Lichamelijke genezing?

image

Verkouden. Een kop vol snot, niezen en weer snuiten. Het is niet de eerste keer en waarschijnlijk ook niet de laatste, en ik ben ook niet de enige. Ik bestrijd de symptomen en zit m’n dagen uit totdat het virusje verslagen is. Stiekem probeer ik met de werkboekles van vandaag (199) wat verlichting te ervaren. ‘Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij’. Met een schuin oog kijk ik hoe ik me nu voel. Hetzelfde. Jammer. De Cursus noemt dit magie, ik weet het en geneer me een beetje dat ik het toch weer probeer.

Het is een klassiek thema waarover Cursus studenten regelmatig discussiëren. Mag je nu wel of niet verlichting van lichamelijke symptomen verwachten als je de Cursus wijsheden toepast? Er zijn twee uiterste standpunten:

1: De lichamelijke ziekte is slechts een illusie en je hoeft deze dus niet serieus te nemen. Het gaat erom dat je in je denkgeest genezen wordt van deze illusie, maar de illusie kan hierbij rustig onveranderd blijven.
2: Wij maken zélf deze illusie door middel van projecties dus als we hiermee ophouden dan verdwijnt de projectie, lees ‘de ziekte’ ook.

Tja, wat moeten we nu kiezen? Met mijn magische poging om minder last te hebben van m’n verkoudheid probeer ik optie twee uit en gebruik ik optie 1 als vangnet voor als het niet werkt. Listig. Zo kan het niet mislukken!

Misschien aardig om achter de schermen te kijken. Wat zou er gebeuren als, pats boem, lichamelijke genezing op zou treden na het toepassen van de werkboekles? In eerste instantie natuurlijk blijdschap. Fijn, ik ben er vanaf. Die blijdschap laat zien dat ik de bedreiging van het lichamelijk ongemak kennelijk nogal serieus nam. Zou ik echt blij zijn als ik 100% had geweten dat de ziekte toch niet echt was? En de genezing van een snotneus is één ding; maar wat zou ik vinden van de plotselinge aangroei van een geamputeerd been? Van genezing van Alzheimer? De Bijbel staat vol met dergelijke voorbeelden. Maar wat was het gevolg? Mensen stroomden massaal naar Jezus toe om genezen te worden van lichamelijke kwalen. Ze vroegen zelfs Zijn hulp als een naaste gestorven was. Wow, Jezus als super huisarts! Ik zou het wel weten als mijn huisarts deze gaven had. Zodra me een scheet dwars zou zitten zou ik bij hem op bezoek gaan. Hatsikidé; genezen en ik kan er weer even tegen aan. Maar zou mijn geloof in de illusie dat ik een lichaam ben hiermee zijn genezen? Nee dus. Jezus als huisarts is niet meer dan een pijnstiller die ik neem als ik m’n pijn serieus neem. Niet fout, niet zondig maar het biedt geen bevrijding van de illusie dat ik het lichaam denk te zijn.

Dan er maar voor kiezen om de illusie in stand te houden? Geen genezing maar rustig verder modderen? Dat geeft ogenschijnlijk wel rust en zekerheid. Want een plotselinge verandering in de fysieke wereld die wij als harde werkelijkheid ervaren zou ook de nodige angst kunnen geven. Een genezen snotneus is niet zo eng, maar er is geen rangorde in wonderen. Als de illusie van de snotneus zomaar kan verdwijnen dan kan er ook ‘zomaar’ hetzelfde gebeuren met de illusie van Simon als ventje dat de touwtjes stevig in handen heeft.. Kan ik deze waarheid wel aan? De waarheid die onthult dat er geen ‘ik’ is die iets ‘aan zou moeten kunnen’. Ahum, ahum.. Eerlijk gezegd vind ik dit een enge gedachte. Dat alles ‘vernietigende’ inzicht dat God één is. Niemand meer om te zeggen ‘yes, I got it’!

Dus dat ikje weet het nu niet zo goed meer wat ie moet willen. Verwarring. Dus dan maar terug naar de werkboekles met een heel mooi besluit.

Ik hoor de Stem die God gegeven heeft aan mij, en alleen hieraan gehoorzaamt mijn denkgeest.

