Samen één

'samen 1Kijk eens wat je motiveert om met de Cursus of andere vormen van zijnsontwikkeling bezig te zijn. Het laat zich samenvatten door te stellen dat je niet tevreden bent over hoe het nu gaat en dat je hoopt op verbetering. Het voelt alsof er een gat van binnen zit dat gevuld moet worden. Je snapt ondertussen ook wel dat de zogenaamde geneugten van het leven (geld, lichamelijke gezondheid, carrière, lichamelijk genot- en sensaties etc) het gat niet duurzaam kunnen vullen. Als ik tijdens Cursus-meetingen om me heen kijk (of ’s ochtends in de spiegel) dan zie ik veel grijze en kale koppies en misschien hebben de meeste van ons dan ook een deel van het leven nodig gehad om te ontdekken dat droomoplossingen niet werken. Je wilt wat anders. Je wilt vrede en liefde ervaren.

Je hebt dan een nieuw doel in het vizier en je hoopt dat dit doel wél duurzaam zal blijken. Op tal van manieren probeer je die rustige en vredige geest te pakken te krijgen. Ook ik heb, met een sereen achtergrondmuziekje, zitten staren naar een kaarsje of naar een mooie bos met bloemen. En echt, daar kun je heel rustig van worden en daar is niks mis mee.

Wat me opvalt is dat er steeds sprake is van een heimelijk egoïsme bij al deze pogingen. Je wilt iets krijgen wat je de moeite waard lijkt. Je kunt ook met enige jaloezie kijken naar mensen die al wat verder lijken te zijn dan jij. Mogelijk vind je het zelfs stiekem plezierig als ze af en toe eens van hun voetstuk vallen en toch ergens boos over worden of zo. Gelukkig, ze zijn toch niet beter dan jij.

En dan de Cursus. De Cursus is ook niet gek wat onze egoïstische motieven betreft. Deze zijn namelijk inherent aan ons geloof in afgescheidenheid. Tegelijk met ons geloof in een afgescheiden identiteit kwam het gevoel van verlies. We weten niet langer dat we eigenlijk liefde zijn en dus niks tekort kunnen komen. Daarom willen we nu iets hebben om ons weer compleet te voelen. Onbewust voelen we ons hier schuldig over maar gelukkig leert de Cursus ons dat dit niet nodig is. We hebben ons immers niet echt afgescheiden en er is dan ook niet echts iets gebeurd. Het vasthouden aan een schuldgevoel, bijvoorbeeld als we zo duidelijk zien dat we iets willen hebben en ons hiermee egoïstisch gedragen, draagt slechts bij aan het in stand houden van de vergissing; het geloof dat de afscheiding echt heeft plaats gevonden.

Liefde is echter wat je bent, er is niks gebeurd. Maar je bent gaan geloven dat er een wereld bestaat met daarin een afgescheiden ikje dat iets tekort komt, iets voor elkaar moet boksen en iets moet hebben wat hij nu niet heeft. Je bent vergeten dat er in feite geen verschil bestaat tussen ‘hebben’ en ‘zijn’. Om te genezen van dit waandenkbeeld traint de Cursus je door denkbeelden die je vanzelfsprekend vindt op hun kop te zetten. Wat denk je van ‘wil je hebben, geef alles aan allen’ (T6VA5:13). Of die erna: ‘wil je vrede, onderwijs vrede om vrede te leren’. ((T6VB7:5). Dit zijn tips die lijnrecht staan tegenover wat je in je droom gelooft. Je denkt immers dat je om iets te hebben het ergens moeten halen en dat het dan pech is als een ander er niet meer bij kan. En je onderwijst dat je jou maar beter met rust kunt laten omdat je anders wel weten hoe je je moet verdedigen.

Het bijzondere van de Cursus vind ik dat een belangrijk leermiddel bestaat uit onze relatie met onze broeders. Je kunt vergevingsoefeningen ook doen met de waarneming van een kaars of een bos bloemen maar het leerproces wordt binnen de illusie van tijd flink versneld door te oefenen met je waarneming van anderen. In het contact met hen loop je om de haverklap aan tegen je geloof in afgescheidenheid. Jij maakt mij boos of verdrietig en als jij je op een bepaalde manier gedraagt maak je mij gelukkig. Dat is je bijgeloof. In contact met anderen kun je voelen wat dit doet met je vrede. Zodra gevoelens van boosheid of angst optreden kun je gevoeglijk aannemen dat je gelooft in afscheiding. Dat zijn de signalen die je kunt gebruiken om te luisteren naar de Stem van de liefde.

