Werkboekles 160 gaat over angst: Ik ben thuis. Angst is hier de vreemdeling. Als ik me hier een voorstelling van maak dan komt er een beeld naar boven waarbij iemand m’n huis binnendringt en ongewenst plaatsneemt op de bank. Deze duistere figuur doet alsof hij hier thuis is en verziekt de sfeer door zijn aanwezigheid. Toch is me dit beeld te beperkt, te zeer afgebakend. Natuurlijk ben ik wel eens bang voor een specifiek iets of voorval. Gewoonlijk is de angst die ik ervaar echter minder afgebakend en diffuser. Er is dan eerder sprake van een donkere sfeer, een vaag gevoel van onbehagen. Soms lukt het om middels wat onderzoek dan toch te komen tot een wat concretere aanleiding maar dikwijls ook niet.
Wat is er dan wel aan de hand? Het lijkt een soort basaal gevoel van onveiligheid te zijn. Een geloof in kwetsbaarheid. Binnen de psychologie wordt gesproken over een groep van persoonlijkheidsstoornissen (cluster C) waarbij dit angstige aspect een rode draad vormt. Een paar procent van de bevolking zou hier last van hebben. Ik vermoed dat het verder gaat dan dat. Zolang we geloof hechten aan de illusie van afgescheidenheid zal er sprake zijn van angst. Wellicht geldt deze oerangst voor alle mensen en verschillen we slechts in bewustzijn ervan afhankelijk van de mate waarin we onszelf van de angst weten af te leiden met behulp van activiteiten in ons alledaagse droomleven.
Zelf behoor ik helaas tot het zorgelijke droomtype. Het is niet zo dat ik hele dagen thuis bang zit te kniezen maar waar anderen bij bijvoorbeeld een geplande vakantie zich vooral verheugen op de leuke aspecten, zie ik hiernaast ook veel mogelijke problemen. Mijn neiging is om bij het aangaan van nieuwe situaties te zoeken naar zekerheid door het inwinnen van informatie over de verbeelde toekomst en het nemen van voorzorgsmaatregelen. Dit is een typische droomaanpak. Mijn uitgangspunt is dat de diffuse dreiging die ik ervaar werkelijk is en dat ik ook iets zinvols kan doen om het dreigingsniveau te verlagen.
Zoals gezegd past het beeld van een vreemdeling in mijn woonkamer niet helemaal bij dit gevoel. Het voelt minder grijpbaar dan dat. Het is meer een donkere wolk die om mijn hoofd heen hangt. Het is een zorgelijke sfeer die met me mee kan reizen waarheen ik ook ga. Het lijkt erop alsof deze donkere wolk me overkomt. Ik kan me tenminste niet herinneren dat ik er om gevraagd heb. Wat zou de Cursus hiervan zeggen?
Als eerste handvat is daar het geloof in slachtofferschap. Zoals gezegd lijkt de donkere sfeer me ongevraagd te overkomen. Zodra ik dát geloof kan ik niet veel anders doen dan genoemde droommaatregelen nemen zoals plannen en voorbereiden, maar ik weet natuurlijk ook wel dat dit slechts dweilen is met de kraan open. Ik moet serieus de optie overwegen dat ik geen slachtoffer ben van de wereld die ik zie. Heb ik er dan toch zelf om gevraagd? Ben ik nu een stomme zwakke sukkel? Nee, ik heb er onbewust voor gekozen om me kwetsbaar te voelen. Want daarmee kom ik bij het tweede handvat. De kernboodschap van de Cursus is dat wij ervoor gekozen hebben te geloven in afscheiding. We hebben de eenheid, God, de deur proberen te wijzen om dit gevoel van afgescheidenheid te koesteren. Hoe raar is dat; ik steek mijn hoofd in een zwarte wolk. Ik wil me bedreigd kunnen voelen omdat dit me een paradoxaal gevoel van afgescheidenheid oplevert, zelfs als dit voelt als zwakte. Immers, iemand die bedreigd kan worden lijkt echt te bestaan. Want hoe zou het zijn als ik de dreiging eens niet serieus zou nemen? Met een specifieke kwestie is dat wat gemakkelijker voor te stellen. Zo maak ik me altijd wat ongerust over de financiële aspecten van dit droomleven. Er lijken zich op dit gebied bedreigingen af te spelen. Wat als ik deze eens niet geloof? Dat voelt haast ongepast. Eng maar gek genoeg ook wel bevrijdend.
Maar dan die diffuse donkere wolk. Er daagt een vreemd besef. Ik hoef zelfs dat generieke gevoel van dreiging en onbehagen niet serieus te nemen. Dit is eng. Ik wapper wat met mijn handen door de wolk om deze weg te jagen maar vind hierbij weinig houvast. Maar moet ik dit wel doen? Kan ik dit wel doen als ik het bijgeloof koester dat de wolk mij iets oplevert?
Met mijn hoofd in het donker denk ik nu aan de Zon en aan de Wind. Heer, ik wil niet bang in het donker zitten zonder U. Hier is mijn duistere wolk Vader, ik heb deze bedacht maar wil hem niet meer. Laat me Uw licht en heiligheid zien Heer. Ik wil rusten in U.