Heerlijk. Geen gepieker maar mijn denkbeeldige stuurtje in handen geven van Hem. Heer hier ben ik, bang en verward. Bang voor Uw macht, bang voor Uw liefde. Dank dat U me niet overweldigt met Uw genezende macht. Ik open mijn hart voor U, stapje voor stapje.

Speciaalheid

image

Het woord ‘speciaal’ heeft voor ons in onze dagelijkse illusie gewoonlijk een positieve bijklank. We willen niet graag ‘gewoon’ gevonden worden. We willen geen grijze muis zijn. We willen opvallen, anders zijn en boven de grauwe massa uitsteken. Hoe anders hanteert Jezus het woord ‘speciaalheid’ in de Cursus. Hij legt het verband met de illusie van afgescheidenheid en zonde, met geweld, hoogmoed, jaloezie en ga zo maar door.

Speciaalheid is verbonden met het lichaam, met vormen en concrete, meetbare, zaken. Met grenzen, met ik versus de ander. Als het ego dit leest dan past het z’n gebruikelijke judo-truc toe. Het staat direct klaar om afwijkende anderen te veroordelen. ‘Pfff, wat een kapsoneslijer! Wat denkt hij of zij eigenlijk wel?’ Anders gezegd: ‘gelukkig ben ik bescheiden; zo bescheiden dat ik eigenlijk weer heel speciaal ben’.

Zo werkt het niet. Niets wat wij binnen- of buiten ons menen te zien, is inherent goed of fout. Alles is neutraal en in feite zelfs niet-bestaand. Zodra wij het echter serieus nemen en er iets van vinden lijken de rapen gaar. Speciaalheid is het serieus nemen van verschillen met als bron de oervergissing dat wij verschillen van de eenheid, van de liefde. Alles was ons niet genoeg. We wilden geloven dat we afgescheiden zijn van Hem, anders, speciaal. En de Liefde verbiedt ons dit niet maar wacht geduldig tot we zien wat dit bijgeloof aan ellende met zich meebrengt.

We denken liefde, geld, gezondheid en een lang leven te kunnen vergaren maar beseffen niet dat de prijs voor deze speciale wensen hoog is. Want nu moeten we zwoegen, bereiken, vechten, beschermen en uiteindelijk zelfs dood gaan. Wat speciaal is, is begrensd en dus niet eeuwig. We laten speciaalheid door de voordeur naar binnen en de dood komt tegelijkertijd via de achterdeur de keuken in. Het is een package deal. Met winnen komt verliezen, met onze beperkte liefde komt de haat, met ons denkbeeldige leven de evenzo denkbeeldige dood.

Wat nu? Gewoon kijken wat we doen. Gevoel krijgen wat het streven naar speciaalheid allemaal met zich meebrengt. Onderkennen dat het vergeven hiervan voelt als het brengen van een offer. Maar we offeren niks. Merk op dat het loslaten van je geloof dat je anders bent dan anderen in eerste instantie een wat onbestendig gevoel geeft. Het is raar om het lichaam en de karaktertrekken van jezelf en de zogenaamde ander niet langer serieus te nemen. Raar om te merken dat hierachter iets ligt dat geen vorm heeft, geen positieve of negatieve eigenschappen maar een vormloze schoonheid. Verbondenheid, vrede. En dit is zo speciaal..

Pijn.

image

Pijn.. Er is geen rangorde in illusies en toch merk ik een soort ontzag als ik schrijf over pijn. Het is zo’n universeel rot gevoel. Als ik nergens last van hebt is het niet moeilijk om heel bij de hand er wat wijsheden uit de Cursus over te spuien. Maar dan.. Dan krijg ik last van mijn hoofd, mijn kiezen, mijn maag of noem maar op. Soms eventjes, soms langer, soms eindeloos. Soms een beetje, maar soms ook heel erg en soms zelfs bijna ondraaglijk.

