en heb dringend Hulp nodig. De liefde die ik nodig heb is meer dan een rationele analyse.

WB 126: Al wat ik geef is aan mijzelf gegeven.

De Hulp die ik nodig heb om te leren dat dit waar is, vergezelt mij nu. En in Hem zal ik mijn vertrouwen stellen.

‘Heer hier is mijn oordeel. Ik merk dat het me verhardt en dat het me bevestigt in mijn illusie van afgescheidenheid. Ik wil dit niet. Ik wil Uw vrede ervaren en mezelf niet afgescheiden zien van mijn zuster. Heer vul me met Uw liefde zodat deze kan stromen en ons met Uw vrede kan vervullen.’

Ik rust in God, hoe dan?

hand boven water

Waarschijnlijk herken je het wel. Het lijkt een beetje het wrange lot te zijn van iedere spirituele zoeker. Je hebt lucht gekregen van de mogelijkheid tot verlichting, of “verlossing” zoals de Cursus het noemt. Er volgt een fase van flink je best doen om die aantrekkelijk klinkende staat te bereiken. Je kijkt op naar leraren die mild lachend en met een serene uitstraling hun best doen om jou de gouden tip aan te reiken. Hierna daagt het begrip dat het juist die inspanning van jou is die de illusie van afgescheidenheid alleen maar sterker lijkt te maken.

Momenteel doe ik voor de tweede keer een cursus mindfulness. Ook hierin gaat een drukke doener aan de slag om eens goed de ademhaling te voelen of om tijdens de bodyscan met de aandacht bij het lichaam te blijven. Het klinkt zo simpel. Gewoon eens een twintig minuten “voelen” in plaats van dat koortsachtige doen. De aandacht floept echter alle kanten op behalve de kant van het rustige voelen wat zich voortdoet. En ook in mindfulness zoek ik naar “verlichting”. De rust en vrede waarvan ik ten diepste weet (herinner?) hoe weldadig deze is.

Zowel bij het beoefenen van de Cursus als bij mindfulness kijkt over de schouder van de doener ook de beoordelaar mee. Deze meent een duidelijk beeld te hebben van de staat die hij wil bereiken en hij is onvermoeibaar bezig om te evalueren of deze staat nu eindelijk bereikt is. Als zijn oordeel negatief is, vrijwel altijd dus, dan spoort hij de doener aan om er nog een schepje bovenop te doen of tenminste nog wat langer door te gaan met de oefening. Het effect is natuurlijk averechts: nog meer spanning.

Het valt mij dus niet mee, dat “rusten in God” of in de ademhaling. Ik doe zo mijn best om te rusten dat ik zelden zoveel spanning heb ervaren als nu. Met jaloezie kijk ik naar broeders en zusters die, ogenschijnlijk althans, helemaal niet bezig zijn met spirituele groei en verlichting. Ze doen zo heerlijk tevreden hun ding. Opstaan, ontbijten, werken, beetje lezen, beetje buizen, lekkere vakantie, zonnetje, ouder worden en rustig dood gaan. Wat voegt dat gespartel van mij hieraan toe? Niks! Ik ben minder dan genoemde niet-zoekers aanwezig in het nu en meer met geworstel om een staat van verlichting te bereiken. Net als voor klassieke Christenen plaats ik deze denkbeeldige hemel in de toekomst en ben ik per saldo nu bezig met het verrichten van goede werken met als hoop ooit deze zalige staat te bereiken. Confronterend..

Stop er dan mee! Dat zou een welgemeende tip kunnen zijn. Gooi de Cursus in het haardvuur, en laat die aandacht en de mindfulness oefeningen maar de rambam krijgen. Schroef de versterker open en brul lekker mee met keiharde muziek. Omarm het hedonisme, verrijk jezelf materieel, lach, eet vrij en kijk met een uitgeputte glimlach en een te dikke buik nog een keer om je heen als je je laatste adem uitblaast.

