Is luisteren naar de HG niet genoeg?

Een medestudent van de Cursus stelde me de volgende mooie vraag:

“Is het niet allemaal illusie en is alles wat we nodig hebben onze eigen bereidwilligheid om te luisteren naar de stem namens God en daarin de eenheid te ervaren met Al wat is…”

Het is een vraag die ik vaker krijg, vooral op momenten dat er een gedachtewisseling plaatsvindt over een of andere ECIW-kwestie. Wellicht is het soms zelfs iets meer dan een vraag en eigenlijk een stelling of zelfs een poging tot correctie:

“Houd nu eens gewoon op met dat verstandelijke gediscussieer; de Cursus is toch niet te begrijpen en uiteindelijk komt het toch neer op het aanvaarden van de leiding door de Heilige Geest zodat we de liefde en eenheid mogen ervaren”.

Dit commentaar kan ook wel eens de vorm aannemen van:

“Neem het toch niet zo serieus: zet je clownsneus op en lach gewoon op onze pogingen om de Cursus te begrijpen”.

Ik meen dat nuance hier erg op zijn plaats is om te voorkomen dat we verzanden in een eenzijdige blik op de Cursus. Want:

Ja: De hele droomwereld leek te ontstaan toen de Zoon van God vergat te lachen en het relativeren van ons verstand en van onze poging om hiermee zaken te begrijpen is op zijn plaats.

En nogmaals ja: het vragen om leiding aan de HG is ongeveer het beste advies dat we kunnen volgen.

Maar dit gezegd hebbende kunnen we ook nadenken over het volgende. Jezus heeft zich de moeite getroost om gedurende jaren met Helen Schucman te communiceren met als resultaat een dik blauw boek met meer dan 1300 bladzijden. Wie de ontstaansgeschiedenis van de Cursus leest zal onder de indruk raken van de nauwgezetheid die hierbij nodig was. En in dat dikke blauwe boek staan inderdaad veel teksten over het volgen van die Stem en over de beperking van ons verstand. Maar het volgende is niet gebeurd.

Jezus heeft niet een uurtje gezellig met Helen aan de keukentafel gezeten en met een feestneus op zitten lachen om al die mensen die zo moeilijk aan het doen zijn. Hij heeft haar niet één klein papiertje gegeven met daarop de tekst: “vergeet alles en vraag slechts de leiding van de HG”. Hoewel dit de uiteindelijke clou kan zijn van de Cursus is dit niet wat gebeurd is.

En natuurlijk moeten we geen schriftgeleerden worden. En nadat we de Cursus één of meerdere jaren bestudeerd hebben (onder leiding van de HG!) zal er een verschuiving optreden waarbij steeds meer geleefd wordt vanuit die directe leiding door de HG. Overigens schieten hierbij bij mij steeds prachtige teksten uit dat zelfde blauwe boek te binnen. Maar laten we ons herinneren dat Jezus, geleid door de HG, wel degelijk woorden gebruikte om onze ego-constructen te ontmantelen. En tevens dat hij hier veel aandacht aan besteed heeft. Wat zou het dan kunnen zijn dat wij besluiten dat dit niet meer zo nodig is? Dat lezen in de Cursus en het doen van werkboeklessen eigenlijk niet hoeft? Vanwaar komt die weerstand? Laten we dit voor onszelf onderzoeken. Niet te serieus en vooral terwijl we ons uitstrekken naar de leiding door de Heilige Geest.

 

 

Kritiek op ECIW en mijn reactie

Cursusstudenten met een klassiek Christelijke achtergrond kunnen geplaagd worden door twijfel en schuldgevoel. Voor hen, maar ook voor iedereen die contact heeft met Christenen, onderstaande kritiek op ECIW door Hr Guyt en mij reactie hierop.

Is “Een Cursus in wonderen” het Derde Testament?

Piet Guyt

http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/religies/New_Age/PG_Cursus_wonderen.htm

Conclusie

De Course lijkt in eerste instantie een mooi boek, immers er staan verheven uitspraken in, en hier en daar ook op zich wel juiste uitspraken (dat geldt trouwens ook voor andere spirituele boeken, zoals bijv. de vedische geschriften en boeken van soefi’s), maar het blijkt in wezen een onrealistisch boek te zijn. De “oplossing”, die de Course pretendeert, is eenvoudig het ontkennen van de werkelijkheid van de zondeval als gevolg van de ongehoorzaamheid van de mens. Immers de Course stelt, dat je datgene wat niet had moeten gebeuren, gewoon als onwerkelijk beschouwen moet. Het is fantasie, wishfull thinking. Je zou de kern van de visie van de Course als volgt kunnen formuleren: de oorzaak van het probleem is dat gedàcht wordt, dat er een probleem is, terwijl dit er in werkelijkheid niet is.

Vanuit bijbels perspectief blijkt de Course bovendien een uitermate bedrieglijk boek te zijn, omdat het aan de werkelijke Bijbelse boodschap niet alleen voorbijgaat, maar zelfs suggereert, dat de mens de Bijbelse boodschap niet nodig heeft. Daarom is ook het offer van Jezus volgens de filosofie van de Course niet nodig. Er is er maar één, die daar belang bij heeft, namelijk de duivel, die door Jezus Christus overwonnen is. Als de Course werkelijk een herformulering van het Nieuwe Testament, en werkelijk een heilzame ‘correctie’ op een aantal traditioneel-christelijke dogma’s zou zijn, zoals één van de vertalers van de Course, namelijk W. Glaudemans, heeft gezegd, dan zou er toch een duidelijke koppeling moeten zijn gelegd tussen de Bijbel en de Course. En dat is niet gebeurd. Integendeel, er zijn (bewust?) begrippen met een totaal andere inhoud gehanteerd, waardoor een gigantische begripsverwarring ontstaat.

De Course blijkt geen enkel fundament blijken te hebben. Het geheel is eigenlijk een filosofisch denksysteem, dat gebaseerd is op enerzijds ontkenning en anderzijds visualisatie. Goedbedoelende mensen zouden graag willen, dat de Course waar zou zijn, maar het is niet waar. Men wordt beziggehouden met een systeem, dat een oplossing pretendeert, maar geen oplossing is. Hooguit kunnen mensen met de Course zichzelf tijdelijk opkrikken, maar vroeger of later zal de ingebeelde “werkelijkheid” instorten, want het heeft geen reële basis. Sommigen hebben dat al ervaren (lit. 11) en velen zullen nog volgen. Alleen de bijbelse visie, waar God Zelf achter staat, sterker nog, door God Zelf geïnspireerd is, blijkt een hecht fundament te hebben, namelijk het Verlossingswerk van Jezus Christus. De misleiding van de Course is gelegen in het feit, dat dit omzeild wordt, ook al wordt er over verlossing gesproken, zelfs met het noemen van de Heilige Geest erbij (in de eerder genoemde stap 3). De Bijbel is echter heel eerlijk. Zij vraagt erkenning en belijdenis van gedane zonden, maar geeft de oplossing in het bevrijdingswerk van Jezus Christus. God wil een Vader zijn, en Hij wil, dat de mens als kind van God groeit naar de geestelijke volwassenheid en volmaaktheid door de kracht van de Heilige Geest, die God wil geven aan hen die Jezus Christus als hun Heiland aanvaard hebben.