Lees bijvoorbeeld dan eens werkboekles 95. Deze volgt een terugkerend stramien. Eerst mag je jezelf even centraal stellen met ‘Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper’. Maar om te leren dat er geen ikje bestaat dat centraal gesteld kan worden gaat de les verder en snijdt daarmee dwars door onze illusie van afgescheidenheid heen: ‘Jij ben één Zelf met mij, verenigd met onze Schepper in dit Zelf. Ik eer jou om Wat ik ben, om Wat Hij is, die ons beiden liefheeft als Eén.

 

Ik val mezelf tegen

zelfverwijt

Twee voorvallen. Tijdens m’n vakantie ben ik zo vrij om in een restaurant een ontbrekende vork van een andere tafel te pakken. De nukkige ober vraagt of ik misschien zijn baan wil overnemen. Ik schiet direct terug vanaf de heup en zeg hem dat ik voor hem dan wel een andere baan heb. Met een glimlach, maar wel degelijk gemeen bedoeld. Of dan tijdens Eerste Paasdag. Details zal ik u besparen maar familiebijeenkomsten zijn de beste gelegenheid om het slechtste in een mens boven te halen. Ook hier reageer ik op een gegeven moment ronduit nukkig op iets wat gezegd wordt.

Vlak na momenten waarop ik zo razendsnel uit mijn slof schiet heb ik spijt dat ik me zo heb laten gaan. Mijn reactie was duidelijk alles behalve liefdevol, ondanks eventuele uiterlijke kalmte of mogelijk zelfs een bedrieglijke glimlach. Ik werd gewoon even heel boos en gaf daar ook uiting aan. Dan volgt de zelfveroordeling. ‘Snetver Simon, je zou toch beter moeten weten dan je zo op te vreten”. Ik vind, anders gezegd, dat deze boosheid niet oké is en dat deze zo snel mogelijk vervangen moet worden door een liefdevolle uiting. Toch lukt dat niet zo makkelijk als gezegd. De boosheid lijkt wel kleefkracht te hebben en is lastig door me los te trekken. Ik ben ontevreden over mezelf en mijn spirituele ontwikkeling. Het helpt me om de volgorde deze keer eens om te keren. In gedachten zie ik de ober of het betreffende familielid en ik merk dat ik tegenover hen nu milder ben dan tegen mezelf. Ook hier is nog enige tijd nodig maar het valt me makkelijker om hen het maken van een, in mijn ogen, ongelukkige opmerking toe te staan dan mezelf. “Ik” hoor beter te weten, meen ik.

Maar dat is nu juist het hele paaseieren eten. Ik weet niet beter. Ik ben degene die meent gedrag van anderen of van mezelf te moeten beoordelen. Hierbij kan ik lange tijd tevreden dromen, in slaap gezongen door mijn ego. “Goed zo Simon, dat gaat lekker nu. Oh ja, prima gezegd. Jawel, je voelt je rustig en vredig, dus je bent op de goede weg”. Tot op een kwade dag het ego besluit om te pesten en te beweren dat ik het deze keer totaal fout heb gedaan en me zou moeten schamen na zoveel jaren studie van de Cursus. En wat doet de beslissingsmaker? Die gelooft dat het wáár is wat het ego zegt. Die gelooft dat ik een afgescheiden mensje ben die het goed of juist helemaal verkeerd kan doen. En áls ik het dan zogenaamd verkeerd heb gedaan ben ik fout en schuldig. Zo simpel is het volgens het ego. Ik geloof dat ik met de ogen van mijn lichaam kan zien wat er gebeurt en dat ik met mijn hersenen, mijn beoordelingsvermogen, kan bepalen wat goed en wat slecht is. Ik zie mezelf als een afgescheiden persoon die in staat is te beoordelen en te zondigen.