Maar dat kan ik niet. Dat wil ik niet. Het zoekers-virus heeft me hopeloos besmet en er is geen vaccin voor me. Of toch? Jawel, er is hoop. Meer dan dat, er is, Goddank Hulp. Deze is te vinden in het vervolg van werkboekles 120:

Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

Eerst een statement dat ik nergens naar toe hoef, niks hoef te bereiken: “Ik ben Gods Zoon”. Het is allang volbracht. Ik hoef niks te bereiken, slechts te herinneren. “Vandaag leg ik alle ziekelijke illusies over mijzelf opzij,…” Als die gedachten van hoe ik nu zou zijn en wat ik zou moeten worden. Weg ermee. Niet de Cursus maar mijn ziekelijke illusies mogen het vuur in. En dan komt het: “..en laat ik mijn Vader mij vertellen Wie ik werkelijk ben”.

Oooh Yesss! Met liefde houd ik mijn mond dicht en kijk ik naar Hem. En omdat het voor mij niet meevalt om te kijken naar pure en onbegrensde liefde kijk ik naar Zijn Zoon, mijn oudste Broer; Jezus. Op Hem richt ik mijn hoop, mijn verwachting en alles wat ik in me heb. Ik zie het beeld van mijn naamgenoot Simon Petrus die na een paar succesvolle stappen op het water toch weer verdwijnt in de golven van het bestaan. Dan deze woorden van Petrus:

Here, red mij!

En dank met me mee (Mattheus 14:31):

Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zeide tot hem: Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?”

Weet je wat er niet staat? “Jezus keek naar het gespartel en besloot de kleingelovige maar te laten zinken”. Nee! Ze komen samen in het veilige schip en de wind ging liggen. De drukke gedachten komen tot rust. Slechts één zin hoeven we te onthouden: Here, red mij! We kunnen het niet zelf doen maar we hoeven het dan ook niet zelf te doen. In hetzelfde moment dat wij besloten te geloven in de afscheiding en verbeten te gaan spartelen om de weg terug te vinden, is in ons hart de oplossing geboren. Onze onschuld ligt daar nog steeds in de kribbe. Ogenschijnlijk machteloos. Maar dit kleine vonkje blijkt onze verlosser, onze redder. We hoeven slechts in zekere hoop te knielen en onze hand naar Hem uit te strekken. En Hij redt ons uit de golven. Dankbaar.

Triviaal?

Geluk

Er zijn van die werkboeklessen die een hoog open-deur-gehalte lijken te hebben. Zo ook die van vandaag (116): “Gods Wil voor mij is volmaakt geluk / Ik deel Gods Wil dat ik gelukkig ben”. Nogal wiedes en triviaal, appeltje-eitje; zou je zeggen. De neiging bestaat om deze plezierige opsteker in je zak te stoppen, tevreden te glimlachen en er de rest van de dag niet meer aan te denken. Morgen weer zo’n fijn tekstje. Een soort dagelijkse horoscoop met goed nieuws.

Als dit de impact is die de Cursus op ons heeft dan kunnen we ervan uitgaan dat we met ego-oortjes hebben geluisterd. Niet fout of zondig en zelfs een goed begin. Vanuit ons ego denken we echter altijd in termen van afgescheidenheid. We geloven dat er een ikje bestaat dat redelijk tevreden kan zijn of een tekort aan iets kan hebben. We kunnen meer geld, vrije tijd, gezondheid, mooie ervaringen enzovoorts willen hebben. Dán zijn we pas echt- of nog meer gelukkig. Nogmaals, dit is niet zondig en als het je ten deel valt: geniet ervan!

Dit aards geluk is echter nogal vergankelijk. Nu eens hebben we het, dan weer ontglipt het ons en zijn we het kwijt. Als we het hebben dan moeten we het koesteren en verdedigen en als we het missen moeten we knokken om het weer te bemachtigen. We beoordelen anderen naar de mate waarin ze ons kunnen geven wat we denken nodig te hebben of naar mate ze een bedreiging vormen voor ons “geluk”. Dit is de basis van de speciale liefdes- en speciale haatrelaties waar de Cursus over spreekt.

Zoals zo vaak is de waarheid van de Cursus hieraan diametraal tegenovergesteld. En zelfs deze uitspraak dekt de lading niet. Alleen in onze duale denkbeeldige wereld heb je “tegenovergestelden”. Het is beter om te zeggen dat de waarheid van de Cursus onze ideeën over geluk totaal overstijgt. Jezus leert ons in de Cursus dat juist ons geloof in afgescheidenheid en in een ikje dat geluk kan hebben of geluk kan kwijtraken het denkbeeldige probleem voor ons is. Hij legt uit dat dit ons nooit het geluk en de vrede gaat opleveren waar we zo op hopen en die we ons ergens vaag herinneren. Niet in dit leven, niet in de hemel, noch in een volgende incarnatie, voor wie in deze concepten gelooft. Het zogenaamde ego-geluk is broos, het fluctueert in de tijd en kan nooit volledig zijn omdat ons ego niet volledig is.