In de Course wordt een valse Jezus als woordvoerder ten tonele gevoerd, die de realiteit van het bestaan van de duivel verzwijgt. En dat terwijl Jezus Christus juist kwam om de werken van de duivel te verbreken, en daarvoor Zijn zondeloos leven gaf op Golgotha. De Course is dus beslist niet op te vatten als het Derde Testament. De oorsprong van de Course is het rijk van …… de duivel zelf.

Commentaar op Piet Guyt

Wat me altijd treft bij dit soort commentaren is dat de criticus a priori kiest voor een uitgangspunt en dit als onwankelbaar fundament beschouwt waaraan in dit geval Een Cursus in Wonderen (ECIW) getoetst zal worden. Het fundament van Piet Guyt betreft het klassiek Christelijk geloof in een God die de wereld geschapen heeft, de mens die rebelleert tegen het gezag van deze God (de zondeval) omdat hij luistert naar een gevallen schepsel van God, de duivel. De relatie tussen mens en God zou nu verstoord zijn en de mens zou de doodstraf verdienen. Gelukkig zou er een Goddelijke uitweg zijn. Omdat aan die straf niet te ontkomen zou zijn moet er iemand zijn die deze straf zal dragen. Die iemand is dan Jezus, een Godenzoon die zelf niet gezondigd heeft en voor ons de doodstraf draagt aan het kruis. Als we dit “offer” aannemen dan is God weer goedgemutst en gunt ons de leiding door de Heilige Geest in dit aardse leven en een eeuwig leven na onze fysieke dood. Mensen die dit moeilijk kunnen geloven verwerpen in deze optiek de verzoening en zullen in de hel belanden. De duivel vindt deze boodschap van redding heel bedreigend en bedenkt bedrieglijke versies hiervan. Een Cursus in Wonderen zou zo’n bedrieglijke versie zijn en mensen in ongeluk storten en voorsorteren voor de hel.

Het gehele artikel van Guyt is verklaarbaar als je bedenkt dat dit zijn referentiekader vormt. Maar daarmee ontwijkt Guyt nu precies de werkelijke discussie. Hij verkiest ECIW te beoordelen en veroordelen uitgaande van een akelig Godsbeeld dat juist door ECIW eindelijk gecorrigeerd is. En daarin zit nu juist de kern van de kwestie. En nu kan ik het heel kort houden door de twee Godsbeelden naast elkaar te zetten:

Piet Guyt (klassiek Christelijke opvatting): God heeft engelen geschapen maar sommige hiervan, waaronder de duivel, verwierpen zijn gezag. God heeft ook mensen gemaakt en ook zij verwierpen, ingefluisterd door de duivel, zijn gezag. Daardoor werden ze moreel zondig en schuldig. Ze zouden zich in ieder geval wat beter moeten gedragen (de tien geboden) maar verdienen straf (dieroffers). Die dieroffers waren God echter niet genoeg. Pas toen zijn zondeloze zoon Jezus de doodstraf kreeg was God weer tevreden. Maar dan moeten wij wel berouw hebben over onze zonden en dit verhaal geloven. Anders blijft God boos en moeten we eeuwig tandenknarsen in de hel.

ECIW: God is onbegrensde en eeuwige liefde en dit is ook onze ware natuur. Wij wilden ons echter graag afgescheiden en begrensd voelen en kozen ervoor God te vergeten. Dit doen we door vanuit de onbegrensde denkgeest een lichaam, een wereld, tijd en ruimte te projecteren. Hierin ervaren we van alles wat onze afgescheiden droomstaat in stand houdt: oordeel, aanval, verdediging, ziekte, dood. Hoe kunnen we onze ware aard weer herinneren? Liefde is hierbij zowel middel als doel. Jezus leefde ons dit voor in de Bijbel. Door God en onze naasten lief te hebben als onszelf herinneren we ons weer wie we werkelijk zijn. Dit lukt niet op “eigen” kracht, we hebben geen kracht als denkbeeldig afgescheiden zelf. Het antwoord is daarom de overgave aan de Heilige Geest die we gemeen hebben met Jezus en die ons herinnert aan ons Zoonschap. Deze uitnodiging is voor elk mens, niet alleen voor mensen die geloof hechten aan een verhaal van schuld, straf en genoegdoening.

Ik ben me ervan bewust dat woorden slechts symbolen zijn en nooit die mysterieuze werkelijkheid kunnen duiden. Maar zelfs op ons droomniveau kunnen we het verschil “proeven” tussen de visie van Guyt en die van ECIW. Bij Guyt proef ik vooral angst. Want oei, oei: wat gebeurt er met ons als we niet geloven in het plaatsvervangende lijden, in het offer, van Jezus? We krijgen te maken met een straffende vader die ervoor kiest om ons eeuwig te laten tandenknarsen. Eigen schuld, eeuwige dikke bult. Moet deze doodsangst ons de liefde van onze Vader tonen?

Mijn God, mijn lieve Vader. Wat doet men U hiermee toch tekort. Ik dank U dat U liefde bent en zo van ons houdt. Ik dank U dat U geen geloof in een verhaaltje vraagt maar liefde en vertrouwen aan ons schenkt. Heilige Geest verspreid Uw licht in de wereld en wis de angst uit onze hoofden en harten. Gebruik ons om uw liefde uit te breiden. Naar Piet Guyt en naar iedereen die smacht naar Uw heilige huis. We willen tot U komen liefdevolle Vader, samen met al onze broeders.

Voor geïnteresseerden: ik heb twee boeken geschreven over het klassieke Godsbeeld: “Een Christen op Satsang” en “Geen beeld van God”. Zie beschrijving van deze boeken op http://www.eciwcoach.com

365 dagen succesvol

Nu niet gelijk aan de Cursus denken. Met de titel verwijs ik namelijk naar een programma dat in Nederland wordt aangeboden door twee sympathieke jongemannen die je het volgende beloven:

“maar vooral organiseren we impactvolle opleidingen om je leven leuker te maken op de thema’s die er écht toe doen: gezondheid, relaties, werk en geld.”

Gisteren zag ik hier een stukje over op tv. Ik merk dat ik wat sceptisch reageer als ik een zaal vol met mensen zie, die allemaal 4.000 euro betaald hebben om te leren gelukkiger te zijn. Het is dan een soort tik van me om te gaan rekenen. Zelfs als ik het voorzichtig inschat tel ik nog 500 deelnemers; keer 4.000 = 2 miljoen euro voor peptalks en dagelijkse positieve What’s app berichtjes. Tja; met dat geld zit het dus inderdaad wel goed voor die twee mannen.

Maar laat ik het dichter bij huis houden en m’n eigen wat cynische reactie eens nader bekijken. Want ik blijk wat allergisch te zijn voor mensen en programma’s die in ons groot werelds geluk en succes beloven. Die irritatie wordt nog groter als de coach of leraar die ons gaat uitleggen hoe we dit kunnen bereiken, talloze afbeeldingen van zichzelf gebruikt op zijn of haar website of FB-groep als stralend voorbeeld van de formule die ons zo enorm gaat helpen. Ik blijk daar regels voor opgesteld te hebben: iemand mag gerust een keer een fotootje van zichzelf afbeelden maar als ik bepaal dat er een grens wordt overschreden dan is het niet langer oké.

