Ik voel me niet goed

imageDe werkboekles van vandaag (79) geeft aan dat we niet weten wat ons echte probleem is. Gewoonlijk heb ik daar een heel andere mening over en meen ik toch wel enig benul te hebben wat er aan schort. Grootste gemene deler hierbij is dat ik me op een of andere manier niet goed voel. De reden is dat het in m’n leven niet loopt zoals ik wil. Misschien voel ik me fysiek niet goed en dan wil ik gewoon beter worden. Lijkt me helder. Mogelijk heb ik te maken met vervelende anderen en wil ik dat zij zich anders gedragen richting mij. Of, als ik ‘spiritueel gevorderd’ ben, erken ik dat ik hier zelf een doorslaggevende rol in speel en wil ik mezelf veranderen. Maar het doel blijft hetzelfde. Ik wil me beter voelen dan nu.

Is dit fout of zelfs zondig? Rustig maar ego, op die fiets gaan we vandaag niet zitten. Ik mag het vervelende gevoel aangrijpen als gelegenheid om de wonderstaat te ervaren. Het helpt mij hierbij om mezelf op een andere manier voor te sorteren door een andere vraag te stellen. De oude vraag is ‘wat voel ik?’, gevolgd door ‘en wat moet ik doen om dit te verbeteren?’ Een handigere vraag is ‘waartoe voel ik van alles?’

Plotseling gaat het niet meer om de vorm van het specifieke gevoel maar om het feit dát ik iets meen te voelen. Al die gevoelens, positieve en negatieve’ willen me iets doen geloven. Ze zijn valse getuigen voor de opvatting dat ik besta als afgescheiden ikje in een lichaam in een echte wereld. Dat is het doel van alle gevoelens en van alle waarnemingen. We zien dit als regel over het hoofd en gaan ervan uit dat wanneer we iets voelen of waarnemen dat dit het bewijs vormt dat we als afgescheiden ikje bestaan. De rest, de neiging om de gevoelens te willen veranderen, volgt slechts uit deze ene verkeerde aanname.

En nu duiken we nog dieper. Want wat is de reden dat we ons een ikje willen voelen door onze gevoelens zo serieus te nemen? Daar kun je enig gevoel voor krijgen door eens te proberen ze minder serieus te nemen. Dat lukt bijna niet! Je blijkt verslaafd aan het serieus nemen van je gevoelens. En nu moet je heel goed kijken. Beter gezegd, nu moet je hulp vragen aan Hem (liefde) om je anders te laten kijken. Nu moet je vragen aan de Heilige Geest om je het échte probleem te laten zien. Dat is angst voor zijn Liefde. Angst om met Hem te versmelten tot je Goddelijke Oorsprong. En als je iets van deze angst ervaart mag je het aanbieden aan Hem. Hij is zo trouw en zal je met open armen opvangen. Wat een zegen.

Bevrijding van de wet van het ego

imageSnel nadat ik wakker word komen er wat zorgelijke gedachten naar boven die ik direct uiterst serieus neem. De inhoud hiervan doet er nu niet zoveel toe, maar het voelt direct zwaar en vervelend. De periode van ontkenning en vechten duurt steeds korter, Goddank. Langzaam maar zeker leer ik dat het beter is om direct te erkennen wat je denkt en wat je ervaart. ‘Oké dan, ik denk nu aan .. en voel me … en ik wil dit niet. Ik vecht hiertegen en wil er vanaf komen’. Ik stel me voor dat er van die kettingen met daaraan zware metalen ballen om mijn nek hangen die ik los wil rukken.

En dan leert de Cursus iets wat tegen onze gewoonte ingaat. Ze stelt dat er een keuze bestaat en dat ik er nu voor kies om deze wetten serieus te nemen. Ik moet me haast forceren om deze uitspraak ook maar enigszins serieus te nemen. Ik wil hier niet aan en merk dat alles in mij roept dat ik hier natuurlijk niet zelf voor kies maar dat dit me allemaal overkomt. Dit zijn stalen wetten van het lijden en daarin ervaar ik geen keuze.