Volledigheid is een eigenschap van God. Hij is de complete paradox van Volle Ledigheid. Hij is Alles en Hij is Niets. Grenzeloze Liefde, hoewel ook slechts woorden met symboolwaarde, komt er nog het dichtste bij, om het maar eens duaal uit te drukken. Als Zijn schepping, als Zonen van God, hebben we reeds dezelfde “eigenschappen”. Nee, meer dan dat, wij zijn reeds deze volledigheid, net als onze Vader, maar we zijn het vergeten. We hebben onze eigen compleetheid verdrongen uit onze denkgeest omdat we wilde kiezen voor de illusie van afgescheidenheid en daarmee voor de illusie van armoede.

Tegelijkertijd met het ontstaan van deze onzinnige wil van ons, ontstond direct de roep terug naar de vrede die we verkozen te verliezen. Dit is die herinnering waar ik eerder over sprak. Dit is die Stem van de Heilige Geest waar de Cursus ons op wijst. Deze liefdevolle Stem spreekt altijd tot ons, van moment tot moment. We hoeven maar één ding te doen om onze Bron weer te herinneren en echt geluk, echte vrede te ervaren en dat is ernaar luisteren en ons eraan overgeven. Hieraan refereert het tweede deel van de werkboekles: “ik deel mijn vaders Wil voor mij..” Wij menen een klein willetje te hebben, ons ego-willetje dat afgescheiden wil zijn en daarna meer wil hebben om ooit gelukkig te zijn. Maar onze echte Wil, met hoofdletter W, delen we met God en deze Wil zijn we nooit kwijt geweest.

We mogen een stapje terugdoen en toezien op het gespartel van het ego. We mogen zijn afkerend oordeel over wat er is of wat er ontbreekt opmerken en dit vergeven door het naar het Licht te brengen.

“Heer, ik ervaar mezelf als ongelukkig, als gespannen klein ikje. Dit is niet fout, niet zondig. Dit kleine dorstige lammetje hoort nu de Stem van U, van de Herder. Ik luister en laat me vinden door U. Ik laat me optillen door U en me terugbrengen naar de groene weide, naar het ware geluk, de ware vrede. Dank U Heer, dank U Liefde”.

De Cursus als sterk medicijn

leve het geneesmiddel

We neigen er naar om wat neerbuigend te kijken naar broeders en zusters met psychosomatische klachten. “Ach, het zit tussen haar oren”, zeggen we bijvoorbeeld en we nemen nog net niet het woord “aanstellerij” in de mond. Het zijn vooral de wat vage klachten die door dit negatieve etiket achtervolgd worden: hoofdpijn, buikpijn, stress en ga maar door. Naast deze psychosomatische aandoeningen hebben we de “echte ziektes en aandoeningen”; een gebroken been, een hartaanval, kanker enzovoorts. Patiënten die aan deze echte ziektes lijden verdienen ons medelijden, onze zorg en een vergoeding van de behandeling door de zorgverzekeraars. Natuurlijk schets ik hiermee de situatie iets te zwart-wit, maar toch. Bottom-line is dat we een aandoening die “van buiten” lijkt te komen serieuzer nemen dan eentje die zijn oorsprong vindt in onze zielenroerselen.

De Cursus voert een pleidooi voor een totaal tegenovergestelde richting. Ons wereldse denken over ziekte wordt in de Cursus gezien als op-zijn-kop-denken. Er wordt uitgelegd dat ons helemaal niets kan overkomen vanuit een boze buitenwereld. We kunnen op geen enkele wijze slachtoffer zijn, zelfs niet van de genoemde harde somatische aandoeningen als een hartaanval, kanker en uiteindelijk zelfs niet van de dood. Alles wat we aan ziektes aan ons lichaam opmerken vindt zijn oorsprong in de denkgeest. Nu ligt de “spirituele” versie op de loer van het veroordelen van psychosomatische aandoeningen. Binnen onze wereldse illusie vinden we mensen met psychosomatische klachten aanstellers, op spiritueel niveau hebben we de neiging om de woorden van de Cursus te verdraaien en te beweren dat onze broeders en zusters zelf schuldig zijn aan hun leed. Dat lijkt geheel in lijn met het idee van projectie vanuit de denkgeest maar ik meen dat iedere lezer wel aanvoelt dat een dergelijke harteloze visie niet echt geboren wordt vanuit liefde. Het veroordelen van onze broeders tot aanstellers of tot zondaren is meer van hetzelfde; ego-taal.