Ooit las ik dat zo’n allergie je kan wijzen op de eigenschap die je nu nog in jezelf afwijst en die je gerust wat meer mag aanzetten. Dat zou best wel eens kunnen kloppen. “Doe nou maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” klinkt vanuit mijn opvoeding sterk door. Ik mocht geen kapsones hebben en mensen waarvan ik meen dat ze kapsones hebben gekregen verdienen dus mijn negatieve oordeel. Kennelijk associeer ik “jezelf laten zien” nu wat snel met narcisme en opscheppen.

Toch, dankzij mijn blauwe lesboek met 365-lessen, ontwikkelt zich hierin wat mildheid. Dat begint met het opmerken van m’n narrigheid en deze niet langer vanzelfsprekend vinden. Want het is dubbel. Zo’n veroordelende houding voelt stevig, duidelijk en gek genoeg voor even ook wel lekker. Maar dan de Cursus-les van vandaag (167): “Mijn geringste frons erkent de dood”. Als ik mijn voorhoofd frons over een programma voor zelfverbetering of als ik een happy-de-peppie-leraar veroordeel, dan erken ik de dood.

En ik zie het nu. Met elke vorm van oordeel, elk gevoel van superioriteit veroordeel ik slechts dat ene Zelf dat ik samen met mijn broeders ben. Les 167 vermeldt het weer eens: “ideeën verlaten niet hun bron”. Met mijn oordeel toon ik mijn geloof in de dualiteit en snijd ik mezelf in de buik. Het is voelbaar wat ik met mijn oordeel mezelf aandoe. Ik maak me klein, boos en afgescheiden en dat wil ik niet langer. Ik hoef geen zaken die er niet echt toe doen: geld, gezondheid en succes in het werk. Ik wil een vrede die alle verstand te boven gaat, die geen tegendeel kent, die niet bereikt hoeft te worden en die geen 4.000 euro hoeft te kosten. Ik wil me openstellen voor de liefde die ik ben. De route van de Cursus is duidelijk: ik mag in anderen en daarmee in mezelf vergeven wat ik aan schuld meen te zien. Niemand doet iets verkeerd, slechts mijn kijk op anderen en op mezelf is “verkeerd” in de zin van “uiterst onhandig”.

En bovendien doe ik het genoemde 365-dagen programma tekort als ik niet opmerk dat ook hierin gewezen wordt op belangrijkere zaken dan het bereiken van ambitieuze doelen voor een op zichzelf gefocust ikje. Ik zag mensen die hun oordeel over anderen en over zichzelf loslieten en de verbinding aangingen met elkaar. En daar ligt die kostbare sleutel: in de verbinding. De ware Cursus tot geluk kent geen tegendeel. Het is geen weg van aardse armoede naar aardse rijkdom maar het leren dat liefde geen tegendeel kent. Vergeven is het doorzien van de aard van het oordelen en er vervolgens niet langer kiezen om te oordelen. Zelfs lichamelijk ongemak, een somber gevoel, een tekort aan geld, die ruzie met een ander mogen doorzien worden als manieren om mijn geloof in afscheiding overeind te houden. Maar vervolgens gaat de Cursus dieper dan de meer wereldlijke variant. De oplossing bestaat niet uit het nastreven van gezondheid, vrolijkheid, geld en zelfs niet uit knuffelsessies om je kortstondig wat beter te voelen. Dit alles is niet fout, zondig , slecht of minderwaardig en het verdient al helemaal niet mijn negatieve oordeel. Maar er is meer dan dat. Al deze perikelen verschijnen in dat ene bewustzijn, in die diepe vrede en liefde die je bent. Kun je vrede hebben met je onvrede? In het tv programma dat ik noemde sprak de Belgische psychiater Dirk de Wachter. Hij wijst op dat teveel aan “ikkigheid” en leert ons de vreemde schoonheid die aanwezig is in ons gemodder en in de manier waarop we dat samen kunnen dragen. Ik houd van die man en ben blij dat ook hij volle zalen trekt. Daarom sluit ik af met wat woorden van hem.

“Goed leven is: zorg dragen voor de ander. Nabij zijn. Dat is baatzuchtig, niet alleen maar altruïstisch, want het omkijken naar anderen geeft een heel vervullend gevoel. En natuurlijk, er is ook wel eens ­tegenslag. En tristesse. Maar het dragen van verdriet kan óók vervullend zijn. Ge moet daar niet van weglopen. Leef op de golven van het bestaan. Let it be.”

 

De HG werkt door Ken Wapnick in de vorm

Ons ego smult van tegenstellingen, oordelen, aanvallen en verdedigen. Het kijkt door de ogen van strijd. Het is voor ons allemaal een mooie oefening om hier oog voor te krijgen. Laat me twee voorbeelden geven. Ons ego wil adoreren of haten. Daarbij verliest het alle onderscheidingsvermogen. Het is dan ook helemaal in de war als bijvoorbeeld degene die we adoreren zich blijkt te kunnen vergissen. Hij moet dan verdedigd worden en beschermd. Dit zie ik gebeuren als ik refereer aan kritiek op Ken Wapnick. Hij is ons boegbeeld als leraar van de Cursus en als wij kritiek menen te horen op wat hij onderwijst dan kunnen we gaan we steigeren en de neiging krijgen hem te verdedigen, iets wat hij zelf overigens nooit deed. Op mijn beurt hoef ik me niet te verdedigen als ik probeer uit te leggen dat ik meen dat in bepaald uitingen van hem (vooral uit zijn latere oeuvre) accenten wat eenzijdig zijn geplaatst op het corrigeren van een verkeerde perceptie. Uitingen van liefde in de vorm worden hierin te generaliserend verdacht gemaakt en dat kan bij toehoorders leiden tot een subtiele vorm van duale ik-gerichtheid.

Dat vind ik ook zo opvallend bij Ken Wapnick: deze lieve leraar stelt, geïnspireerd door de HG en de liefde, zijn aardse leven in dienst van het verspreiden van de prachtige boodschap van de Cursus. Hoe doet hij dat? Door te spreken en te schrijven; beide zijn uitingen van liefde binnen de vorm. Vervolgens zegt hij dat we op moeten passen voor uitingen van de Heilige Geest in de vorm omdat hiermee de illusie écht gemaakt zou worden. Zie je deze blinde vlek? Durf je, hoe ongepast ons ego het ook noemt, te zien dat Ken hiermee zelf wat last heeft van niveauverwarring? Want ja, in waarheid hebben we niks nodig en zijn wij en onze broeders de eeuwige en onveranderlijke Zoon van God. Niemand hoeft in feite een ander te helpen. Maar we zijn die waarheid vergeten en daarom is het een grote uitingen van liefde dat de HG afdaalt in de vorm om ons binnen ons droom te wijzen op onze ware identiteit. Hij gebruikt hiervoor Ken Wapnick als prachtig instrument.