Er komt een volgende gedachte uit de Cursus naar boven. Het ego heeft een doel met dit geloof in die loodzware gedachten. Deze bevestigen mijn ego als slachtoffer dat een zwaar gevecht moet voeren tegen enorme machten buiten mij. Het geloof in deze wetten en mijn gevecht hiertegen zijn bedoeld om mijn ik-gevoel te bevestigen. Het is niet zo dat deze wetenschap direct enorme verlichting biedt en ook hiertegen bestaat een weerstand. Toch overweeg ik de mogelijkheid dat ik kies voor geloof in kettingen en in de vechter om de illusie van een ‘ik’ in stand te houden. Maar waarom zou ik zoiets dan geloven?

En hier wordt het nog gekker. Want wat zou er gebeuren als ik dit eens niet zou geloven? Dit voelt haast als heiligschennis. ‘Mijn ik en mijn problemen niet serieus nemen? Dat kan toch niet zomaar?’ Maar de werkboekles van vandaag stelt dat ik onder geen andere wetten sta dan die van God. En die wetten stellen dat ik liefde ben, vrij en oneindig geluk. Niet iets waar je een ketting aan vast kunt maken. De Cursus wijst er op dat we angst hebben om deze liefde en vrijheid toe te laten en te ervaren. We zijn bang om als begrensd ikje de grenzeloosheid van liefde te laten gebeuren. Dat verklaart waarom de kettingen helemaal niet aan mij vast zitten maar dat ik onbewust me er zelf aan vastklamp. Ik versterk hiermee de illusie dat ik besta.

Deze mogelijkheid laat ik voorzichtig toe. De vechtende ik houdt zichzelf in stand uit angst voor liefde. Zachtjes herhaal ik ‘de liefde van God stroomt door me heen’ en ‘de liefde van God is gegeven alle macht in de denkgeest en over de projecties’. Het wonder gebeurt vanZelf omdat Hij altijd wil geven. Wat een genade.

In Zijn licht

imageIk wil van alles en nog wat. ‘Ik wil dat er licht is’, stelt de werkboekles van vandaag. Sure, ik wil me lekker licht voelen. Dit is althans de interpretatie van het ego. Een verkoudheid dient zich aan. Vervelend. Ik wil dat ik hier geen last van heb. En mijn lijst met wensen is lang, heel lang. Sommige dingen wil ik graag en andere juist niet.

Dit is het koesteren van grieven waar de Cursus over spreekt. Het is ruimer dan je verheugen in de boosheid op een ander. Het koesteren van grieven is het serieus nemen van de wereld van vormen (in ruimte en tijd) en hier van alles in willen. Oordelen is hier een sleutelbegrip. Dit wil ik wel en dat wil ik niet. Het gaat uit van het geloof in ons (gevoels-)lichaam. Dat nemen we 100% serieus. Ik meen te bestaan als afgescheiden ikje dat houdt van bepaalde dingen en andere zaken fel afwijst. Dit geloof in vormen, in onze eigen projecties, voelt zwaar en is in feite de hel. In dit duistere bestaan willen we dat het ons voor de wind gaat, we willen inderdaad ‘licht’, liefst in de vorm van een weldadig zonnetje op ons vel met een cocktail in ons hand.

Ben ik nu niet wat zwaar op de hand? Nee hoor, want als we zien hoe we onze vormpjes koesteren dat biedt dit de gelegenheid om onze intentie hierin te ontdekken. We klampen ons vast aan de wereld van vorm en oordeel omdat we willen vasthouden aan de schijnzekerheid van ons lichamelijk bestaan. Want het is voor ons doodeng om de mogelijkheid te overwegen dat alles wat we menen te zien en menen mee te maken, alles wat ons ik-gevoel versterkt niet meer is dan de angst om onder ogen te zien dat we eigenlijk onbegrensde liefde zijn. Ons kleine ikje dat wil reiken naar dit licht is zelf de wolk die dit licht verduistert. Met ieder oordeel en iedere inspanning van dit ikje neemt zijn omvang toe en daarmee de verduistering van de zon.