Maar zo is het niet. Met enige moeite zie ik dat het beoordelen van “iemand anders” of van “mezelf” op hetzelfde neerkomt.  Ik mag dit gebeuren leren zien door de ogen van de Heilige Geest, in het Licht. Dan pas begint enigszins het besef te dagen dat ik mezelf een autoriteit heb toebedacht die ik niet heb. De boosheid, op mezelf of op anderen, is niets anders dan een indicatie dat ik wens vast te houden aan geloof in een gevoel van afscheiding waarbij ik me superieur of juist inferieur kan voelen aan anderen of aan een zelfbeeld dat ik koester. Vanuit mijn kleine wilskracht kan ik dat niet 1-2-3 loslaten, juist omdat de boosheid en zelfveroordeling mij als afgescheiden ikje (dat kan worstelen en schuldig kan zijn) lijken te bevestigen. Ik heb, anders gezegd, het fenomeen “veroordeling” nodig om me binnen de droom sterk en afgescheiden te voelen.

Dit is echter geen ware kracht. De werkboekles van vandaag (92) steekt er de draak mee. Ik ontsteek een lucifer en denk daarmee zonnekracht te hebben of ik denk dat ik de almachtige ben die de wereld in zijn hand heeft. Met tegenzin geef ik de nep-teugels uit handen. Ik heb totaal geen idee hoe ik zou moeten reageren. Wat ik als gedrag van anderen of mezelf meen te zien zijn beelden uit een droom die ik serieus ben gaan nemen. Wat ik als boosheid en schaamte ervaar zijn symptomen van mijn geloof in afgescheidenheid. Vader, zie dit geloof in afscheiding. Ik erken dat ik er geen bal van snap en geen benul heb hoe ik echt kan zien en wat mijn echte wil is. Ik heb ook geen idee wat er moet gebeuren en wat er gezegd of gedaan moet worden. Ik sluit nu mijn ogen en vraag U me te tonen wat verlossing is. Uw kracht zal het licht zijn waarin me de gave van het zien wordt geschonken.

Wonderen worden gezien in het licht, en licht en kracht zijn één.

 

Gezegend Pasen

IMG_0764

Het is tijd.
Tijd om de boodschap van Jezus te bezien in het licht van de Heilige Geest.
Het is genoeg geweest.
De interpretatie van het ego is sleets en wreed.
We weten nu ondertussen wel dat het ego het denkbeeld van de afscheiding vertegenwoordigt. Het wil ons laten kijken door ogen van angst, schuld, aanval en straf. Het is gepreoccupeerd door het kruis, door bloed en door het beeld van een God die genoegdoening eist. Als we niet beter zouden weten dan zouden we dit beeld Godslasterlijk kunnen noemen. Maar hierin zit nu juist de waarlijke crux van de boodschap. Jezus leerde ons dat God niet gelasterd kán worden. Liefde is van een andere orde en schiep ons als Zichzelf.

Ook wij geloven nog dat het mogelijk is dat wij gelasterd kunnen worden. Dat het mogelijk is dat wij aangevallen worden en dat we onszelf vanuit angst moeten verdedigen. Dit is niet het geval. Jezus toont ons de boodschap van verdedigingsloosheid en van vergeving. Ondanks de naargeestige beelden in de droom van geseling en kruisiging verkoos hij om de omstanders en de soldaten als broeders te blijven zien.

De Heilige Geest biedt een herinterpretatie van de symbolen uit de droom. Hij laat zien dat Jezus zijn geest in de handen van de Vader beveelt. Dit is de constante uitnodiging. Jezus beziet zijn broeders en vergeeft hen omdat ze niet weten wat ze moeten geloven. Hij ziet dat ze bang voor hem zijn, bang voor de Vader, bang voor Liefde. Ze voelen zich schuldig voor hun geloof in afscheiding en vrezen de liefde die Jezus hen voorleeft. Ze kiezen nog voor aanval maar Jezus laat zien dat hij dit niet als zodanig wenst te zien. Dat mag onze keuze zijn.