De woorden van werkboekles 190 klinken me dan hard in de oren. ‘Pijn is het bewijs van zelfbedrog, ze is in het geheel geen feit’. Het ego is er als de kippen bij. Ik ervaar pijn dus ik bedrieg mezelf en ik verkondig dat God wreed is. Nu ben ik dubbel de sigaar. Naast mijn pijn krijg ik ook nog eens te horen dat ik mezelf voor de gek houd. Au. Dit soort teksten zijn al vervelend als ik er mezelf mee om te oren sla, laat staan als ik er een broeder of zuster de les mee lees vanuit een comfortabele pijnloze situatie.

En toch. Toch is werkboekles 190 één grote jubelzang op de grootheid van God. De woorden bieden hoop op momenten dat de wanhoop ons naar de keel vliegt. We moeten alleen zo deksels goed opletten als we ons richten op pijn. Want juist omdat pijn, en in het uiterste geval de dood, de kroongetuigen van ons geloof in het lichaam zijn vertoont het ego zich nu in zijn meest geniepige gedaante. Als een duivel die Job ervan probeert te overtuigen dat God kwaadaardig is. Wat me helpt is om heel goed op te letten wanneer er iets van ‘schuld’ binnensluipt als ik te maken heb met pijn.

‘Wat doe ik toch fout, want de pijn gaat niet weg?’ Let op! Dit is het ego. Het beweert dat ik iets fout doe, dat ik zondig ben. Dit is niet waar. Ik ben een schuldeloze Zoon van God wat het valse getuigenis van het lichaam ook beweert. ‘Ik bedrieg mezelf en verkondig kennelijk dat God wreed is, dus ik ben fout; toch?’ Jawel, ‘fout’ in de zin dat ik me vergis, maar niet fout in de zin van zondig.

Hoe moet ik dan wel kijken? Mij helpt het om rond dit thema zo min mogelijk te gaan zitten theoretiseren. Het ego vindt het prachtig als we gaan bedenken of de denkbeeldig fysieke pijn als dan niet moet verdwijnen als we de Cursus ‘goed’ doen. We kunnen ook gaan discussiëren of Jezus al dan niet pijn had aan het kruis. Als je dit soort vraagstukken leuk vindt, be my guest. Het praten hierover is ook niet zondig maar het helpt mij niet echt.

Wat weet ik wel als ik pijn ervaar? Ik weet dat ik een sterk signaal krijg dat het lichaam echt is. Dat meen ik dan van heel dichtbij te ervaren. Ik heb pijn dus ik besta. Ik besta als afgescheiden lichaam. Dat geloof ik dan. Hier sta ik bij stil. Heer, zie mij aan. Ik heb pijn en ik geloof hierin. Ik erken dat ik er dol graag vanaf wil. Ik geloof dat mij iets rottigs overkomt en het liefst wil ik dat u de pijn wegneemt. Dit is wat ik nu geloof. Heer ik lees in de Cursus dat ik nu een valse getuige geloof. Maar wat schreeuwt deze getuige toch akelig hard. Door dit harde geschreeuw hoor ik uw zachte, liefdevolle stem bijna niet meer. Maar toch Heer. Ik dank U voor dat hele kleine vonkje van hoop dat me zegt dat Uw zachte stem waar is. Dat de schreeuwlelijk zich vergist. Ik zie mijn sterke neiging om naar het lichaam te luisteren. Het is als een verslaving. Dit maakt me echter niet schuldig maar laat slechts zien hoe bang ik ben om uw vrede binnen te laten. Mijn geloof in pijn is evenredig met mijn angst voor overgave aan de liefde. Toch stel ik me voor u open. Pijn of geen pijn. U bent liefde Heer en dus ben ik dat ook. Zie mijn angst voor overgave maar kom toch maar dichterbij.

Ik kies de vreugde van God in plaats van pijn.

Angst voor het onbekende.

image

Vandaag vertrek ik voor een zakenreisje voor een paar dagen naar Finland. Ik verbaas me altijd over collega’s die dol zijn op dit soort reizen. Kennelijk heb ik binnen de illusie een iets minder optimistische en luchtige programmering meegekregen. Ik maak me zorgen over zaken die fout kunnen gaan en probeer krampachtig alles goed van te voren te bestuderen en te regelen zodat ik me wat zekerder voel. Ik schaam me voor deze angstige houding en doe er richting anderen zo luchtig mogelijk over. Maar toch; ik ervaar dus gewoon angst. Punt uit. Angst voor het onbekende, voor het onzekere. En wat ik ook investeer in een optimale voorbereiding, het blijft dweilen met de kraan open.

