
In de Cursus lezen we hoe Jezus de mensen vergaf die hem geselden en aan het kruis nagelden. Ook roept hij ons in het Nieuwe Testament op om de andere wang toe te keren als we geslagen worden of om onze kleding af te staan als daarom gevraagd wordt. We zien Jezus als ons grote voorbeeld en willen hem graag navolgen. Toch vergt dit nadere toelichting.
De Cursus geeft ons geen gedragsregels, geen nieuwe ge- en verboden. We krijgen geen handboek waarin zoiets staat als: “als iemand dit of dat doet dan moet jij zo reageren”. Dit zou een typisch gevalletje zijn van niveauverwarring. Alles wat ons in de wereld lijkt te overkomen zouden we niveau II kunnen noemen. Op dit niveau liggen bijvoorbeeld onze wetten en gedragsregels. Allemaal heel nuttig om enige houvast te bieden zolang we nog zo slaperig zijn. Jezus spreekt echter over niveau I als hij alle geboden terugbrengt tot het belangrijkste “gebod”:
Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
Zelfs vanuit niveau II kan het goed zijn om op te merken wat hier niet staat: “gij zult uw naaste altijd zijn of haar zin geven”. Het is opvallend dat we dit logisch vinden als we met kinderen omgaan. Als Jantje uit het zolderraam wil klimmen of als Marieke met de fles gootsteenontstopper wil spelen dan hebben we er geen moeite mee om dit liefdevol te weigeren. Maar hoe anders wordt het wanneer de buren vragen of je ze om 3 uur ’s nachts even naar Schiphol kunt brengen voor hun vlucht naar Ibiza. Wat moet je doen? Je weet dat je dan zelf die hele nacht geen oog dicht doet maar je denkt dat je als goede student van de Cursus niets mag weigeren.
Zo zijn er legio voorbeelden te bedenken. Mogelijk welt er boosheid in je op en voel je je voor het blok gezet en overvraagd. Dit kan gevolgd worden door een schuldgevoel over de agressie die je naar boven voelt borrelen. Ik wil helemaal niet boos worden. Misschien moest ik het toch maar doen om de lieve vrede te bewaren want ik moet tenslotte nog jaren naast hen wonen. Wellicht verzin je een zo goed mogelijke smoes. “Oh, ik zou het graag doen maar als ik zo kort slaap krijg ik migraine en dan ben ik een gevaar op de weg”. Ondertussen ben je boos en vindt je de ander schuldig voor dit belachelijke verzoek. Het ego viert ondertussen feest want je lijkt je in een onmogelijke spagaat te bevinden: of de buurman is schuldig omdat hij je overvraagt of jij bent schuldig omdat je boos wordt en weigert jezelf op te offeren. Ergens las ik het goedbedoelde advies om vaker “schijt” aan anderen te hebben. Dat lijkt een praktisch toepasbare oneliner maar je hoeft maar te voelen hoezeer je hierdoor vanbinnen verhardt om toch maar niet voor deze negatieve gedragsregel te kiezen.
Liefde vraagt geen offers en roept niet op tot martelaarschap. Het ego is dol op keuzes (ik of jij) en denkt in termen van winnen en verliezen. “Ik offer me maar weer op, zucht”. Wat moet je dan in zo’n situatie wel doen? Je “moet” niks maar je wordt wel in deze leersituatie uitgenodigd om stil te worden en de liefde uit te nodigen in je denkgeest. Van de Heilige Geest weten we een paar dingen zeker:
- Hij veroordeelt noch de brutale buurman, noch de sullige of boze jij
- Hij dwingt je niet tot een keuze: die ander of ik
- Hij heeft jullie beiden lief en heeft het belang van beiden voor ogen
- En, volgens WB 277 van vandaag: Hij bindt de Zoon niet aan wetten die wij zelf gemaakt hebben (je hoeft dus niet het slaafje te worden van je broeder)
Zolang je je boos voelt of bang en aangevallen, kun je nauwelijks een wijs en liefdevol antwoord van jezelf verwachten. Je bent wel uitgenodigd om met je boosheid of angst en met je beschuldigingen stil te worden en je tot de liefde te wenden. Mogelijk merk je dan verzet op. Je wilt helemaal niet stil en liefdevol worden, die ander moet niet zo over jouw grenzen heen walsen! Zie die reacties gewoon opborrelen en kies weer voor een zachtere Stem. Totdat het stil en mild wordt vanbinnen. En dan kijk je wat je mag doen in deze situatie. Wat hieruit komt is liefdevol voor die ander en voor jezelf.