Les 89 zegt dat we recht hebben op wonderen (77). Het is nu genoeg geweest met geloven in angst en aanval. Laat wonderen alle grieven vervangen (78). Zo luidt het met Pasen in de denkgeest. Met dit idee verenig ik mijn denkgeest met die van de Heilige Geest en zie ik ze als een. Met dit idee aanvaard ik mijn bevrijding uit de hel.

Dit is het wonder van de boodschap van naastenliefde. Om te ervaren dat we de Zoon van God zijn, om de opstanding te ervaren, hoeven we slechts te luisteren naar een andere Stem. Niet langer laten we onze oren hangen naar het ego met zijn boodschap van angst, schuld en straf. Nee, we kiezen voor verbinding. We reiken onze hand uit naar al onze broeders om hen te herkennen als onszelf. In hen herkennen we onze eigen angst en onze eigen neiging naar het ego te willen luisteren. Door echter ook hun roep om liefde te zien kan ware communicatie optreden. Dan kan Zijn liefde vrijelijk door ons stromen en ons onze verbondenheid met elkaar en met Hem tonen. Dan zullen we opgewekt worden. Opgewekt tot leven met Hem.

Gezegend Pasen.

We vragen te weinig

In onze spirituele zoektocht naar verlichting, al dan niet via de Cursus, vergeten we gewoonlijk om ons te bezinnen over onze basisaanname. Ons uitgangspunt is gewoonlijk zoiets als “ik voel me niet verlicht, gezond of anderszins oké en daar wil ik verbetering in brengen”. Dit sluimerende gevoel van onbehagen is volkomen terecht en komt voort uit een diepe herinnering in ons binnenste waarin we weten dat we onszelf tekort doen. Het is de Stem die ons terug roept naar huis en die ons nooit zal verlaten zolang we slapen. De hamvraag is hoe wij reageren op deze roep om naar Huis terug te keren.

Vanuit ons gevoel aan tekort en onbehagen gaan we zoeken naar manieren waarop “we” ons beter kunnen voelen. Ons uitgangspunt hierbij is steevast hetzelfde namelijk “ik ben een lichaam”. De kans is groot dat je als lezer nu meent dat ik je onderschat. Natuurlijk ken je ondertussen die basisboodschap van de Cursus nu wel: ik ben niet dit lichaam. Punt is dat we dit gewoonlijk slechts opvatten in engere zin en onder het lichaam slechts ons fysieke lichaam verstaan. Dit lijf van ons is inderdaad hét symbool van onze afscheiding maar het geloof in afscheiding gaat dieper dan we gewoonlijk tot ons laten doordringen. We duiken niet diep genoeg de non-dualiteit in en laten de wortel, namelijk ons geloof in afscheiding, onverkort ongemoeid. Met verve beredeneren we dat het doen van de Cursus ons uiteindelijk gezondheid zal opleveren, prettige relaties en financiële overvloed. Lees die laatste zin maar eens terug en zie hoe makkelijk je over dat woordje “we” heen las. “Ik” wil me nog altijd beter voelen en ten diepste is het deze “ik” die het diepste symbool is van afscheiding. Deze “ik” met een kleine nog altijd materiele wil. We zouden er goed aan doen om als de Cursus over “lichaam” spreekt dit veel breder op te vatten dan als de zak met vlees die we menen te zijn. “Lichaam” is het totale geloof dat afscheiding heeft plaats gevonden zowel in fysieke, emotionele, psychische, spirituele enzovoorts zin. Vanuit deze ingebeelde afscheiding kan die “we” zich geen enkele juiste voorstelling maken van wat het is om als Zoon van God één te zijn. We hebben geen benul dat we weliswaar niet samenvallen met God, de Bron, maar als Schepping toch één zijn.