Ken Wapnick heeft helemaal gelijk als hij ons waarschuwt voor “goed doen” vanuit ego motieven. Maar het valt andere leraren van de Cursus op dat hij het kind met het badwater dreigt weg te spoelen als hij beweert dat de HG niets doet in de wereld van vorm en dit met goede argumenten uit de Cursus onderbouwen. Natuurlijk valt er in diepste waarheid niets te doen zoals ook de Cursus zelf en de inspanningen van Ken Wapnick in werkelijkheid onnodig zijn. Maar binnen de droom mogen we er dankbaar voor zijn dat de HG zich bedient van vorm om onze denkgeest te corrigeren. De Jezus zoals in de Bijbel beschreven deed niet anders. En in onze tijd doet hij het weer door zicht te bedienen van mensen als Helen Schucman en Ken Wapnick. Maar hij doet het ook via die toevallige ontmoeting, door die tekst die je “toevallig” onder ogen komt, door dat tv-fragment enzovoort.

Dus de HG is niet bang om “de vergissing écht te maken” als hij zich bedient van de vorm. En als, wie dan ook, ons wél probeert te waarschuwingen voor deze zogenaamde valkuil dan is het goed om daar een kanttekening bij te plaatsen. Kom maar, heerlijke liefde, kom maar tot me en gebruik alle vormen die u daarvoor nodig hebt. Spreek tot me door de mond van Wapnick maar leid me ook door die toevallige ontmoeting in een winkel. Dank u vader dat u weet dat de wereld niet echt is maar dat u mijn eenzaamheid hebt opgemerkt en in liefde antwoord geeft als Vader. Dank dat u geen God bent die verheven is boven de droom en zwijgt. U spreekt met die Stem, de stem van mijn broeder Jezus, de Heilige Geest. U schuwt geen middel en ik ben u daar eeuwig dankbaar voor. Amen.

De illusie echt maken?

God zou niks van de droomwereld weten, de Heilige Geest zou zich niet bezighouden met de wereld van vormen en wij zouden ons afzijdig moeten houden van vormen van liefdadigheid. Zie hier de uitkomst van een eenzijdige interpretatie van de Cursus die verkondigd wordt door sommige Cursus-leraren, zelfs sommige van grote naam. Zo las ik op FB een citaat van Gary Renard dat kennelijk uit zijn meest recente boek komt (When Jesus and Buddha Knew Each Other p 173):

The Holy spirit does not make things happen in the world. That would be making the illusion real. The Holy Spirit does not manipulate level of form. But the Holy Spirit does guide you through your mind.

Zo’n geïsoleerde uitspraak bevat een stukje van de waarheid. Het klopt dat een belangrijke taak van de Heilige Geest bestaat uit het corrigeren van onze denkgeest. En het klopt dat dit hard nodig is omdat wij inderdaad de neiging hebben om de illusie waar te maken. Wij geloven dat armoede echt is, dat welvaart echt is dat ziekte, pijn en dood echt zijn. En ja, we hebben de neiging om dan te bidden om zaken die onderdeel zijn van de illusie: “Heilige Geest, maak me rijk en gezond en geef me een lang leven”. En zo werkt het uiteindelijk niet. De Heilige Geest is niet bedoeld om zich voor ons ego-karretje te laten spannen.

Maar dan het punt waarop Garry, geïnspireerd door Ken Wapnick, afwijkt van de Cursus. In een alles-of-niets poging om ons te behoeden voor genoemde duale valkuil, de illusie echt maken, lijkt men door te slaan en maakt men God onwetend, de Heilige Geest onmachtig op fysiek (droom-)niveau en ons apathisch jegens het leed dat we menen te zien.

En natuurlijk is alles wat gebeurt binnen onze droom illusoir. Maar dat is niet de kwestie als we vanuit onze droom ons bezig houden met deze vraag. Jezus heeft een materiele vorm gebruikt om ons te herinneren dat we dromen: hij gaf ons een dik blauw boek. Hoezo Jezus “does not make things happen in the world? Hoezo “this would be making the illusion real”? Jezus, God en Heilige Geest vrezen de droom niet en zijn niet zo vormen-foob als Ken en Garry, Alles in onze droomwereld is neutraal en we kunnen er op twee manieren mee omgaan.

Ja, we kunne goeddoeners worden vanuit een niet-gecorrigeerde denkgeest en daarmee in de valkuil van het ego trappen. En ja, dit verdient correctie op het niveau van de denkgeest. Maar NEE, niet elke uiting van ons in de vorm (of door Vader, Jezus of Heilige Geest) kom vanuit het ego. De bron dient juist de liefde te zijn. Ons bang maken voor de uitingen van liefde in de wereld is doorgeslagen non-dualisme en het heeft een nare uitwerking op ons. We raken eenzijdig gefocust op de correctie van onze denkgeest en worden argwanend voor liefdevolle uitingen in de (droom-)wereld.

Maar de Heilige Geest kan zonder de illusie echt te maken ons zonder enig probleem via droombeelden bereiken en ons onze levenslessen aanbieden. Net zoals Jezus ons de Cursus bood en net zoals wij, geïnspireerd door de Heilige Geest, onbaatzuchtige wonderen van liefde mogen aanbieden aan onze broeders en zusters.

Als regel volgt op een stukje zoals dit een geïsoleerde Cursus-tekst om het tegendeel te bewijzen. En het is prima en helemaal mijn ding om in dit soort kwesties terug te grijpen op de Cursus. Sterker nog, dit is precies de bedoeling van de Cursus. Ook ik merk nu de neiging om wat citaten te geven die deze visie krachtig ondersteunen. Maar dat hoef ik niet te doen want lieve medestudenten hebben dit met grote liefde reeds voor ons gedaan en gepubliceerd. Niet om tweedracht te zaaien in Cursus-land maar om de liefdevolle en warme boodschap van de Cursus voor ons toegankelijk te maken. Dus als je niet uit de voeten kunt met een God op afstand, met een Heilige Geest die wordt gereduceerd tot een symbool van onze herinnering en met een vorm van afstandelijkheid die binnen geslopen is in Cursus land: lees dan “One Course, Two Visions” van Robert Perry en anderen. Niet om te verzanden in een welles-nietes spelletje maar met de liefdevolle intentie om er achter te komen wat de Cursus (Jezus!) ons hierover leert, niet wat Ken, Garry of Simon hierover schrijven. Voor wie de Engelse taal niet machtig is heb ik hun hoofdstuk over de Heilige Geest vertaald in het Nederlands.

Merk bij jezelf eventuele weerstand op tegen wat je aanziet voor een “verstandelijke discussie”. Er zo tegen aan kijken is een ego-visie. Wellicht is voor jou, nu niet het moment om je met deze kwestie bezig te houden. Maar dat maakt het nog niet tot een onnodig, intellectueel spelletje. Zelfs het ego kan ons influisteren om niet alleen afstand te nemen van de wereld maar ook van de tekst van de Cursus. Dit kan vermomd zijn in “ik vraag alles gewoon direct aan de Heilige Geest”. Dit is een nieuwe vorm van dualisme waarbij men afstand neemt van de wereld, hier dus in de vorm van de tekst van de Cursus zelf. Het kan resulteren in een te eenzijdige focus op de innerlijke vrede. Innerlijke vrede (Inner Peace) is prima maar slechts het halve verhaal. Er is sprake van een “Circle of Atonement”, een cirkel van verzoening en daarbij worden fysieke uitingen niet serieus gemaakt maar ook zeker niet geschuwd. Ik bid dat ook dit stukje een fysieke uiting mag zijn van de Heilige Geest in vorm om jou te bereiken. In liefde met je verbonden.