Lukt mij dit altijd zo mooi? Nee hoor, nog niet. Als ik het niet zo snel naar de liefde kan brengen pas ik een niveau II trucje toe. Ik vraag even de tijd om te besluiten. Dat kan ook ongemakkelijk voelen. “Hé, die ander weet nu dat ik het niet van harte doe en dat ik aarzel; nu ben ik echt een schuldige vent die niks voor andere over heeft!”. Weer een mooie vergevingsoefening. “Heer, ik meen dat ik schuldig ben als ik bedenktijd vraag. Gek genoeg wil ik dit idee niet zomaar loslaten. Ik koester dit schuldgevoel kennelijk. Heer, ik keer me naar Uw liefde en weet: Ik ben vrij, want ik ben mijn Vaders Zoon (WB277)”.

De Bijbel blijft voor ons nuttig om ook de woorden van Jezus in de Cursus goed te kunnen begrijpen. De volgende vraag is voor mensen die de Bijbel kennen niet zo moeilijk te beantwoorden: roept Jezus in de Bijbel vooral op om zo goed mogelijk voor jezelf te zorgen of om zo goed mogelijk voor anderen te zorgen? Vanuit ons geloof in afscheiding denken wij dat dit twee verschillende kwesties zijn en neigen we naar het egocentrische antwoord: zolang wij onszelf happy voelen zijn we tevreden. Platgezegd willen wij dan ook de Cursus gebruiken om gelukkiger te worden. Is dit zo slecht? Nee, het is een prima startpunt maar het is onhandig, niet zondig, als we hierin blijven hangen.
Het kan verhelderend zijn om je zo af en toe eens af te vragen wat je nu eigenlijk wilt met bijvoorbeeld de Cursus of met welke andere spirituele leerweg dan ook. In dit verband is het aardig om te zien wat de discipelen van Jezus wilden zo’n 2000 jaar geleden. We lachen wel eens als we hen zien kibbelen over de vraag wie de grootste zal zijn in de hemel of wie er aan de rechterhand van Jezus mag zitten aldaar. Het eigenbelang spat er in al z’n menselijkheid vanaf. Maar zij wij veel beter dan zij? Wat willen wij ten diepste?
Gisteren schreef ik over de afstandelijkheid die kan optreden wanneer we de Cursus op verstandelijk niveau als waarheid zien en van daaruit naar de wereld kijken met een gesloten hart. Vandaag ontvangen we een zegen in de vorm van Werkboekles 263. Hierin biedt Jezus ons namelijk een vreugdevol alternatief voor een afstandelijke blik waarmee we alles af doen als een nachtmerrie waar “we” boven willen zweven.

Hoe leer je jezelf kennen? Leer je jezelf kennen door over jezelf na te denken en door er ideeën over jezelf op na te houden? Nauwelijks. Je kunt van alles over jezelf denken maar pas als je opstaat en aan het leven deelneemt leer je jezelf kennen. Dat kennen van jezelf gebeurt in relatie met van alles en nog wat. In relatie tot de dingen die je ziet, tot de dingen die je voelt en de ervaringen die je al doende opdoet. Zelfs binnen onze droom waarbij we geloven in afscheiding is dit de manier waarop we onszelf echt leren kennen. Dé weg tot zelfkennis in onze wereld is natuurlijk vooral de relatie met andere mensen. Hoe reageer ik op jou en wat voel ik daarbij? De speciale haat- en liefdesrelaties zijn dus instrumenten tot aardse zelfkennis.