We hoeven ons geen zorgen te maken over ons streven naar geluk binnen de droom. De zaken die wij tot ultiem doel verheven hebben (gezondheid, goede relaties, overvloed) zijn de bijverschijnselen van het oplossen van ons geloof in afscheiding, het geloof in lichamelijkheid. Ze vormen het landschap waar we op uit mogen kijken als we in de trein voortsnellen naar de hemel. Ze vormen een gelukkige droom, maar nog steeds een droom. De uitnodiging is om te leren dat het onschuldig is om naar niveau-II cadeautjes te streven maar dat we mogen beseffen dat we hiermee niet veel vragen maar veel te weinig. Lees in T26(VII) de volgende prachtige alinea eens:

  1. Wat is de Wil van God? 2Hij wil dat Zijn Zoon alles heeft. 3En dat heeft Hij ook gegarandeerd toen Hij hem als alles heeft geschapen. 4Het is onmogelijk dat er iets verloren gaat, als wat jij hebt is wat jij bent. 5Dit is het wonder waardoor schepping jouw functie werd, die je deelt met God. 6Zonder Hem wordt dit niet begrepen, en het heeft daarom in deze wereld geen betekenis. 7Hier vraagt de Zoon van God niet te veel, maar veel te weinig. 8Hij zou zijn eigen identiteit en alles willen offeren om een kleine schat voor zichzelf te vinden. 9En dit kan hij niet doen zonder een gevoel van afzondering, verlies en eenzaamheid. 10Dat is de schat die hij probeerde te vinden. 11En daar kan hij alleen maar bang voor zijn. 12Is angst een schat? 13Kan onzekerheid hetgeen zijn wat jij wilt? 14Of is het een vergissing omtrent jouw wil en wat jij werkelijk bent?

Als we blijven geloven in afscheiding, in de echtheid van ons lichaam, als we blijven geloven in de valse getuigen van ziekte, oorlog en armoede en de afgoden van gezondheid, harmonie en welvaart blijven aanbidden als hoogste waarheid, dan doen we onszelf hiermee tekort.

Lees verder met me mee in M13:

Het vergt een lange leerweg om zowel als feit te erkennen als te aanvaarden dat de wereld niets te geven heeft. 2Wat kan het offeren van niets betekenen? 3Het kan niet betekenen dat je daardoor minder hebt. 4Er is volgens wereldse begrippen geen offer waarbij het lichaam niet betrokken is. 5Denk eens even na over wat de wereld een offer noemt. 6Macht, roem, geld, lichamelijke genoegens: wie is de ‘held’ aan wie dit alles toebehoort? 7Kan dit enige betekenis hebben behalve voor een lichaam? 8Maar een lichaam kan geen waarde toekennen. 9Door zulke dingen na te jagen, verbindt de denkgeest zich met het lichaam, en versluiert zijn Identiteit terwijl hij uit het oog verliest wat hij werkelijk is

 Wat een krachtvoer is dit! En de Cursus zou de Cursus niet zijn als ze ons met elke werkboekles zou helpen om wakker te worden en onze ware Identiteit te herinneren. Wij zijn totaal niet gebonden aan de beperkingen die we ons door geloof in de echtheid van onze droom opleggen. Als Zoon van God zijn we ver verheven boven de zogenaamde wetten van gezondheid en overvloed. We mogen ons verheugen als de hemelpoort een stukje opengaat en ons droombeelden doet oplichten met deze mooie kwaliteiten. Het is echter onhandig om dan te blijven staren naar de lichteffecten binnen de droom. We mogen ons hoofd opheffen om te kijken waar dat wonderlijke Licht vandaan komt. We mogen ontdekken dat we vrij zijn van onze zelfbedachte overtuigingen over goed en kwaad, vrij van zelfgemaakte wetten die bedoeld zijn om ons te verankeren in ons bijgeloof in afscheiding. Daartoe hoeven we maar tot heel weinig bereid te zijn (W76):

 2Zet vandaag alle dwaze magische overtuigingen van je af, en houd je denkgeest in stilte bereid om de Stem te horen die de waarheid tot je spreekt

Ijdele wensen (les 73)