God zij dank dat dit ikje niets hoeft te doen dan zich openstellen voor de liefde en het licht dat altijd schijnt in zijn denkgeest. Niet om iets voor elkaar te krijgen maar om te zijn wat hij is. Deze ontspanning in de Goddelijke zon is nog steeds een droom, de gelukkige droom. Er is nog steeds een ikje dat ontspant. Maar dit is het doel van onze illusoire tijd; ontspannen in Hem, in het licht. Liefdevol onze angst te laten varen totdat er niets meer te ontspannen valt. Tot de laatste stap, die geen stap van mij meer is. God is onbegrensde vrede.

Verlichting vasthouden?

imageOp eens is daar het wonder waar de Cursus over spreekt. Een omkering van het perspectief waarbij het geloof in het ego-voor een seconde wordt losgelaten. Je beseft dat dit is waar het om gaat, wat een zegen! Het ego weet niet wat er gebeurt maar eigent zich de opluchting direct toe. Wat deed ik precies om dit te ervaren en, belangrijker, wat moet ik doen om dit nog eens, of vaker of altijd te ervaren? Bereiken, vasthouden, consolideren, uitbreiden; dit is de vaktaal van het ego.

Zie dit glimlachend aan voor wat het is: geloof in afscheiding gevolgd door angst. Je gelooft namelijk dat er een afgescheiden ikje bestaat die nu wat bereikt heeft. De kans bestaat dat je bent gaan geloven dat er iets bijzonders is gebeurd wat jij toch maar mooi voor elkaar gebokst hebt. Misschien meen je anderen te moeten gaan uitleggen hoe ze dit ook voor elkaar kunnen krijgen en voel je je hierdoor heel speciaal, een spiritueel ego.

Verlichting is onze ware aard als Zoon van God. Slechts de spartelende pogingen van het ego, geboren uit angst, lijken het licht te verduisteren. Maar het licht is de Wil van God en daarmee jouw diepste Wil want er is geen plek waar God eindigt en de Zoon begint.
In het Handboek voor leraren staat bij de eigenschappen van Gods leraren, en dat zijn we allemaal, het woord ‘vertrouwen’ centraal. De uitkomst staat vast omdat deze er al is: Liefde. Het enige wat we echt kunnen ‘doen’ is de realisatie van deze Liefde nog even tegenhouden door flink te spartelen en druk te doen. Neem dat niet te zwaar als je het ziet gebeuren. Glimlach om jezelf en zeg slechts: mijn grieven (verslaving aan het geloof in vormen, gebeurtenissen, lekkere gevoelens) verbergen het licht van de wereld in mij. Maar ik vertrouw op Liefde want deze is gegeven alle macht in de denkgeest en in mijn projecties. God, hier ben ik, uw wil geschiede nu en in eeuwigheid. Amen.

Ontkiemen in liefde

imageHet valt me op hoe direct na het wakker worden de aandacht gevangen wordt door de dagelijkse rompslomp. Lichamelijke ongemakken vragen en krijgen even de aandacht. De komende dag werpt zijn schaduw vooruit. Het bewustzijn wordt vernauwd. De aandacht zwemt een fuik in. Een soort tv-scherm in mijn hoofd floept aan en overheerst alles met flitsende en schreeuwende kleuren. Ik lig er in mijn bedje gefascineerd en letterlijk geboeid naar te kijken. Het voelt als een sleur. Onvrij.

Ik klik de iPAD aan en lees de werkboekles van vandaag. Liefde schiep mij als zichzelf (67). Wat doet dit met me? Weinig. Ik moet denken aan een gelijkenis uit de Bijbel. Het Woord van God valt nu bij mij op harde grond met veel onkruid. Het zaadje kan geen wortel schieten en blijft gesloten liggen. Dit moment wordt nu wat sneller herkend. Het is mijn weerstand om écht te luisteren naar de werkboekles. Ik weet dat deze, gek genoeg, voortkomt uit angst. Angst om mijn aandacht af te wenden van de beelden van de ego-film. Die film bevat mijn vertrouwde leven en geeft me de schijnzekerheid van een ego te zijn.