Deze angst laat me pijnlijk duidelijk zien hoezeer ik geloof hecht aan mijn denkbeeldige afgescheidenheid. Ik meen dat ik een machteloos entiteitje bent dat is overgeleverd aan de grillen van de wereld. Binnen deze wereld moet alles gaan zoals ik wil. Ik zie bedreigingen van mijn ikje die ik meen te moeten voorkomen. Alles moet optimaal verlopen en anders denk ik dat ik ongelukkig word. Ik verlang de vrede van God (WB 185) maar heb hier een heel eigen voorstelling van. Ik geloof dat deze vrede van God een situatie is waarin mijn ikje onbedreigd is en van alle kanten optimaal gepamperd wordt. Maar dit verlangen leidt niet naar de hemel maar naar een hel vol van zorgen en angst.

De gevaren die ik in de denkbeeldige toekomst meen te zien zijn slechts projecties van het gevaar dat ik meen te zien in de liefde van God. Onbewust meen ik weggevaagd te worden als ik mijn hart open voor de liefde van Hem. Ik vecht hiertegen, kies voor de denkbeeldige bunker van mijn ikje dat ik meen te kunnen beschermen tegen denkbeeldige gevaren buiten mij en in de toekomst. Er lijken legio gevaren in de wereld te zijn maar het gaat allemaal terug op die ene vergissing: ik besta los van God en moet me tegen Hem verzetten.
God is geen vijand, anderen zijn geen vijand, er is geen vijandige wereld en er is geen vijandig en onwillig lichaam met kwalen. Ík kies ervoor om me dit in te beelden, om dit te geloven. Maar nu wil ik stil zijn en mijn angst voor liefde zien en aan Zijn voeten leggen. Ik wil de projecties van angst in de vorm van angst voor onbekende gebeurtenissen samen met Hem doorzien als angst voor onbegrensdheid, voor liefde. En dan stop ik met vechten en geef me over. Aan Hem, in vertrouwen dat Hij me allang gegeven heb wat ik zo naarstig buiten me zoek. Zijn Liefde, Zijn vrede. Ik verlang om niet meer te vechten tegen de vrede van God. Hier ben ik Heer.

Ingehouden woede

image

Na jarenlang latten komt m’n vriendin bij me wonen. Super leuk maar een logistieke uitdaging want we hebben alles dubbel. Marktplaats biedt uitkomst. Er zijn wat ‘grote stukken’ waar ik vanaf wil zoals lange rails met lamellen en een kast. Ik hoef er geen geld voor en het mag gratis opgehaald worden. Liefst snel, want morgen is de verhuisdag en het ligt nu knap in de weg. De animo is groot en reacties stromen binnen. ‘Heb je ze nog?’ Jawel, ik heb ze nog. Ik mail wat heen en weer met mensen die het eerst reageren en maak een afspraak voor het moment van ophalen. Tot drie keer toe zit ondergetekende braaf thuis te wachten maar verschijnt er niemand. Ook geen bericht of afzegging.

Ik kan hier slecht tegen en raak geïrriteerd. Heb dan tenminste het fatsoen om áf te zeggen, ook al is het op het laatste moment. Ondertussen heb ik wel geleerd dat ik nu iets te leren heb. Ik begin excuses te bedenken voor de mensen die niet komen opdagen. Misschien konden ze het niet vinden? Mogelijk is er iets ergs gebeurd in hun persoonlijk leven? Ik probeer dus lief te doen. Natuurlijk werkt dit niet. Het is slechts ingehouden woede. Als ik eerlijk ben dan moet ik erkennen dat ik baal en ze het liefst verbaal of per mail min of meer fijntjes zou willen laten weten dat dit luizenstreken zijn. Zo ga je niet met elkaar om!