Er zij Licht!In de werkboekles van vandaag (73) spreekt de Cursus over onze “ijdele wensen”. De ijdele wens waar we de illusie mee begonnen zijn, is de wens om afgescheiden van het geheel te zijn. Dit is natuurlijk onmogelijk en second best kiezen we er dan maar voor om ons afgescheiden te voelen. Dé manier om dit in stand te houden is het koesteren van grieven. Vanuit het standpunt van het ego, dat streeft naar dat gevoel van afscheiding, helpt het niet bepaald als we onvriendelijke andere droomfiguren direct doorzien als illusie en hen liefdevol tegemoet treden. Evenmin helpt het als wij de tempel van ons geloof in afgescheidenheid, ons lichaam, zouden zien als een nep-huis. Nee, we moeten het zeer serieus nemen en geloven dat er maar twee mogelijkheden zijn voor dit lichaam: het is ziek of gezond. Ons streven binnen de droom is dat anderen doen wat we zeggen en een lichaam dat pijnloos doet wat wij willen. Daar is niks mis mee, maar in het beste geval levert ons dit in plaats van een nachtmerrie van oorlog en pijn slechts een tijdelijke gelukkige droom op.

Laat ik een voorbeeld noemen en mijn standaardoefening, doorslaapproblemen, daarvoor gebruiken. Je kunt dit zelf vervangen door iets wat voor jou momenteel speelt zoals een ruzie met iemand of voor één of ander lichamelijk ongemak. Als ik na slechts een paar uur slaap wakker word dan voel ik me nog niet uitgerust en een beetje bezorgd over de dag die gaat komen. Het helpt dan om als het ware een stapje terug te zetten en te zien wat zich lijkt voor te doen: er is een ik(-gevoel) in onvrede met de situatie. Mijn neiging is dit te beschouwen als de beginsituatie en van hieruit aan de slag te gaan om de gewenste situatie, te weten doorslapen en uitrusten, te bewerkstelligen. Als ikje denk ik dat dit écht is wat ik wil en in zekere zin klopt dit ook. Ik wil mezelf serieus nemen omdat ik ervoor kies te geloven dat ik een lichaam ben. Anders gezegd: ik kies er onbewust voor om te geloven dat er een “ik” is die lijdt aan een ongewenste situatie, die een slachtoffer is. Daarmee koester ik onbewust de grief van slapeloosheid.

Mogelijk herken je nu een boosheid of een vorm van pijn die je zelf als grief onbewust koestert. Het is steeds terug te voeren op het hechten van geloof in afscheiding door te geloven dat je een lichaam- of een iemand bent die echt iets aangedaan kan worden. Vervolgens wil je dit gekwetste lichaam / ik-gevoel / iemand “beter” maken of zich in ieder geval wat beter te laten voelen. Deze diepe wens om een gelukkig lichaam te worden wordt geïllustreerd door de gulzigheid waarmee wij de Cursus willen interpreteren om aan te tonen dat lichamelijke gezondheid en liefdevolle relaties het hoogste doel zijn van het beoefenen van de Cursus. Dat is echter niet het geval. De Cursus wil ons helpen ontwaken tot het besef dat we, in Bijbelse termen, geest zijn en geen vlees. Anders gezegd: dat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden. En inderdaad, dit kan binnen de illusie als plezierige bijvangst een meer harmonieuze gelukkige droom opleveren maar dit is nooit het doel op zich. Door dit wél te verheffen als ultiem doel zijn we aanbidders van een gelukkige vorm van afgescheidenheid, niet van de eenheid. Zolang we geloof hechten aan lichamelijkheid, iedere vorm van fysieke / emotionele / spirituele afgrenzing, zullen we ons aangevallen voelen en menen iets te moeten verdedigen of behouden.

Terug naar mijn onuitgeslapen gevoel. Ik zie hoe ook ik de Cursus wil gebruiken om van het nare gevoel af te komen en in slaap te vallen waarmee ik mijn geloof in de echtheid van afgescheidenheid en lichamelijkheid illustreer. Ik heb de bemoediging nodig van les 73:

We zullen vandaag slagen als jij onthoudt dat je voor jezelf verlossing wenst. 2Je wenst Gods plan te aanvaarden omdat jij erin deelt. 3Jij hebt geen wil die zich daar werkelijk tegen kan verzetten, en je wenst dat ook niet. 4Verlossing komt jou toe. 5Boven alles wens jij de vrijheid om je te herinneren Wie jij werkelijk bent. 6Vandaag is het’ t ego dat machteloos staat tegenover jouw wil. 7Jouw wil is vrij en niets kan daarover zegevieren.