HSP, NAH en geluidsoverlast

Sinds wanneer is er meer aandacht gekomen voor HSP? Ik weet het niet zo goed meer. Wat ik me wel herinner is dat ik er niet heel veel begrip voor kon opbrengen. Misschien zei ik het niet met zoveel woorden maar ik vond het toch wat aanstellerig gedoe, een vorm van aandacht vragen zelfs. Waarom moesten die HSP-ers op alle slakken zout leggen? Was het niet gewoon een vorm van zeuren en drammerig je zin proberen te krijgen ten koste van het plezier van andere mensen?

Totdat.. Het “lot” heeft een vreemd gevoel voor humor. Aanvankelijk had ik het nog niet zo door. Maar na een hersenoperatie in 2011 kreeg ik als gevolg van NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel) last van omgevingsgeluid. Ik werkte bij een bedrijf waar de deuren naar de kamers altijd open stonden. Mijn kamer zat tegenover het koffieapparaat en ik merkte dat het me nu meer energie kostte om de geluiden van de gang en de gesprekken die daar gevoerd werden te negeren en mijn aandacht bij het werk te houden. Dus deed ik de deur dicht. Ik weet niet of dit de directe aanleiding vormde voor een memo van de directrice waarin stond dat “ons bedrijf een open-deuren-beleid” voorstond”. Ik stuurde er een memo overheen met de vraag of dit dan gecombineerd kon worden met een-stille-gangen beleid. De deur hield ik overigens dicht.

Maar er was meer aan de hand. Ook achtergrond muziek kon ik niet meer velen. Rustige en zachte muziek ging nog wel maar zoiets als een hitparade met een drukke radiopresentator lukte niet meer. Sky radio lukte ongeveer 20 minuten, tot aan het volgende reclameblok. En waarom blijken zoveel documentaires op tv zo onrustig gefilmd? Zoveel plotselinge overgangen en waarom kan die camera niet gewoon even op een statief geplaatst worden? En waarom is trouwens achtergrond muziek zo vanzelfsprekend? In de wachtkamer van de fysiotherapeut, de stoel van de tandarts, in restaurants of gecombineerd met talloze tv-schermen in de fitnessclub. Op het recreatiestrandje in het bos en momenteel bij de bouwvakkers die tegenover me aan het werk zijn. Dwars door het geluid van bulldozers, schuurmachines en slijptollen heen. En dan heb ik het nog niet eens over motorrijders die ervoor kiezen een uitlaat te monteren die op 500 meter afstand te horen is en over de talloze vliegtuigen die over me heen bulderen. Ik doe de ramen dicht en heb gehoorkappen gekocht. Maar dan hoor ik de deurbel niet meer terwijl ik een pakje en bezoek verwacht.

Enkele dagen geleden was op tv een discussie over mensen die last hebben van het geluid van kerkklokken. Ik herkende me in de standpunten van de verschillende partijen. De één vindt het gezellig en nostalgisch; de ander ligt er letterlijk wakker van. Moet nu voor het ongemak van een minderheid een leuke traditie worden afgeschaft?

Hoe moet ik hier nu mee omgaan in het licht van de Cursus? Heb ik zelf alles de betekenis gegeven die het voor me heeft? Dat lijkt dan toch te impliceren dat het mijn eigen schuld is, dus toch een vorm van aanstellerij. Maar zo voelt het niet. Ik voel me slachtoffer van iets waar ik niet om gevraagd heb. Ik heb niet gevraagd om deze gevoeligheid en ik vraag ook niet om herrie.

Maar toch. Het helpt me om me vrij te voelen om ook te zoeken naar wat ik kan doen binnen de droom van onze wereld. De Cursus noemt dit magische oplossingen en geeft aan dat het niet fout, stom of zondig is om hier voorlopig gebruik van te maken. Het is dus oké als ik aan mensen vraag of de radio (en soms zelfs de tv) uit mag als ik op bezoek kom. Ik mag mijn oren bedekken met gehoorkappen of besluiten om gewoon uit te wijken naar een plek met minder lawaai: een andere kamer, een stiller plekje aan de recreatieplas, een rustiger restaurant enzovoorts.

Maar ik word ook uitgenodigd om vergevingslessen doen waar ik boos wordt op wat anderen me zogenaamd aandoen en op hun vermeende ongevoeligheid. Ik mag het gevoel van slachtofferschap naar de liefde brengen en ik hoef niet te kiezen voor verbittering en zelfmedelijden. Ook als mensen er geen begrip voor hebben en me een aansteller vinden. Kies ik voor het spel van aanval en verdediging en maak ik zo de illusie van daders en slachtoffers écht? Of weiger ik om te kiezen voor verharding en afscheiding? Kan ik in vrede verbonden blijven met de wereld mét gehoorkappen op mijn hoofd? Dát is mijn vergevingsles. In de werkboekles van vandaag wordt ook gesproken over luisteren. Waar kies ik voor? Wil ik luisteren naar de stem van mijn ego die anderen ervan beschuldigt geen rekening te houden met mij? Die mij wil vertellen dat ik slachtoffer ben van een gemene lawaaiige buitenwereld? Of luister ik naar Zijn zachte Stem? Die vertelt me heel wat anders.

Onze werkboekles voor vandaag (154)  luidt als volgt:

Ik ben een van de dienaren van God, en ik ben dankbaar dat ik het middel bezit om in te zien dat ik vrij ben.

De wereld wijkt terug als we onze denkgeest doen oplichten en beseffen dat deze heilige woorden waar zijn. Ze vormen de boodschap die ons vandaag vanwege onze Schepper wordt gezonden. Nu demonstreren we hoe ze onze gedachten over onszelf en wat onze functie is, hebben veranderd. Want wanneer we bewijzen dat we geen wil aanvaarden die we niet delen, zullen de vele gaven die wij van onze Schepper krijgen ons in het oog springen en in onze handen vallen, en zullen we weten wat we ontvangen hebben.

 

Ongeneeslijk ziek

In een mooie bijeenkomst vertrouwde een lieve zuster ons toe dat ze ongeneeslijk ziek is. Die rotziekte, kanker. Zo’n onthullende uitspraak hakt er bij iedereen in. We beseffen op zo’n moment dat onze zuster of broeder nu niet zit te wachten op goedkope Cursus-troost. Een simpele Cursus-waarheid als “ik ben niet dit lichaam” is net zo waar als altijd maar het zonder meer uitspreken hiervan voelt ongepast.