En dat mag gewoon, maar ondertussen heb ik nog steeds te maken met boosheid in mezelf, met veroordeling en daarmee ben ik het zicht op de vrede kwijt. Ik zelf kan hier niks aan doen. Recht praten wat krom is werkt niet. Ik moet de bekende Cursus-weg afleggen. Eerst erkennen dat ik ervoor kíes om te oordelen en om vast te houden aan het boze gevoel dat mijn denkbeeldige afgescheidenheid bevestigt. Interessant om te zien dat het ego erg rolvast is. Haast betrouwbaar in zijn reacties. ‘Ja maar, ja maar.. ZIJ zijn toch fout!’ Ik zie mijn bekende verslaving aan het spel van schuld en beschuldiging. Ik zie m’n weigering om liefde te laten binnen stromen. ‘Ik heb gelijk en sta in mijn recht!’ Maar daar gaat het niet om.

De wereld is door het ego geprojecteerd om de duistere illusie van afgescheidenheid in mijn denkgeest tegen het daglicht te beschermen. De vraag of de denkbeeldige ander verwijtbaar is of niet, is niet de kwestie. IK geloof dat mijn broeder, een Zoon van God, schuldig kan zijn en etaleer hiermee mijn geloof in de denkbeeldige afscheiding. Ik kies ervoor om ‘aanvalbaar’ te zijn omdat ik dit veiliger vind dan om liefde te zijn. Ik gebruik marktplaats-broeders en -zusters als valse getuigen om mijn eigen bijgeloof in stand te houden als afweer tegen de liefde. ZIJ zijn niet vals, ze zijn liefde, wat ze ook doen en met welke intenties ook. Ook ik ben niet vals. Ik vergis me slechts uit angst voor liefde. Ik laat me foppen door de vorm, door hun handelen. Mijn eigen angst voor de liefde mag ik ter vergeving aanbieden aan Hem die liefde is.

God is louter liefde, dus ben ik dat ook. In stilte merk ik de stroom van liefde weer op. Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij. Door genade leef ik, door genade word ik vrij (WB 180)

De gedachte aan- of van God?

image

Als ik een Werkboekles (178) voor de eerste keer lees spreekt het me niet altijd direct aan. Dat had ik ook met ‘Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen’. Nee, natuurlijk niet. Waarom zou ik de gedachte van God willen afwijzen? Ik wil toch juist dichter bij God komen? Ik heb helemaal niet de neiging om ‘de gedachte van God’ af te wijzen. En waarom staat er eigenlijk de gedachte ‘van’ God en niet de gedachte ‘aan’ God? Raar hoor.

Mijn reactie laat niet alleen zien dat ik een trage leerling ben maar een weerspannige leerling. Er is namelijk meer aan de hand dan het gewoon niet begrijpen. Mijn ego wíl deze zin niet begrijpen. Het wil niet zien dat het wel degelijk de gedachte van God afwijst. Want wat is die gedachte van God?

Wij menen dat we inderdaad áán God kunnen denken. Bij dit proces komen er wat beelden, wat concepten naar boven die we vervolgens voor waar aannemen. Zelfs gedachten als ‘God is liefde, waarheid en eenheid’ blijven min of meer concrete richtingsaanwijzers die naar iets verwijzen dat niet meer concreet is. Lekker veilig, een ikje dat rustig aan- of over God denkt.

De gedachte ván God is (sorry, ik moet toch woorden gebruiken) de onbegrensde Liefde zelf. Deze onbegrensdheid gaat ons bevattingsvermogen verre te boven en is de ultieme bedreiging voor ons ego. Ons ego is een verkramping waarbij we vastklampen aan ons begrensde lichaam, aan plannen, aan ruimte, tijd, relaties, ik en jij. Zo menen we dat we ons uit de eenheid losgedacht hebben. Maar binnen de gedachte van God zijn er geen grenzen meer en lost dus het ego op.

De gedachte van God betekent dus dat we weer gaan lachen om het nietig dwaze idee van de afscheiding. Zeer bedreigend voor het ego. Het ego wil veilig áán God denken maar niet vervuld worden door- en oplossen in de gedachte van God; in onbegrensde Liefde. God is louter Liefde, dus ben ik dat ook. Moeten we hiervoor iets doen? Moeten we ons voorbereiden? Binnen de illusie moeten we iets afleren. We mogen met vergevingsoefeningen leren dat we niet dood gaan als we ons openstellen voor de Heilige Geest en voor de contacten met de Zoon van God, onze broeders. We mogen samen met Hem naar onze angst kijken. Naar de angst voor de Liefde die we zijn.