 Lees die machtige zin: Boven alles wens jij de vrijheid om je te herinneren Wie jij werkelijk bent. Halleluja! Ik ben geen lichaam, noch gezond noch slaperig noch ziek. Ik ben geen afgescheiden persoon die ruzie heeft met een ander. Ik ben de heilige Zoon van God en als zodanig heb ik een echte Wil in plaats van mijn beperkte en afscheiding-bevestigende kleine ego-wil.

4Laat dan jouw wil zich doen gelden, één met de kracht van God en verenigd met jouw Zelf.

Ik mag die kleine wil in overeenstemming brengen- en laten samenvallen met die grote Wil van het Goddelijke Geheel. Ten diepste wil ik helemaal niet de hel van de afscheiding.

3Ik wil dat er licht is. 4Duisternis is niet mijn wil.

 En dan kan dat wonder gebeuren. Het is als een soort voorbijzien aan de denkbeeldige ellende. Geen ontkenning of wegdrukken. Het is het doorzien van het onbelangrijke ervan, een wegvallen van de focus er op, en daarmee de ervaring van werkelijke vrede. Zelfs als ik nog wakker lig, pijn heb of als er nog iemand vervelend tegen me doet. De wonderlijke vrede die alle verstand te boven gaat.

Ziekte in de droom

all in the mind

Als reacties op stukjes die ik schrijf over het omgaan met lichamelijk ongemak binnen onze droom krijg ik soms de opmerking dat Jezus (in de Bijbel) zieken genas, doden opwekte en andere wonderen deed die onze droom-orde op z’n kop zette. Wij zouden dit voorbeeld moeten nastreven omdat we anders nooit ten volle zouden geloven dat deze wereld een illusie is en dat de lichamen slechts poppetjes zijn. Zonder deze “fysieke wonderen” zou alles slechts een mentale theorie zijn die we ten diepste niet echt geloven.

Het blijft altijd een beetje tricky om te refereren aan de Bijbel als we onze standpunten kracht willen bijzetten. In de Cursus corrigeert Jezus de Bijbelteksten herhaaldelijk en soms zelfs zeer rigoureus. Dat is niet zo gek. Op veel plaatsen gaan de schrijvers van de Bijbel uit van een duale Godsvisie waarbij de fysieke wereld Gods echte schepping zou zijn. Deze wereld wordt gekenmerkt door zaken die positief zijn (geld, gezondheid, macht en dergelijke) en zaken die negatief zijn (armoede, ziekte). Men kan in deze klassieke Bijbelse wereld zondig zijn en daarom moest iemand die zonde dragen als een zondebok. Jezus zou dat voor ons gedaan hebben.

Ik ben geen theoloog en wil al helemaal niet de pretentie hebben dat ik het kaf van het koren in de Bijbelteksten zou kunnen scheiden. Voor wat betreft de wonderen die Jezus op droom-niveau lijkt te verrichten in de Bijbel, met natuurlijk daarbij het genezen van zieken als ons speciale interesse gebied, heb ik wel wat overdenkingen. Bijvoorbeeld:

    • Tijdens zijn 40 dagen alleen in de woestijn (Mattheus 4) wordt Jezus verleid om een einde aan zijn honger te maken door stenen in brood te veranderen, om natuurwetten (de zwaartekracht) te tarten en om aardse macht na te streven. Dit alles wordt duidelijk gezien als verleiding, en niet als uiteindelijk doel- of bewijs van zijn kunnen. Hierbij de antwoorden van Jezus: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken. Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
  • Het is opvallend dat Jezus in de Bijbel soms vraagt of de gelukkigen willen zwijgen over hun lichamelijke genezing. Zo lezen we in Mattheus 9 na de genezing van twee blinden: En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.  Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.

 

    • Eveneens in Mattheus 9 geeft Jezus aan waartoe hij wonderen binnen de droom verricht: En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten? 5 Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel? 6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.
  • In Mattheus 27 wordt Jezus uitgedaagd om van het kruis te komen als hij echt de zoon van God is: En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeën, Hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. Jezus heeft geen gehoor gegeven aan deze demo van Goddelijke kracht omdat hij wat anders wilde laten zien.