Weer richt ik me tot de werkboekles. Rustig herhaal ik deze en ik probeer wat beter te luisteren. Ik weet dat ik nu niet moet gaan proberen te vechten tegen gedachten en gevoelens die er gewoon zijn. Daardoor word ik namelijk als strijder direct onderdeel van dezelfde film. Langzaam kan ik genieten van de eenvoud, rust en liefde van de les: ‘Liefde schiep mij als zichzelf’. Het neemt wat tijd om hierin te kunnen verzinken. Het is mijn eigen aarzeling die me wat afremt. Ik glimlach om mijn weerstand en vertrouw de Liefde. Het zaadje ontkiemt. Nauwelijks zichtbaar maar zo subtiel.

Wel of geen pijn?

imageDe Cursus heeft veel te melden over ‘ziekte’. Als wij over ziekte praten dan gaan we gewoonlijk uit van een lichamelijke aandoening. Daar valt veel over te schrijven maar ik breng het nu even terug naar mijn eigen houding tegenover lichamelijk ongemak. Misschien herkennen jullie het wel. Als ik bijvoorbeeld last heb van hoofdpijn dan meen ik dat ik als goede student moet zeggen dat ik gefopt wordt. De gedachtegang hierbij is als volgt:

Ik projecteer een buitenwereld en een hierbij horend lichaam als gevolg van geloof in mijn schuldgevoel. Het is een vlucht uit de denkgeest en niet echt. Mij foppen ze niet! Ik hoef me niks aan te trekken van die hoofdpijn want deze bestaat niet echt. Het is slechts een illusie.

Klinkt plausibel, toch? In hoofdstuk 2 van het Tekstboek staat echter:

8Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. 9Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. 10Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. 11Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. ‘2De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. 13Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.

Als ik dus die hoofdpijn ontken dan ben ik niet handig bezig. Diep van binnen meen ik dat de kwaal wel degelijk echt is maar dat ik er vanaf kan komen als ik maar hard tegen mezelf roep dat het allemaal onzin is. Bovenstaand citaat stelt dat ik mijzelf als het ware de macht ontzeg om een mis-creatie (projectie) in de vorm van ziekte te maken. Natuurlijk is die geprojecteerde hoofdpijn niet echt, maar als ik dat te snel roep ontken ik dat ik er wel degelijk in geloof. Door zo de macht van geloof te ontkennen, zelfs binnen de illusie, ontstaat het gevaar dat ik ook de echte scheppende macht van God (of Liefde) ontken. Ik spoel als het ware het kind met het badwater weg.

De Bijbel zegt het heel mooi dat wij onze zonden eerst moeten belijden voordat God deze kan vergeven. Natuurlijk wordt hier binnen de orthodoxie mee bedoeld dat we echt iets slechts gedaan hebben en dat een duale God hier zo z’n mening over heeft. Maar ook binnen de Cursus is het goed als we eerst ‘belijden’ dat we wel degelijk onze illusie van lichamelijk ongemak serieus nemen en deze niet te snel ontkennen. Ons gebed zou als volgt kunnen luiden:

Lieve God, Liefde, Eenheid die ik ten diepste ben. Ik ervaar hoofdpijn en dit voelt heel echt voor mij. Ik geloof wel degelijk dat dit lichaam heel echt is en pijn kan doen. Ik begrijp een klein beetje dat ik hier gek genoeg voor kies omdat zelfs pijn de illusie van mijn afgescheiden ik-gevoel bevestigt. Het is moeilijk voor mij om dit geloof los te laten want ik ben gewend om er zo naar te kijken. In de Cursus staat dat ik niet dit lichaam ben maar Liefde maar eerlijk gezegd zie ik dit nog niet zo duidelijk. Wilt u me laten zien dat ik me, hoe raar het ook klinkt, wat vasthoud aan de pijn en me helpen om te geloven in uw Liefde. Deze heeft me geschapen als U Zelf en dat betekent dat ik in plaats van een gevecht tegen pijn ook vrede kan ervaren. Heer ik wil graag stil zijn en U vertrouwen.