Meer niet. Het is ten diepste schuldeloze arrogantie als we denken dat de allerhoogste onze voorbereiding nodig heeft om te zijn Wie Hij is. Waarheid is. Nu en tot in eeuwigheid. En dit ís ons reeds gegeven, nu en in eeuwigheid. Wat een zegen, wat een ontspanning. Heer zie mijn bange afwijzing van uw liefde. Ik breng deze angst bij u en leg deze voor uw voeten. Hier ben ik Heer. Dank dat Uw gaven aan mij zijn toevertrouwd.

Valse getuigen.

image

De bank met aanklagers en valse getuigen zat vanmorgen overvol. Meneer A verklaarde dat ik lijd aan slapeloosheid. Meneer B vertelde dat ik overspannen ben door te grote drukte op het werk. Meneer C haakte daarop in door te vertellen dat het werk niet af zou komen, de omzet niet gehaald zou worden en de bonus niet zou worden uitgekeerd. Mevrouw D mengde zich in het gesprek en gaf aan dat er nog zo veel moest gebeuren voor de verhuizing. Ze had haar vriendin E meegenomen die me wees op mijn malende gedachten en een opspelende maagzweer.

Wat een drukte, wat een beschuldigingen. Ik nam ze allemaal heel serieus. Tjonge, jonge; wat een ellende, wat een stress en wat een droefenis. Maar wacht eens even.. De Cursus beweert dat ik er voor kies om dit allemaal serieus te nemen. Ik zet ze in de bank om mij te overtuigen dat ik een kwetsbaar ikje ben. Het ego protesteert direct heftig. NEE, dit overkomt je. Je bent een machteloos slachtoffer van een heleboel narigheid!

Ben ik dat? WB 173; ‘God is louter Liefde, dus ben ik dat ook’. Huh? Louter Liefde? Met maagpijn en en kop vol zorgen? Hier klopt iets niet. De les gaat verder. ‘Ik doe een stap terug en laat Hem de weg wijzen’ ik merk dat ik hier helemaal niks voor voel. Er moet van alles gebeuren en IK moet het allemaal fiksen en in goede banen leiden. Hoezo een stap terug doen? Dat kan niet, dat mag niet, dat voelt haast ongepast.

Ik merk dat ik verslaafd ben aan het luisteren naar de valse getuigen A, B, C, D, E en hun kornuiten. Ik wil helemaal niet naar een andere, een mildere Stem luisteren. Ik herhaal zachtjes: ‘God is Liefde, dus ben ik dat ook’. Er ontstaat een klein beetje ruimte. Een klein beetje licht. Te weinig naar m’n zin. Het is even niet anders. Ik kies voor vertrouwen. Zijn Wil is reeds geschied. Dus ik ga douchen. Ik hoef deze dag niet zelf door te worstelen. Dit geeft hoop en kracht.

Ik ga met God in volmaakte heiligheid.

De andere wang toekeren?

image

De Werkboekles van vandaag vertelt dat onze veiligheid ligt in onze verdedigingsloosheid. Deze verdedigingsloosheid klinkt nobel, iets om na te streven. We kunnen het zelfs zien als een opdracht, een soort heilige missie. Leert de Bijbel ons ook niet om onze aanvaller de andere wang toe te keren? Dus besluit ik om de volgende keer als iemand een rot opmerking maakt om mijn woede in te slikken en zo vriendelijk mogelijk te blijven. De wereld zou er inderdaad een stukje vriendelijker uit zien als we ons als gedragsregel zouden opleggen om tenminste eerst eens tot tien te tellen voordat we defensief of aanvallend reageren.