Als een broeder uitspreekt dat hij ongeneeslijk ziek is geeft hij daarmee onze diepste overtuiging en angst weer. Op dat moment worden we zélf geconfronteerd met onze doodsangst, de angst om te sterven. Het is juist deze angst die we gewoonlijk koste wat het kost proberen te ontlopen. We willen juist volop en zorgeloos leven, genieten en die dood komt later wel, daar moeten we ons niet mee bezig houden als het niet echt nodig is. Toch?

Ik besef dat ik m’n hele droomleven bezig ben om me voor te bereiden op de dood. Daarbij denk ik waarschijnlijk zoals zo velen. Ik ben nu 58 jaar oud; hoeveel jaren zijn me nog gegeven? Twintig? Dertig wellicht? En hoe snel gaan momenteel de jaren voorbij. Twee van mijn dochters zijn twintigers. Het opgroeien van hen is zo snel gegaan en nu nog één zo’n stukje en het is voorbij. Dat geloof ik, dat is mijn overtuiging.

En met deze eerlijkheid over mijn geloof in lichamelijkheid mag, nee moet, ik de ontmoeting aangaan met een broeder of zuster die de gevreesde diagnose heeft gekregen. Deze spiegel confronteert me direct en onvermijdelijk met mijn vaste geloof in de kwetsbaarheid van het bestaan. Laat ik niet te snel weg proberen te vluchten van deze doodsangst door er een goedbedoelde affirmatie tegenaan te gooien. Met mijn zuster daal ik af in de angst, ik voel met haar mee en herken in haar angst en verdriet mijn eigen angst. Wegvluchten van mijn doodsangst zou nu betekenen het alleen laten van mijn zuster. Haar angst en verdriet zijn de mijne en ik laat me aan het touw de donkere put in zakken om samen met haar op de bodem te zitten. Het is hier kil, koud en donker. Er lijkt totaal geen uitzicht te zijn, geen hoop.

Eerst mag ik naast haar gaan zitten en mijn arm om haar heen slaan. Laten we samen huilen, samen de pijn doorvoelen van het komende afscheid van onze dierbaren. Het voelt als een mes dat door onze ziel snijdt en ons zal gaan isoleren, afscheiden van kinderen, familie, vrienden. Maar dan. Als er ruimte is geweest voor alle verdriet, alle pijn dan mag ik zelf proberen de kracht op te brengen om omhoog te kijken en daar het zwakke lichtschijnsel te zien. Kom lieve zuster, laten we een stukje wandelen. Een klein stukje. Of gewoon samen zitten op dat bankje in het park. Onze angst mag met ons meekomen en naast ons plaatsnemen. We weten wat hij ons wil vertellen en doen geloven en als hij heel opgewonden weer even zijn verhaal wil doen dan is dat oké. Maar dan, als hij even stilvalt, horen we een merel zingen. Fragiel, breekbaar, wonderschoon.

Vanuit het duister besluiten we om zo af en toe te proberen wat zonlicht te voelen. Het is lente. Nooit eerder voelde het bestaan zo breekbaar en zo kostbaar als nu. We zuchten eens diep. Er is iets van ontspanning, van rust. Zo oog in oog met ons geloof in kwetsbaarheid en dood mogen we ons uitstrekken naar dat licht. En dan kan er iets wonderlijks gebeuren. Haast onmerkbaar eerst. Er blijkt een zachte kracht aanwezig in dat licht. Een kracht die troost en geruststelt. Liefdevol. Deze kracht heeft niet veel woorden nodig. Slechts samenzijn, met elkaar in die liefde.

Deze zachte warmte geneest. Ze geneest daar waar we genezing nodig hebben, in onze denkgeest. Het is een liefdevolle Stem die nu spreekt. Het ego probeert haar te overschreeuwen: “je bent ongeneeslijk ziek!” Toch is daar die Stem die ons zacht verzekert; zo is het niet. Je droomt slechts, lieve schat. Een droom van lichamelijkheid, kwetsbaarheid en afgescheidenheid; zonde. Wees niet boos op je droom of op het feit dát je droomt. Je bent zo totaal schuldeloos. Je bent me zo dierbaar. Geef me wat meer ruimt om tot je te spreken, om je vast te houden, je te omarmen. Die Heilige Geest, onze liefde, gebruikt onze zachte stem en onze armen om te troosten. Om de angst te herkennen, het geloof in de dood te herkennen maar herkennen is niet hetzelfde als erkennen. Ook zonder woorden kunnen we weigeren te buigen voor de droom van de dood. “ongeneeslijk ziek” is een afgod van het ego. Uitgesproken vanuit afstandelijke verstandelijkheid vormen ze helaas een gesel. Dit besef in onze denkeest wordt echter een zegen als we ons geloof in deze afgod vóór onze broeder naar de liefde mogen brengen om de denkgeest te laten genezen. En zo samen te mogen zijn en de onverbrekelijke eenheid met elkaar te mogen beleven. Er is geen afscheid, er is geen dood. Er is eeuwig samen; Vader, Zoon en Heilige Geest. Samen broeders. Dank Vader.

Kies ik zelf voor ellende?

Afgelopen dagen word ik te vroeg wakker naar m’n zin. Komende woensdag ga ik verhuizen en als na vijf uurtjes slapen de ergste vermoeidheid voorbij is gaan m’n hersenen in de overdrive. Het is nogal dubbel; ik voel me nog moe en onuitgeslapen van de vorige dag en toch wil ik verder met de planning en de voorbereidingen. Het rusteloze ronddraaien in bed begint. Proberen toch weer te ontspannen en de slaap te vatten. Maar tot mijn frustratie lukt het niet meer en ik baal dat ik zo onuitgeslapen de dag moet beginnen. Kortom, ik voel me slachtoffer van de hectische situatie. Wat er gebeurt is overduidelijk niet wat ik wil, toch? De Cursus is glashelder in haar visie op deze kwestie. Ik krijg precies waar ik om vraag. Het punt is dat ik het zicht ben kwijt geraakt op dit keuzeproces. Hierover gaat de les van vandaag (138): De Hemel is de beslissing die ik moet nemen.

In de Hemel is van kiezen helemaal geen sprake. Ik meen dat het Krishnamurti was die zei: “alleen een verdwaasde geest meent dat hij moet kiezen”. En dat omschrijft mijn toestand als ik zo tegen mijn vermeende zin in wakker lig. Ik kies toch duidelijk voor doorslapen en niet voor onuitgeslapen de dag beginnen? Dit gevoel duidt de Cursus aan met “slachtofferschap”. Ik meen dat slapeloosheid mij overkomt, dat het iets is dat ik niet wil. Maar helaas, dit wakker liggen is exact wat ik wens maar ik ben het zicht op mijn “wil” kwijtgeraakt. Want wat is het achterliggende onbewuste doel van mijn strijd tegen slapeloosheid? Ik voel me hierdoor afgescheiden, gevangen in een slaperig lichaam met prikkende ogen, strijdend, gefrustreerd, boos en hopeloos. En dit, zo leert ons de metafysica van de Cursus, is wat mijn eigen onhandige wens behelst om mezelf te ervaren als klein en van het geheel afgescheiden zelf. Het moet gezegd worden; dat lukt me uitstekend op deze manier.