Het klopt dat de Cursus enorm radicaal is. Niet alleen onze lichamelijke ziektes maar de hele wereld die we menen te zien kunnen we beschouwen als een spiritueel-somatische aandoening. Alles is een vorm van projectie; gezonde en zieke lichamen. En direct hierover heen: niks is zondig, noch gezonde- noch zieke lichamen. Beide zijn totaal neutraal en wij geven beiden de betekenis die ze voor ons hebben. Als we kiezen voor de ego-variant dan eindigen we bij aanstellers en zondaren. Als we echter kiezen voor de kant van de Heilige Geest dan zien we altijd slechts een roep om liefde. Zogenaamd gezonde mensen menen hier op een wereld rond te lopen omdat ze zijn vergeten te lachen om het nietig dwaze idee van de afscheiding. Hetzelfde geldt voor wat we binnen de illusie “zieke mensen” noemen. Gezonde- en zieke mensen worden allemaal opgeroepen om hun illusies te doorzien; die van een gezond- en die van een ziek lichaam. We weten niet waarom de één een wat sterker signaal in de vorm van een ziekte lijkt te krijgen dan zijn broeder in een gezond lichaam. Misschien is de zieke wat hardhorend en heeft hij of zij een sterkere (pijn-)prikker nodig dan de gebruikelijke ellende die we hier in de illusie meemaken. Een positievere interpretatie is makkelijk te bedenken; wellicht zijn de zieken de frontsoldaten binnen de illusie en kunnen zij de vergevingsoefening aan die een ogenschijnlijk ziek lichaam vergt. Zo worden de aanstellers en zieken niet langer gezien als achterblijvers en aanstellers maar als heldhaftige pioniers.

Dit laatste is natuurlijk niets meer dan speculeren maar als het enige ruimte kweekt binnen onze vooroordelen dan heb ik m’n punt gemaakt. Met liefde wil ik positief afsluiten door te wijzen op een sterk medicijn, de Cursus. Overal herinnert de Cursus ons eraan dat we meer zijn dan een gezond- of een ziek lichaam. Sterker nog; dat we geen lichaam zijn. En dat is goed nieuws, buitengewoon goed nieuws. Als we met onbevangen ogen de werkboekles van vandaag lezen dan mag de vlag uit. We mogen allemaal even koning zijn vandaag als onze Heraut voor ons roept (WB112):

Ik ben zoals God mij geschapen heeft, er woont licht en vreugde en vrede in mij!

The Passion

thepassion

Gisteravond keek ik naar het muziekspektakel ‘The Passion’. Hoewel ik onder de indruk was van de omvang van deze productie, merkte ik toch dat er irritatie in me opborrelde. Dit is een signaal dat er iets ‘bij mij zit’. De wrevel heeft te maken met de mainstream interpretatie van de dood van Jezus. God zou onze welverdiende straf op zijn onschuldige en eniggeboren Zoon hebben gelegd waardoor wij van onze zonden bevrijd zouden zijn. Dit druist in tegen zo’n beetje alles wat Jezus ons in de Cursus probeert duidelijk te maken. Waar gaat deze klassiek Christelijke versie namelijk van uit?

  • God is een macht buiten ons
  • Onze zonden zijn echt
  • Onze zonden dienen bestraft te worden
  • Jezus was de enige echt zondeloze mens; los van- en anders dan wij
  • Als we dit verhaal voor waar aannemen dan komen we na onze dood in een soort verheerlijkte lichamen in de hemel

Eerst probeerde ik m’n irritatie nog een beetje weg te redeneren langs de volgende lijnen: “kennelijk zit dat zondebesef zo diep in veel mensen dat we niet zondermeer kunnen aanvaarden dat het niet juist is. Wellicht is het dan een aardig hulpmiddel om, bijvoorbeeld, voorlopig dan maar, aan te nemen dat we deze zondeloze staat nu eindelijk bereikt hebben door de kruisiging van Jezus”. Ik zag ook mensen in het publiek die duidelijk geëmotioneerd leken en gelukzalig om zich heen keken. Eindelijk vergeven, eindelijk van zonden vrij.