Het is belangrijk dat ‘het doel’ van het gebed overgave is om vrede te ervaren en gelukkig te zijn. Het doel is niet direct het beëindigen van de hoofdpijn. Dit kan gebeuren of niet, maar in geen van beide gevallen hoeven we bang te zijn. We zijn gericht op vrede zonder de hoofdpijn te ontkennen. We kiezen voor de echt scheppende kracht van de denkgeest die gepaard gaat met vergeving en geluk.

Teder

imageIn ons dagelijkse denkbeeldige leven hangt de snelheid waarmee we iets leren af van ons talent en van onze inspanning. Denk bijvoorbeeld maar eens aan het leren van een sport als tennis. Balgevoel helpt en flink en vaak trainen ook. Het helpt zeker als we ook illusoire tijd besteden aan het bestuderen van de Cursus. Flink lezen in het blauwe boek, de werkboeklessen doen en bijeenkomsten bezoeken. Toch wil ik nog wel eens verzuchten dat het me allemaal niet snel genoeg gaat. Wat dat ‘het’ dan precies is wat niet snel genoeg gaat weet ik dan niet precies. En waar ‘het’ precies naar toe zou moeten gaan evenmin.

Langzaam echter begint het me (iets) duidelijker te worden wat nu feitelijk de denkbeeldige snelheid bepaalt. Denkbeeldig want ik (egootje Simon) kan dat helemaal niet beoordelen. Toch ontstaat er enige feeling met het feit dat onbewuste angst onzichtbaar aan de rem hangt om de ontmanteling van het ego te saboteren. Ik blijk een masochistische verslaving te vertonen aan het geloof in afgescheidenheid door lichamelijk plezier en genoegen serieus te blijven nemen. Tijdens vergevingsoefeningen wordt een tipje van de sluier opgelicht en blijkt vrede mogelijk door te kiezen voor die andere Stem. Toch doe ik dat maar mondjesmaat. Waarom? Omdat er een haast onwerkelijk gevoel ontstaat dat ik wel eens ‘the unbearable lightness of being’ noem. Een besef van ‘zijn’, open, kwetsbaar en heerlijk tegelijkertijd. Maar ook op een fijne manier eng. Dikwijls vlucht ik terug naar de ogenschijnlijke botte zekerheid van het dagelijks bestaan. Illusoir maar vertrouwd. Overgave aan Liefde vergt een dapperheid zonder held. Een je laten vallen in de armen van Hem. Geen prestatie maar een opengaan. Zo teder.

Gestolde angst

imageHet helpt om een beetje begrip te krijgen van de metafysica van de Cursus. Het kan je behoeden voor de vele trucjes die het ego met je probeert uit te halen. Zo leer je bijvoorbeeld dat je er voor kiest om je slachtoffer te voelen en waarom onze wereld zo doordrenkt is met het thema schuld. Je ziet wat je probeert de bereiken met je vele haat- en liefdesrelaties. Ga zo maar even door. Misschien doorzie je met deze kennis steeds sneller patronen binnen de illusie. Dat is mooi en er is niks mis mee. Maar toch. Toch kun je nog steeds het grootste deel van de dag in strijd zijn. In strijd met anderen, met de wereld en met jezelf. Je vecht als het ware nog steeds voor vrede. Anders gezegd; je doet je uiterste best om verlicht te worden. En dat is zo vermoeiend, weer ik uit eigen ervaring. Hoe kan dat toch? Waarom heb je het redelijk op een rijtje maar ervaar je niet de wonderstaat?

De reden is angst. Zolang je vecht, ook al is het voor vrede of verlichting, dan kun je je in ieder geval nog identificeren met de strijder. Als je de strijd niet blijkt te winnen en je gefrustreerd raakt ben je in ieder geval nog de uitgeputte en vermoeide strijder. Maar ‘gelukkig’ nog steeds met een fier overeind staand ‘ik gevoel’. Je kunt hier boos om worden maar het helpt mij om te zien dat ik er zelf voor kies om me strijder te blijven voelen. Steeds beter leer ik dat ik kies voor het aanvallende ego omdat het te eng is om te kiezen voor de liefde die altijd door ons heen stroomt. Ik kies ervoor om te geloven in de projectie van de vechtjas. Hij is het symbool van mijn gestolde angst.