Maar dan lijkt er haast wel sprake van twee willetjes: een wil die aan de slag wil gaan en druk doen en een wil die nog wat verder wil slapen. Is dit niet precies de kwestie waar ik slachtoffer van ben; dat ik heen en weer getrokken word, verscheurd word, door deze ontembare krachten in mijzelf? Op deze manier voel ik me extra stom. Beweert de Cursus nu dat het allemaal mijn eigen schuld is? Mijn eigen stomme schuld? Nu is het opletten geblazen. Vanuit ons geloof in afgescheidenheid kunnen we menen dat we schuldig zijn, zelfs aan onze eigen ellende. Maar als we dat schuldgevoel ook weer serieus nemen dan maken we de vergissing alleen maar groter. Van een verward zelf zakken we verder af naar een stom en schuldig zelf. Daar hoeven we niet in te trappen.

Genoeg over de metafysica. Hoe nu verder? Stel dat ik me durf te openen voor de mogelijkheid dat ik onbewust kies voor ellende die me zogenaamd overkomt en stel dat ik niet langer trap in de valkuil van het koesteren van schuldgevoelens die hieruit voort lijken te komen. Wat dan? En hier komt de werkboekles van vandaag ons zo liefdevol tegemoet, precies op het niveau waarop wij ons menen te bevinden. Want hoewel er in werkelijkheid niets te kiezen valt in de Hemel, wordt ons gewezen op de ultieme keus die we in de droom kunnen maken. In de Bijbel gebruikte men de woorden: ben je uit het vlees of uit de geest geboren? In de Cursus spreken we van luisteren naar het ego of naar de Heilige Geest. Dat is de ene keuze waar we ons binnen de droom in ontelbare vormen voor gesteld zien, telkens weer.

Verstandelijk weet ik dat ik de liefdevolle, onbegrensde Zoon van God ben en dat ik als deze werkelijkheid niet bedreigd kan worden door zoiets als drukte of slapeloosheid. Maar hoe kan dit verstandelijke inzicht dieper doordringen opdat ik het ook ervaar? Daar gaat het om; om de levende ervaring van de Heilige Geest, zoals mijn Christen-broeders zo mooi zeggen. Verstandelijk inzicht in de metafysica zet ons op een goed spoor maar voor deze levende ervaring is meer nodig. Het is die ene keuze die onze kleine wil, de wensen van het zelf, kan passeren en ons daarmee direct terugbrengt naar onze ware Identiteit. In Bijbelse termen: we hebben een Verlosser nodig. In Cursus-taal: we mogen ons overgeven aan de Liefde die we zijn. Dit vinden we lastig te accepteren. Natuurlijk vinden we dit lastig! Het laatste wat de eigenwijze kleine droomfiguur wil doen is z’n denkbeeldige roertje uit handen geven. Zelf proberen, zelf vechten en desnoods zelf falen en slachtoffer zijn, dat wil ons kleine zelf!

Onze broeder Jezus heeft alles doorzien en zich totaal laten genezen door zijn geest in de handen van onze Vader te bevelen. De Heilige Geest straalt nu in hem en hij wil ons aanraken met dezelfde genezende warmte en liefde. En dan onze ultieme keuze: vertrouwen-nu; in Hem, hoe we ons de Liefde ook maar voor willen stellen.

We mogen het droomniveau van geloven in een onuitgeslapen of juist uitgerust lichaam ontstijgen en beide vormen herkennen als geloof in het vlees, geloof in lichamelijkheid, precies wat we zo graag even wilden ervaren. Het uitnodigen van de liefde is niet bedoeld als truc om uitgerust wakker te worden en in feite dan juist weer zogenaamd wakker verder te dromen. Liefde is bedoeld om te ontwaken uit de dualiteit van een kwetsbaar lichaam te zijn. Dus richt ik me op mijn broeder Jezus.

“Broer, jij hebt je overgegeven aan de Vader en je ware Wil herontdekt. De ene wil om liefde te zijn en lief te hebben. Hier ben ik, raak me aan zoals beschreven in de Bijbel. Genees me van mijn geloof in zonde. Genees me Heer. Ik kies voor de Hemel en zal niet van gedachten veranderen, want het is het enige wat ik verlang. Dank U Heer”.

Angst voor de dood

Ik volg de serie “Het eeuwige leven van Jan Mulder”. Jan geniet volop van het leven en zou dit het liefst rekken tot in de eeuwigheid. Het zal Cursus-studenten direct opvallen dat hij over leven en dood denkt in fysiek-lichamelijke termen. Hierbij is het lichaam de drager van de geest en sterft men dus als dit lichaam sterft. In de eerste aflevering gaf een futurist hem enige hoop door uit te leggen dat er wellicht in de toekomst een surrogaat lichaam te maken zal zijn dat in staat zal blijken als drager te fungeren voor die geest. Uiteindelijk zouden we verder kunnen leven in de cloud en de ervaringen kunnen selecteren die we maar willen.

In gesprek met gelovigen en met sommige cursus-studenten hoor ik mensen wel eens zeggen totaal niet meer bang te zijn voor de dood. Natuurlijk kan ik de diepte van hun bewering niet peilen maar zelf ben ik wat terughoudend geworden om dergelijke woorden in de mond te nemen. In 2011 kreeg ik een grote epileptische aanval. Ik wist niet wat er aan de hand was en dacht dat ik zou sterven. Ik vocht tegen de uitbreidende spierkrampen en pas op het allerlaatste moment, toen ik in de keuken op de grond was gevallen, zag ik beelden van de keuken in de verte verdwijnen en staakte ik de strijd. Ik herinner me dat ik het op een bizarre manier grappig vond dat het laatste wat ik hier op aarde nog zag een keukenkastje betrof. Enige tijd later werd ik wakker en verbaasde me over de drukte om me heen. In het ziekenhuis bleek een goedaardig maar fiks gezwel in mijn hersenen de boosdoener. Toen ik, maanden later, na de operatie in de achtertuin bij mijn huisje zat keek ik naar de wolken in de blauwe lucht en was ik intens blij. Blij dat ik nog even door mocht, samen met mijn dierbaren.

Sindsdien zeg ik niet meer zo lichtzinnig dat ik niet bang ben voor de dood. Natuurlijk weet ik wat de Cursus hierover leert. De doodsangst is gekoppeld aan geloof in afgescheidenheid. Je ware Zelf is tijdloos, eeuwig en onsterfelijk. Maar hoe diep reikt dit inzicht, bij mij en bij broeders en zusters die zo verheugd vertellen niet meer bang te zijn voor het einde van de lichamelijke vorm? Het keuken-kastje-moment heeft me wel een soort hoop gegeven. Toen ik de strijd staakte verdween de angst en bleef verwondering over. Een merkwaardige lichtheid. En dit kleine moment van licht verdiept zich verder, dag in dag uit. Gewoonlijk menen we dat we angstig zijn en vechten tegen ziekte en dood opdat we lichamelijk door mogen leven. Maar in momenten van overgave zien we het omgekeerde: we voelen ons juist echt levendig en vredevol als we stoppen met de strijd. Is dit niet de weg die de Cursus ons wijst?