Voor mij werkt dit echter niet. Als ik goed kijk roept het een wonderlijke mix bij me op van afkeer en zelfs een mate van arrogantie en superioriteitsgevoel. Natuurlijk vind ik “mijn” Cursus-interpretatie beter en meer waarheidsgetrouw. Direct krijg ik hier mijn huiswerk voor de komende Paasdagen aangereikt. De ingrediënten liggen voor me op tafel: aanvalsgedachten, gevoel van speciaalheid, projectie van schuld. Kennelijk denk ik dat het belangrijk is om een juist beeld van de kruisdood en opstanding van Jezus te koesteren. Daarmee creëer ik mijn eigen afgod. Want wat zou er gebeuren als ik me niet zou concentreren op meningen van anderen en mezelf? Kan ik zien dat deze beelden nooit de waarheid kunnen zijn? Durf ik te erkennen dat ik de metafysica van de Cursus tot een nieuw geloof probeer te verheffen wat ik bereid ben te verdedigen tegen andersdenkenden. Ai, ai; wat pijnlijk om dit te moeten typen. Ik zou haast overwegen om het maar niet op m’n blog te plaatsen. Maar ook dit schaamrood hoort erbij en behelst geen morele schuld maar een vergissing.

Alle mensen zijn één, wat ze ook denken, geloven of doen. Ook mijn Cursus-verhaal mag gewoon vergeven worden, net zoals alle andere verhalen en geloven. Vanuit dat dapper schrijvende ikje krijg ik dat niet voor elkaar. Ik leg m’n opvattingen en schrijfsels op Zijn altaar. Alstublieft Heer, de fik erin. En laat me nu maar met onbevangen ogen kijken naar mijn broeders en zusters en me mezelf herkennen in hun zoeken, praten en geloven. Maar help me bovenal om door Uw ogen te zien en Uzelf te herkennen in hen. Mag ik daadwerkelijk hun- en mijn zondenloosheid ervaren en beseffen dat we één zijn in Uw liefde? Hier ben ik Heer, met lege handen, een leeg hoofd en een hart dat U mag vullen met Uw Liefde.

Onze opstanding

Hij-is-opgestaan

Er is alleen maar grenzeloze liefde zonder eigenschappen. Hierover valt dus per definitie niets te zeggen. We kunnen niet meer doen dan een richtingaanwijzer schetsen. Bijvoorbeeld door te zeggen dat deze liefde haar scheppende kracht kent door zichzelf weg te geven en, hoewel onvoorstelbaar, uit te breiden. Zo kent deze Liefde, God de Vader, Zichzelf door de Zoon te scheppen, zich in deze Zoon uit te gieten in liefde. In haar eenheid kent deze liefde geen ander en dus geen aanval. Er is immers niemand om aan te vallen.

Deze liefde zijn wijzelf. We zijn als licht, afkomstig van de Zon, dat door de lege ruimte reist. Onzichtbaar. Als lichtstraal willen we iets waarnemen maar er is niets om ons te reflecteren. In eenheid is immers geen waarneming. Dus dromen we ruimte, tijd en vormen. Iets om te reflecteren hoewel we geen ander materiaal hebben om iets uit te maken dan uit ons eigen wezen, uit onze oneindige denkgeest.

De aarde en de hemel lichten nu op in onze denkgeest. We menen onszelf aan te treffen in een lichaam. We hebben ruimte om te spelen en alles wat we om ons heen menen te zien een naam te geven. Vanuit onze ene denkgeest projecteren we als Adam ook onze Eva en Abel en Kain. Verbonden in eenheid, in geluk in vrede. Allemaal verbonden met de Vader, allemaal verwarmd door de zon. Totdat we in een dwaas moment vergeten dat we één zijn. We vergeten dat we dat lichaam zelf bedacht hebben voor ons spel. We menen nu echt los te staan, naakt en kwetsbaar en willen ons bedekken. We wandelen niet meer met God door het paradijs maar zijn plotseling bang voor Hem die onze Vader is.