Maar herhalingsles 172 heeft het niet over ingehouden woede. Niet over opgelegd gedrag. Als we denken ergens boos van te worden is het zaak om de bekende omkeerslag van de Cursus te maken die ons zo moeilijk valt. Het is niet waar dat iets buiten ons de macht heeft om ons bang en boos te maken. We hebben eerst een keuze gemaakt. Een keuze die we liever niet onder ogen willen zien en verdrongen hebben. Het voelt veilig voor ons om er van uit te gaan dat we een afgescheiden ikje zijn dat aangevallen kan worden. Sterker nog; het feit dát we denken aangevallen te kunnen worden gebruiken we als bewijs dat we een afgescheiden ikje zijn. Dat we op onszelf staan. We willen bizar genoeg het spel spelen van aanval en verdediging. Het is dé manier om ons flink ‘ik’ te kunnen voelen.

Waarom helpt het dan niet als we onszelf opleggen om dit niet langer te doen? Om ons gedrag te beteren? Let maar eens op wat dat gevecht tegen je eigen boosheid met je doet. Je denkt nog steeds dat jouw tegenaanval gerechtvaardigd is. Je voelt je nog steeds een slachtoffer dat afziet van zijn recht zich te verdedigen. En je ziet nog steeds niet dat deze denkbeeldige JIJ ervoor kiest om deze rol te spelen. De ‘ik besta want ik kan slachtoffer zijn’-rol. Maar hoe moeten we dan aan de slag met de werkboekles?

Dat sleutel wordt ons direct aangereikt. ‘Ik ben een van de dienaren van God’. Wat doet een dienaar? Een dienaar luistert. Hij luistert naar zijn Heer. Maar wie is zijn Heer? Hoe verhoudt de dienaar zich tot zijn Heer? Als we deze opdrachtgever buiten ons zien dan zijn we weer terug bij af. Dan wordt de verdedigingsloosheid weer een opgelegde wet. En Jezus is nu juist gekomen om de wet te vervullen. Wij kunnen ons niet aan de wet houden. Sterker nog, het frustreert ons als het niet lukt en vult ons met hoogmoed als we denken dat we het goed doen.

Wie is onze Heer? En weer spreekt de les van vandaag. God is louter Liefde. Klopt, zo denken veel mensen over God. En deze lieve God vertelt ons dat wij ook wat liever moeten DOEN? Nee. We hoeven niet liever te doen. Lees verder. ‘God is louter Liefde, dus ben ik dat ook’. Wow. Ik ben niet een ventje dat zijn frustratie moet inslikken terwijl hij zich aangevallen voelt. Ik ben Liefde. Maar geen Liefde op eigen kracht. Ik besef pas dat ik Liefde ben als ik m’n mond houd, mijn pogingen om het zelf goed te doen opgeef en als dienaar luister naar Hem.

‘Heer, hier ben ik. Ik kan niet op eigen kracht een fijn liefdevol mannetje zijn. Laat Uw Liefde stromen door mij. Laat andere stemmen in mij zwijgen. Heer Uw wil is Liefde. Zie mijn angst tegen deze liefde. Zie de angst van waaruit ik denk te moeten vechten tegen denkbeeldige anderen. Zie mijn angst voor U, voor Liefde. Ik geef me aan U, ik open me voor wie ik werkelijk ben. Dank U God, dank U Liefde. ‘

Groeien in liefde

image

Ik was altijd een ‘hondenman’. Mijn ouders hadden honden. Het zijn lekker ongecompliceerde wezens. What you see is what you get. M’n vrouw komt uit de katten hoek. Een paar jaar geleden kwam Mies bij ons wonen. We haalden haar op uit het asiel. Mijn verzoek was om een zo honds mogelijke kat te krijgen. Geen afstandelijke nurks maar een kat die contact wilde met mensen. Mies is zo’n hondse kat.

Als ik op zondagochtend als eerste de woonkamer binnenkom dan staat ze me al op te wachten achter de matglazen deur. Soms is ze buiten maar zodra ze doorheeft dat ik beneden ben, stormt ze door het kattenluik naar binnen. Er volgen wat hartverscheurende mauwen en het kopjes geven begint. Ik ga gezellig op de grond zitten. Het houdt maar niet op. M’n handen, de stoelpoot, mijn sloffen; alles wordt afgekopt. Eerst dacht ik dat ze gewoon brokjes van me wilde, net als de vorige kat van m’n vrouw; Jet. Maar nee; zelfs als ik brokjes neerzet is ze na 10 seconden weer terug.