Hoe kom ik op dit “zware” onderwerp? Het ligt een beetje in het verlengde van de werkboekles van vandaag (128): De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang. Ook deze uitspraak kunnen we wat te snel en gemakkelijk lippendienst bewijzen. We menen te weten dat het uiteindelijk gaat om ontwaken, thuis komen en de herinnering dat we liefde zijn. Maar ondertussen. Ik geniet volop van het vooruitzicht om over een paar weken te verhuizen naar m’n nieuwbouwhuis. Ook herken ik me in de levenslust van Jan Mulder. Dat simpele kopje koffie dat je ’s ochtends drinkt terwijl de vogeltjes buiten zo vrolijk fluiten. De blijdschap om je kinderen, de lach van je partner. Heerlijk.

Ik meen dat we geen stoer pratende asceten hoeven te worden en dat is natuurlijk ook niet waar de Cursus ons voor uitnodigt. We mogen genieten van de droom en gelukkige studenten zijn. Maar er is meer en dáár wijst Jezus op. We mogen ons verbinden met de natuur en met anderen en de liefde laten stromen zodat we de gelukkige droom mogen ervaren. Maar als we met Jan bang worden voor het komen van de herfst en het vallen van de bladeren dan mogen we het licht laten schijnen op onze angst. We mogen ermee naar onze Vader, niet slechts aan het einde van ons droomleven maar nu, van moment tot moment. Dus lees als je wilt paragraaf 6 met me mee in stille dankbaarheid:

“Pauzeer en wees een tijdje stil, en zie hoe ver je boven de wereld uitstijgt, wanneer jij je denkgeest van ketenen ontlast en hem het niveau laat zoeken waar hij zich thuis voelt. Hij zal dankbaar zijn even vrij te zijn. Hij weet waar hij thuishoort. Maak slechts zijn vleugels vrij en hij zal vol zelfvertrouwen en in vreugde vliegen, om zich te verenigen met zijn heilig doel. Laat hem rusten in zijn Schepper, om daar in gezondheid, in vrijheid en in liefde te worden hersteld.”

Ik houd van mezelf

Gefeliciteerd! Dat voelt een stuk beter dan wanneer je een hekel hebt aan jezelf. Als je een hekel hebt aan jezelf dan veroordeel je iets dat zich voortdoet. Gewoonlijk denken we dan aan iets wat we verkeerd gedaan zouden hebben of aan iets aan ons fysieke uiterlijk dat ons niet bevalt. “Je moet eerst van jezelf houden anders kun je niet van een ander houden”, hoor ik regelmatig. Tja; zou “van jezelf leren houden” nu echt de weg zijn naar alles omvattende liefde? Toegegeven; als je een hekel hebt aan jezelf dan is dat geen goed begin. Maar betekent blij zijn met jezelf dat je automatisch ook minder veroordelend wordt naar anderen? Ik waag het te betwijfelen. Hoe zit het dan met zelfingenomenheid? Je bent helemaal in je nopjes met jezelf maar dit wil nog niet zeggen dat je deze plezierige maatstaf ook langs anderen legt. Je kunt je gemakkelijk superieur gaan voelen en een pesthekel hebben aan anderen. Dat hoeft niet perse te gebeuren; maar het kan wel.

Dat heb ik een beetje tegen die te grote aandacht voor “houden van jezelf”. Het moet niet meer zijn dan een beginnetje, een opmaat naar de al omvattende liefde. Wellicht nuttig om de gevolgen van een negatief zelfbeeld te verlichten. Als je blijft hangen in zelfgenoegzaamheid dan is dat niet zondig of verkeerd maar de liefde stroomt nog niet en in feite doe je jezelf hiermee tekort. Een ikje dat van zichzelf houdt is niet synoniem met ontwaken en de ontdekking van het Zelf met een hoofdletter Z. Laat ik proberen het toe te lichten.

Als je een hekel hebt aan jezelf dan gebeuren er dingen die je afkeurt. Dit oordelen is een verborgen mechanisme waarmee wij als Zonen van God ons afgescheiden willen voelen. Dat is nu aardig gelukt. Door een negatief oordeel te koppelen aan de waarneming, geloven we nu in het bestaan van een schuldig, slecht of ongelukkig ikje. Maar het omgekeerd, een positief oordeel over wat zich voortdoet, levert slechts de andere kant van dezelfde medaille op: geloof in een goed en gelukkig ikje. Wat is de gemeenschappelijke deler? Geloof in een afgescheiden ikje dat in het ene geval niet oké is en in het andere geval wel oké. Dus nog steeds geloof in de dualiteit, in afgescheidenheid.

Het doorzien van dit oordelende mechanisme is niet hetzelfde als een negatief oordeel vervangen door een positief oordeel; iets wat bij “ik houd van mezelf” op de loer ligt. We kunnen, zoals gezegd, enorm blij zijn met onszelf. Voorlopig dan, of in combinatie met tal van dingen of mensen waar we helemaal niet blij mee zijn en waarmee we denken in een duale relatie te staan. En daar zit hem de clou; daar wijst Een Cursus in Liefde (ECIL) op. Het gaat om die relatie. Wij denken dat we een afgescheiden ikje zijn in relatie met een wereld en met anderen. Dit denken wordt ondersteund door oordelen; negatieve en positieve over ons vermeende afgescheiden zelf, de vermeende afgescheiden wereld en vermeende afgescheiden anderen. Maar zo is het niet.

In het bewustzijn wat je bent kan een oordeel opkomen. Je vindt iets van wat zich voortdoet in termen van afkeuringswaardig of goedkeuringswaardig. Dat maakt geen bal uit, omdat beide oordelen kunnen resulteren in geloof in een afgescheiden ikje. De ene keer in een speciale haatrelatie en de tweede keer in een speciale liefdesrelatie. De weg terug naar onverdeeld bewustzijn, je ware Identiteit, bestaat uit het vergeven (doorzien) van dit ik-vormende mechanisme van oordelen. Dat is alles. Zie hoe je afkeuring van iets of iemand resulteert in een ik-gevoel (haatrelatie) en dat je goedkeuring van iets of iemand (inclusief jezelf) resulteert in een ik-gevoel (liefdesrelatie). Geen van beide relatievormen zijn hetzelfde als de Heilige Relatie die voortkomt uit ware vergeving. In ECIW en in ECIL wordt uitgelegd dat we constant deze correctie van onze denkgeest nodig hebben waarbij we ons oordeel (negatief en positief) terugnemen (vergeven) om te ontdekken dat we onverdeeld bewustzijn en liefde zijn. Dan gaan we een mysterie binnen waarbij de “we” die binnengaat zich herinnert dat er geen binnen en buiten bestaat, geen wij en zij: Christus Bewustzijn. Dan is sprake van een onmiddellijkheid, een directheid en eenheid en vrede die ons verstand te boven gaan. En de Zoon ziet dat het goed is.

WB 126: Al wat ik geef, is aan mijzelf gegeven.

Al wat ik geef, is aan mijzelf gegeven. De Hulp die ik nodig heb om te leren dat dit waar is, vergezelt mij nu. En in Hem zal ik mijn vertrouwen stellen