De verslaving aan het ‘veilige’ ik-gevoel wordt duidelijk in mijn weerstand tegen stille tijd, ontspanning en meditatie. Ik weet dat dit weldadig is maar verzin smoesjes om de warme douche van ontspanning te ontlopen. Deze is soms vermomd als druk doende arrogantie: ‘ als ik wil kan ik wel even ontspannen maar nu even niet’. Lees: ik ben te bang en kies er voor druk te doen binnen de illusie.

Als je dit doorziet dan kun je tóch kiezen om te luisteren naar die zachte Stem van liefde. Als je gedachten blijven tollen en de ontspanning zich niet aandient mag je weten dat je het niet fout of schuldig bent maar slechts bang. Bezie jezelf als een angstig kind. Daar schreeuw je niet tegen en je bedreigt het niet. Je zegt slechts met geduld en liefde ‘rustig maar lief kind van God, wees niet bang. Liefde stroomt reeds door je heen, kijk maar’. Vertrouw op de Wil van God die zeker zal zegevieren omdat het niet anders kan. De liefde die je bent zal altijd bovenkomen omdat je niet eindeloos kunt blijven werken om weg te lopen en te vechten tegen je ware aard. Je hoeft niks te bereiken maar alleen niet in de weg te lopen door te vechten. Paulus schreef in de Bijbel over deze liefde:

[1] Al spreek ik de taal* van mensen en engelen – als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. [2] Al heb ik de gave van de profetie, al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen zou kunnen verzetten – als ik de liefde niet heb, ben ik niets [3] Al deel ik al mijn bezit uit, al geef ik mijzelf prijs om mij daarop te kunnen beroemen* – als ik de liefde niet heb, helpt het mij niets.

De Cursus neemt de angst weg. Je hoeft de liefde niet te vinden want de liefde is er al en schijnt door je heen, zoveel als we durven. Je bent gezegend, Zoon van God.

Een klein kiertje.

imageDe Cursus vormt een wonderlijke combinatie van zeer radicale uitspraken over hoe wij de Liefde verduisteren met onze aanvalsgedachten en milde liefdevolle aanwijzingen hoe we hiermee om kunnen gaan.  Als voorbeeld van zo’n radicale uitspraak een stukje uit de werkboekles van vandaag:

Wat ik zie is een vorm van wraak.

De wereld die ik zie, is beslist niet de weergave van liefdevolle gedachten. Ze is er een beeld van hoe alles alles aanvalt. Ze is allesbehalve een weerspiegeling van de Liefde van God en de Liefde van Zijn Zoon. Het zijn mijn eigen aanvalgedachten die dit beeld doen ontstaan. Mijn liefdevolle gedachten zullen mij verlossen van deze waarneming van de wereld, en mij de vrede geven die God voor mij heeft voorbestemd.

Dit is stevige taal. De Cursus geeft hier kort en krachtig aan wat onze situatie lijkt te zijn. We hebben de indruk dat we in een behoorlijk heftige wereld leven. Ruzie, oorlog, conflicten en ziekte zijn zaken waar we allemaal mee te maken hebben. We hebben geleerd dat wat we buiten ons menen te zien slechts een projectie is die voortkomt uit onze angst voor liefde, schuldgevoel over de denkbeeldige afscheiding, angst en de vlucht naar een denkbeeldig buiten, het lichaam in de wereld. Zo projecteren we de genoemde ellende die slechts een afspiegeling is van de angst en schuldgevoelens in onze denkgeest die we serieus zijn gaan nemen.