Waar zoekt hij nu naar? 2Wat kan hij vinden? 3Wie zichzelf een vreemde is, kan geen thuis vinden waar hij ook zoekt want hij heeft zijn terugkeer onmogelijk gemaakt. 4Hij is de weg kwijt tenzij een wonder hem op het spoor komt en hem toont dat hij nu geen vreemdeling is. 5Het wonder zal komen.
De werkboekles van vandaag luidt: Ik ben een van de dienaren van God (154). Een les met een prachtige en diepe boodschap. In een eerste reactie bedenk ik zoiets van “ja, ja; ik doe m’n best!”. Dan lees ik dat het gaat over het zijn van een boodschapper. Ook dan is m’n begrip eerst oppervlakkig als ik meen dat ik ook andere broeders en zusters op het bestaan van de Cursus dien te wijzen. In feite sla ik met beide opvattingen de plank mis.

Toen ik de Cursus voor de tweede keer las kreeg ik de indruk dat ik er bij de eerste keer lezen weinig van begrepen had. Bij een derde herlezing overviel me hetzelfde gevoel. En zo ging het maar door. Dit is geen oproep om een Cursus-verslaafde te worden. Als het gezien wordt dan wordt het gezien maar de lezers die dat betreft zullen deze “waarschuwing” niet nodig hebben. Het langzaam duidelijker worden van de Cursus bij het telkens herlezen ervan illustreert slechts mijn aarzeling om de waarheid binnen te laten komen. Deze bereidwilligheid groeit bij mij kennelijk maar langzaam.
Vergeving is volgens de Cursus het antwoord op alle conflict zoals we dat hier in onze droomwereld ervaren. Als we gewoon eens onbevangen naar dat woord “vergeven” kijken dan roept dat direct de volgende vragen op: wie of wat moeten we vergeven en hoe moeten we dat doen? Herkenbaar? We leren al snel dat het vergeven van de Cursus niet hetzelfde is als het vergeven zoals we dat gewend waren in de droom. Bij het klassieke vergeven vinden we dat iemand de fout is ingegaan en daardoor schuldig is maar we besluiten om dit zo goed en kwaad als het kan door de vingers te zien. Als dat min of meer lukt zijn we stiekem een beetje trots op onszelf en voelen we ons moreel verheven.
Kenmerkend voor onze verwarde toestand is dat we de neiging hebben om discussies te voeren over van alles en nog wat terwijl we hierbij ons uitgangspunt als vanzelfsprekend beschouwen. Bekend voorbeeld is de vraag hoe de afscheiding kon optreden ofwel hoe het ego kon ontstaan. Vanuit ons perspectief, dat we normaal en vanzelfsprekend vinden, is dit een heel normale en legitieme vraag. De werkelijkheid is echter radicaal en verpletterend. Ons ikje, dat zo nadenkend kijkt bij het stellen van deze vraag en zijn best doet een bevredigend antwoord te vinden, is onderdeel van de illusie. “Wij” zien dit over het hoofd en menen dat ons zo vertrouwde denken iets gaat verhelderen over dit ikje, ons ego. Maar de afscheiding heeft niet plaats gevonden, er bestaat geen afgescheiden ikje in een buitenwereld, tijd en ruimte bestaan niet, onze concepten hebben geen betekenis en het bouwen van een theorie over een ikje met behulp van deze concepten, die beperkt zijn door hun vorm, is een droom binnen de droom.
In de stukjes die ik schrijf spreek ik met regelmaat over het “ikje”. Dit is een term die nergens in de Cursus voorkomt. Het betreft het geloof in het nietig en dwaas idee van afscheiding, het geloof in een illusoire nepidentiteit die zich beweegt in denkbeeldige tijd en ruimte en hierbij in gevecht is met nare ervaringen en zogenaamde andere personen. In mijn beleving sluit de term “ikje” strak aan bij mijn ervaring in de droomwereld, zowel op gevoels- als op gedachten- en gedragsniveau. Zo kan ik schrijven dat dit ikje worstelt om terug naar huis te gaan, om eenheid te ervaren of dat dit ikje in feite bang is voor het binnen laten van de liefde die we in werkelijkheid zijn.
“Gewoon rustig zitten en kijken wat er in bewustzijn verschijnt’. Klinkt dit bekend? Veel spirituele stromingen geven dit advies. Een variant hiervan is in het westen populair geworden in de vorm van mindfulness. Ik heb ook menigmaal tijdens retraites glazig zitten kijken naar een kaarsje of een mooie bos bloemen en ook ik heb met veel aandacht tijdens de eerste mindfulness-les op een rozijn zitten kauwen zodat ik alle sensaties onbevooroordeeld binnen kon laten komen. Het is fijn om zo met aandacht gewaar te zijn van alles wat zich aandient en hier is helemaal niks mis mee. Maar het ego zou het ego niet zijn als het deze fijne oefening zou gebruiken om ons wijs te maken dat deze ons een soort uiteindelijke climax gaat bieden, een duurzame ervaring van de hemel.