Vanmorgen hield het niet op. Ze ging vrolijk nét buiten m’n bereik op haar rug liggen zodat ik me even moest verplaatsen om door te kunnen gaan met kroelen. Uiteindelijk ging ik op de bank zitten. Mies op de leuning, over mijn schoot heen, van links naar rechts. En dan gebeurt het. Mies lijkt gek te worden van liefde. De blik in haar ogen verandert. Ze bijt zachtjes en deelt een tikje uit. Ik ben nog niet kattenman genoeg om dit helemaal te begrijpen en schrik er wat van.

Het lijkt wel of het haar te veel wordt. Mies en ik lijken teveel één te worden en ze valt me een beetje aan. Ik projecteer wat Cursus inzichten op haar. Bang voor liefde. Bang voor eenheid. Stapje voor stapje doen we onze vergevingsoefeningen. We geven ons voorzichtig over aan de liefde. We merken dat de liefde gaat stromen als we onze oordelen achterwege laten. We komen dichter bij die ander, dichter bij God. Het voelt haast eng en dan ‘bijten we weer van ons af’. Van speciale liefdeselatie even terug naar de speciale haatrelatie. Samen op weg naar de heilige relatie. Samen groeien in liefde.

Overgave

image

Moet je deze zin eens lezen uit WB 170:
6Jij maakt zelf datgene waartegen jij je verdedigt, en door je eigen verdediging ertegen is het werkelijk en onontkoombaar. 7Leg je wapens neer, en dan pas zie je dat het niet echt is.

Hoe kernachtig willen we de waarheid van de Cursus hebben? We menen dat we ons los van God gedacht hebben. Onmogelijk en voorwaar een dwaas idee, maar toch denken we dat dit ons gelukt is. We zien dit als een aanval waar we ons schuldig over voelen. Direct ontstaat de angst dat we weer zullen oplossen in die eenheid. We geloven nu dat liefde gevaarlijk is en dat God er op uit is om ons terug te pakken. Dit alles gebeurt in de denkgeest en binnen deze geest is het lastig muren bouwen. Daarom houden we onszelf voor de gek en denken we dat het mogelijk is een wereld te bedenken met echte grenzen en echte muren. Ik en jij lijken nu werkelijkheid te zijn. Maar ook in onze duale en geprojecteerde nep wereld voelen we ons niet veilig. Ik moet me zogenaamd verdedigen tegen jou, zoals ik me meende te moeten verdedigen tegen God.

Zoveel relaties, zoveel andere mensen. Jou mag ik wel, jou mag ik niet. Ik sloof me voor je uit, ik weer je af. Ik houd van je, ik haat je. Eindeloos herhalen we ons spel van veroordeling. We verwelkomen de denkbeeldige tijd en ruimte waarbinnen we ons menen te kunnen bewegen. Van verleden naar toekomst, van links naar rechts en van boven naar beneden. Wat een fop-paradijs, wat een hel; tijd, ruimte, vrienden en vijanden. Een snoepwinkel voor ons ego. Lekker druk bezig zijn. Rennen, vliegen vallen en weer doorgaan. Beweging, druk, druk, druk. Ik. Ik besta, ik ben.

In het heilige ogenblik wordt het stiller. We zien hoe ons spartelen de illusie van afgescheidenheid versterkt. Wie ben ik zonder oordeel over jou? De afstand tussen mijn oordeel en het besef van haar gevolg wordt kleiner. Ik wil me niet losdenken van jou en leg mijn wapens neer. Ik wil niet vechten. Ik wil één zijn.

Ik geloof die valse getuigen niet langer. Jij bent niet dik, dun, man, vrouw, stom of lief. Ik doe dit oordeel mezelf niet langer aan. Want jij bent mij. Zo dichtbij. Jij bent liefde, jij bent God. Ik hoef jou niet te vrezen, ik hoef God niet te vrezen. Ik kijk je aan en laat me omarmen door de liefde die je bent. Wat jouw uiterlijk en gedrag me ook willen laten geloven. Ik trap er niet in en luister naar een andere Stem. Die zachte Stem die nooit opgehouden heeft om te spreken over Liefde. Over God, over Jou en over Mezelf.