Dit is makkelijk gezegd maar hoe krijgen we feeling met dit soort radicale inzichten die zo ver van ons bed lijken dat het aanvankelijk klinkt als een bizarre theorie? Hoofdstuk 30 van het Tekstboek biedt in het begin een liefdevol stappenplan dat rekening houdt met onze onbewuste angsten en de daaruit volgende kleine bereidheid om goed te kijken waar alle ellende nou echt vandaan komt. Als je de narigheid ziet heb je onbewust besloten vreemde dingen te geloven. De tekst wijst er vriendelijk op dat het resultaat hiervan, de ellende die je echt meent te zien, in ieder geval iets is waar je niet vrolijk van wordt. Dit is niet wat je wilt:

Herinner je nogmaals wat voor dag je wilt, en onderken dat er iets gebeurd is wat daar geen deel van uitmaakt. Besef dan dat je op eigen gelegenheid een vraag gesteld hebt en op eigen voorwaarden een antwoord moet hebben geformuleerd. Zeg dan:

Ik heb geen vraag. Ik ben vergeten wat ik moet beslissen.

Wat liefdevol en wijs geformuleerd! Wij stellen per definitie de verkeerde vragen omdat ze allemaal gebaseerd zijn op wat we menen te zien en denken nodig te hebben. We slikken nu eens onze eigen vragen en bijbehorende oplossingen in en erkennen slechts onze eigen onwetendheid; ik weet niet wat ik moet vragen  en ik weet alleen dat ik me nu niet fijn voel:

Op zijn minst kan ik besluiten dat ik niet prettig vind wat Ik nu voel.

En dus hoop ik dat ik ongelijk heb.

De tekst spreekt over een piepkleine opening in onze vastgeroeste manier van kijken. De kleine bereidheid om onze eigen-wijsheid te parkeren:

Ik wil hier op een andere manier naar kijken.

We openen ons voor Zijn blik, Zijn liefdevolle visie.

Misschien is er een andere manier om hiernaar te kijken. Wat kan ik verliezen als ik daarnaar vraag?

We worden uitgenodigd om heel voorzichtig, met veel aarzeling de deur op een klein kiertje te zetten. Onze herhalingsles van vandaag zegt het als volgt:

Ik ben bereid de Gids te volgen die God mij gegeven heeft om te ontdekken wat werkelijk mijn hoogste belang is, omdat ik inzie dat ik dit niet uit mezelf kan zien.

Een klein beetje bereidheid is alles wat gevraagd wordt! Wie kan dit weigeren, wie kan hier moeite mee hebben? Het antwoord van de Liefde staat vast. Er is geen wispelturige God die nu eens achter de goddelijke oren krabt en denkt “wat zal ik vandaag eens doen?” God kan niet ontrouw zijn aan Zijn Eigen Wil om Liefde te delen als wij de deur op een klein kiertje zetten. Probeer maar. Wat een zegen!

imageDe herhalingsles van vandaag wijst op de eenheid. Lees bijvoorbeeld maar eens de tekst achter “Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn gedachten”