We zien Hem als een bedreiging. Wat wil Hij van ons? Wil Hij onze droom afpakken, ons lichaam doden? Als Kain zien we hoe Abel nog verbonden is met God. In zijn onschuld herkennen we onze Vader, onze eigen onschuld. We zien het als bedreigende onbegrensdheid en willen uit angst onszelf verdedigen. We slaan, we doden, we brullen als wilden. We willen geen liefde, we willen grenzen, haat. Het bloed van Abel bevestigt onze waanzinnige droom. Ja, denken we, zie je wel; we kunnen doodslaan dus leven we als afgescheiden ikje! God is dood en wij leven.

We betalen echter de prijs. Jawel, we kunnen spelen. We spelen het spel van begeerte, van kracht en van genot. Maar de keerzijde is er ook altijd. Het spel van angst, vechten, verdedigen, pijn en tenslotte de dood van het lichaam. Ons eigen ultieme bewijs dat we echt bestaan, als afgescheiden ikje.

Toch kunnen we ons Zelf nooit 100% verloochenen. Bij de geboorte van onze misvatting, van onze droom, ontstaat direct het Stemmetje dat ons vertelt dat het allemaal niet waar is en dat we één zijn, onbegrensd, liefde; de Heilige Geest. Door onze oren dicht te stoppen en druk te doen in onze droom lukt het ons om te blijven slapen. Maar met Abel slaan we ook Jezus dood. Dat denken we althans. Ook Jezus vinden we vreemd omdat ook hij leeft vanuit de eenheid die we ook zelf zijn. Hij speelt ons spel van haat- en- vechten niet mee. Hij toont dat hij verbonden is met hoeren, tollenaars en met de Romeinse vijand. Hij toont ons hoe we wakker kunnen worden uit onze droom. Zijn toverwoord is “naastenliefde”. Zijn wijsheid is zo eenvoudig. Als we onze projecties, onze broeders, aanvallen dan ervaren we onszelf als kwetsbaar en afgescheiden. Als we ze echter accepteren en liefhebben dan daagt er licht in de droom en ervaren we onszelf als de liefde die we zijn. Onze zelf bedachte grenzen, onze zogenaamde wetten van tijd en ruimte, blijken niet te bestaan. Water wordt wijn, zieken genezen.

Hij geeft ons het ultieme bewijs. Hij vergeeft de handen die hem lijken te martelen en kruisigen. En als we deze Abel dan gedood denken te hebben dan is hij daar weer. Hij projecteert voor ons uit de denkgeest de opgestane Heer om ons te laten zien dat we niet kunnen doden. Daarmee toont hij onze ultieme zondeloosheid. We zijn nooit echt afgescheiden van de Vader. We zijn nog steeds in de hemel, de denkgeest, en dromen nog even van de hel. Het is niet nodig. We mogen zelfs vanuit onze droom aanhaken bij de Goddelijke vergevingskracht. Door elke vorm te vergeven, door de aanval van onszelf en onze broeders te doorzien als een onschuldig spel mogen we het wonder ervaren van de donkere hemel die boven ons gekruisigde lichaam openschuift. Vader, in uw handen bevelen we onze denkgeest. Het doek in de tempel scheurt in tweeën. Denkbeeldige grenzen verdwijnen als sneeuw voor de zon. We koesteren onszelf weer in de warme voorjaarszon. Een nieuwe lente. We zijn thuis, onveranderd in het paradijs.

Gezegend Pasen.

Ontspanning en verlossing

piekeren-mindfulness

Momenteel doe ik een cursus mindfulness. Dit had ik een jaar of acht geleden ook al eens gedaan maar daarna niet echt consequent volgehouden. Mijn voornaamste doel is om wat meer ontspannen te raken en wat minder “in mijn hoofd” te leven. De aanpak bij mindfulness is opvallend. Er wordt vooral gewerkt met aandacht in het hier-en-nu. Oefeningen verlopen dikwijls volgens het volgende stramien:

  • Probeer te landen in het hier-en-nu door aandacht te schenken aan wat zich voordoet.
  • Bijvoorbeeld: aandacht naar geluiden, gedachten, gevoelens, lichamelijke sensaties
  • Hierbij deze niet proberen te veranderen, maar slechts aandacht schenken zolang ze aandacht vragen
  • Deze aandacht kan ondersteund worden door richting het onaangename gevoel (bijvoorbeeld spanning in nek, buik of borst) te ademen
  • Gewoon “zijn met wat is” zonder dit proberen weg te werken
  • Oefening weer afsluiten en verder gaan met de dag

De manier waarop ik hier mee om blijk te gaan vertoont verrassende parallellen met de manier waarop ik neig de Cursus te misbruiken. Ik omschrijf iets (bijvoorbeeld spanning) als een probleem en wil een oefening doen om zo snel mogelijk van het probleem af te komen (en dus te ontspannen). Werkt dit? Nee, natuurlijk niet. Als bij de eerste keer oefenen de gewenste ontspanning niet direct optreedt ben ik wat teleurgesteld en vermoed ik dat dit allemaal niks voor me is en niet werkt.

Herkenbaar voor ons als Cursus-studenten? Voor mij wel, in ieder geval. Als ik bijvoorbeeld angstig of boos ben wil ik deze, in mijn ogen negatieve sensatie, zo snel mogelijk fixen met een werkboekoefening. Oogjes dicht, even herinneren dat “Verlossing is mijn enige functie hier” is, en…..? Niks. Jammer.

Weer even terug naar mindfulness want hierin ligt een les voor me besloten. Wat is namelijk de kern van de mindfulness-aanpak? Voor zover ik deze zie, althans:

  • Bewustwording van het probleem
  • Hier aandacht aan geven door er naartoe te ademen
  • Geen einddoel zelf bedenken maar vertrouwen
  • En, de oefeningen dag in dag uit gewoon doen en herhalen.

De neiging is heel sterk om ook bij mindfulness te blijven hangen op cognitief niveau. “Wat is de truc? Oh, dat snap ik wel. Wat gek, ik heb het door maar het werkt niet”. Het Cursus-equivalent is: hoe zit het metafysisch in elkaar? Oh, dat snap ik wel. Gewoon anderen en mezelf als schuldeloos zien. Dat weet ik nu wel. Wat gek, ik voel niks”. En jawel, hierbij blijf ik in feite hangen op hetzelfde cognitief-arrogante niveau van een eigenwijs en gespannen ikje. Want wat is wel nodig?

  • Onderkennen (belijden, zegt de Bijbel) van ons zondegevoel (ik voel me schuldig, ben bang, wil verdedigen en aanvallen)
  • Erkennen dat we onszelf hier niet goed raad mee weten. Als we direct gaan vechten om er vanaf te komen dan draaien we verder de denkbeeldige problemen in
  • De deur openen voor de Klusjesman die wel weet wat te doen en wat voor ons het beste resultaat is; de Heilige Geest. Naar ons zondegevoel “ademen” door Hem te brengen naar onze pijnpunten en daarna te geloven en vertrouwen dat Hij weet wat goed voor ons is.
  • En, jawel, oefenen, oefenen en herhalen. Niet omdat het voor de Heilge Geest zo’n grote klus zou zijn. Alleen omdat het ons nu eenmaal tijd kost om een hardnekkige gewoonte (zoals piekeren bij het mindfulness-voorbeeld of geloof en projectie in/van schuld bij een Cursus-voorbeeld) af te leren. Het hoeft niet lang te duren, cold turkey afkicken is mogelijk, maar we doen het zelf onbewust toch liever wat rustiger aan.

M’n mindfulness-leraar zei dat de nieuwe hier-en-nu-zijn gewoonte door herhaling ingesleten moet worden in de hersenen. Dat gebeurt niet door een keer te zeggen: “Aha, zit het zo!”. Evenzo met de Cursus. Het wonder van de verandering heeft geen tijd nodig. Wij bedenken tijd juist om ons te verdedigen, uit angst, tegen het wonder, tegen de liefde. Maar als we dan toch geloven in tijd, laten we deze dan tenminste aanwenden als instrument waarmee we oefenen om de Heilige Geest voor ons te laten vergeven. Keer op keer. Zo gaan we verder als gelukkige studenten. Van wondertje naar wondertje totdat we het Wonder door Hem durven toelaten.