Het viel me op hoe het ego telkens de uitspraken uit de Cursus naar zich toe trekt. Van de zojuist geciteerde zin maakt het ego: “als ik kwaad ben zorg ik er voor dat andere mensen ook kwaad worden maar als ik lief ben roep ik liefde op in andere mensen”. Dat klinkt best wel holistisch en spiritueel en binnen de droom klopt het ook wel een beetje. Toch begeven we ons via deze denklijnen makkelijk op glad ijs want heel snel besluiten we dat we dat ik en jij echt zijn en dat we verantwoordelijk zijn voor de gevoelens van andere mensen. Zodra we ons afgescheiden en verantwoordelijk voelen ligt het schuldgevoel op de loer. “Hé, ik doe het niet goed en zuig andere mensen mee in mijn negativiteit”. We maken van onszelf het afgescheiden centrum van het universum dat verantwoordelijk is voor alles en iedereen om ons heen.
Maar vindt de Cursus dit dan ook niet? Ik ben het toch die de projecties maak en daarmee word ik toch automatisch verantwoordelijk? De adder onder het gras is dat we er hierbij steeds van uit gaan dat er een “ik” bestaat die ook nog eens kan besluiten wat hij gaat projecteren. Ik zou kunnen kiezen voor het maken van positieve of juist van negatieve gedachten. Dit is haast een vorm van grootheidswaanzin.
Toch staat in het Cursus-citaat “mijn gedachten”. Hoe zit dat dan? Deze “mijn gedachten” zijn gedachten waarmee ik me identificeer. Als er een gedachte van boosheid voorbij drijft in bewustzijn dan is er helemaal niks aan de hand. Zoals alles in de denkbeeldige buitenwereld zijn gedachten op zich neutraal. Wij geven zelf betekenis aan wat we menen waar te nemen. Pas als ik een gedachte serieus neem en hem mij toe-eigen heb ik er geloof aan gehecht en besluit ik dat ik boos ben. En eerlijk gezegd doet het ego dit dolgraag. Het vindt het heerlijk om zich te identificeren met gedachten omdat het hiermee zijn denkbeeldige “ik-zijn” bevestigt. Tolt het al een beetje? Dan terug naar het Cursus-vervolg na het genoemde citaat:
“Ik ben in niets alleen. Alles wat ik denk, zeg of doe onderricht heel het universum. Een zoon van God kan niet vruchteloos spreken of handelen. Hij kan in niets alleen zijn. Het ligt daarom in mijn macht om ieders denken tezamen met het mijne te veranderen, want aan mij is de macht van God.”
Weer raakt het ego in de war. Hier staat toch wel degelijk dat ik denk (zeg of doe)? Zie je wel, ik kan toch denken. En het ego zwelt nog verder op want “mij is de macht van God”. Dan maar even terug naar Werkboekles 4: “Deze gedachten betekenen niets”. En de zin die hierna staat illustreert wat ik eerder schreef: “De gedachten waar ik me van bewust ben, betekenen niets omdat ik probeer te denken zonder God. Wat ik “mijn” gedachten noem, zijn niet mijn werkelijke gedachten”.
En dit brengt ons op het spoor van “werkelijke gedachten”. Wat zijn dat voor gedachten? Hoe moet ik die denken? Wat wij onze gedachten noemen zijn een soort geestelijke schijnbeelden met een bepaald vorm. Ze hebben de denkbeeldige dimensies ruimte en tijd nodig om te kunnen bestaan. Het zijn wolkerige flarden waaraan we vastgeplakt lijken te zitten. Dat is die identificatie waar ik het over had. Nogmaals; wat zijn dan gedachten die ik denk met God? Zijn dat vriendelijke gedachten? Gedachten over vrede en liefde? Bijna. Deze kwaliteiten zijn de afspiegelingen van Gods gedachten in onze gelukkige droom. Maar Gods gedachten gaan ons voorstellingsvermogen te boven. Ze zijn eeuwig, vormloos en worden opgemerkt als wij ervoor kiezen om de flarden van gedachten in onze geest niet langer te geloven. We hoeven deze flarden niet weg te drukken maar we gaan er niet meer in mee. En daarin zit hem de crux. We hebben niet echt de macht om de gedachten te denken die we willen denken maar wel om de gedachten die we voorbij zien komen al dan niet te geloven, serieus te nemen. En als we het geloven van deze  beelden achterwege laten en ons rustig openstellen voor een ander geluid, dan verschijnt er vanzelf de kwaliteit van vrede. Dan valt die vraag over het beïnvloeden van “anderen” met “onze gedachten” weg. Want in die stilte worden gedachten niet serieus genomen en vallen het ik-gevoel en denkbeeldige grenzen tussen jou en die ander weg. Dan groeit het besef hoe de openingszin bedoeld is: “Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn gedachten”. Want je ziet dat de hemel open gaat, nee, al open was, en dat het licht schijnt op alle denkbeeldige vormen. Dan laat de zin zich als volgt begrijpen: het geloof in mijn gedachten bevestigde slechts de illusie van ik versus jij. Nu ik dit geloof loslaat en me open stel voor liefde wordt er gezien dat er geen grens bestaat tussen ik en jij. Dat we waarlijk één zijn en verbonden in Liefde. En de aard van Liefde is dat zij zich uitbreidt. En daar kunnen we vanuit ons duale denken niet meer bij. Schepping.