 

Met deze voorbeelden wil ik slechts illustreren dat we voorzichtig moeten zijn met het te gulzig trekken van de conclusie dat het aanbevelenswaardig is voor ons in onze droomstaat om te streven naar bijvoorbeeld lichamelijke genezing. Zelfs voor de Bijbelse Jezus lijkt het erop dat zaken die voor ons in onze droom spectaculair zijn, primair bedoeld zijn ter illustratie. Dat lijkt juist een oproep tot het nastreven van bijvoorbeeld lichamelijke genezing maar dat is het volgens mij niet.

Kan lichamelijke genezing (lees: een opvallende gebeurtenis in een droom) dan niet plaatsvinden? Jawel hoor, dat kan zeker plaats vinden als er in de denkgeest echte genezing plaatsvindt. En jawel, dat kan zeer bemoedigend zijn.

Is het dan zondig of fout om van onze kwalen en ellende af te willen? Nee hoor, zelfs dat niet maar het is onhandig als we het optreden van opvallende verschijnselen binnen de droom tot doel te willen maken om hiermee de onechtheid van deze droom (en daarmee de echtheid van de denkgeest) te willen aantonen. Dat komt omdat ons ego ermee aan de haal wil gaan. Jezus wilde, zelfs in de Bijbel, aan ons leren dat we niet zondig zijn, dat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden. Hij hoopt dat daar ons hart zich naar uitstrekt. Hij hoopt dat we juist niet langer geloven in de echtheid van het lichaam. Hij maakt van ogenschijnlijke lichamelijke ziekte een krachtig teken van de macht van de denkgeest maar zonder het te verheffen tot doel op zich.

Daar ligt dan ook mijn grootste reserve. Zodra wij als dromers horen dat “echte” lichamelijke genezing mogelijk is gaan we volop aan de slag om dit na te streven. Prima, als beginpunt, maar hopelijk verplaatst de focus zich naar het punt waar we echt genezing nodig hebben: in onze denkgeest waar we geloven dat de afscheiding echt heeft plaats gevonden zoals we illustreren door het geloof in ons (zieke) lichaam.

Als we geconfronteerd worden met ogenschijnlijk lichamelijk lijden dan mag dit een startpunt zijn om naar binnen te keren, te erkennen dat we een valse getuige geloven (het zieke lichaam) en een afgod aanbidden (het gezonde lichaam). We hoeven ons hierover niet schuldig te voelen en we hoeven ook niet door te slaan door van het nastreven van genezing in de droom naar angst voor genezing in de droom. We weten niet hoe het wonder van genezing in de denkgeest zich zal presenteren voor onszelf en voor denkbeeldige anderen binnen de droomwereld. Laten we echter de boel niet op z’n kop willen zetten door lichamelijke genezing aan te prijzen als heilige graal die we moeten bemachtigen; dit is gewoonweg te verleidelijk voor ons en slechts voer voor het ego. Heerlijke bemoediging? Jawel! Het ultieme doel? Oppassen alsjeblieft!

Uit werkboekles 71:

Het verlossingsplan van het ego draait om het vasthouden aan grieven. 2Het stelt dat jij verlost bent, als iemand anders maar anders zou spreken of handelen, of als een externe omstandigheid of gebeurtenis veranderen zou. 3Zodoende zie je de bron van verlossing voortdurend buiten jezelf. 4Elke grief die je koestert is een verklaring, en een bewering waarin jij gelooft, die zegt: ‘Als dit anders was, zou ik verlost zijn.’ 5Zo wordt de voor verlossing noodzakelijke verandering van denken van alles en iedereen verlangd behalve van jouzelf.

De rol die in dit plan aan jouw eigen denkgeest wordt toebedeeld is dus eenvoudig te bepalen wat er, anders dan hijzelf, moet veranderen wil jij worden verlost. 2Volgens dit waanzinnige plan is elke vermeende bron van verlossing aanvaardbaar, mits die maar niet werkt. 3Dit garandeert dat de vruchteloze zoektocht voortduurt, want de illusie blijft gehandhaafd dat, hoewel deze hoop altijd onvervuld is gebleven, er nog steeds reden tot hoop is op andere plaatsen en in andere dingen. 4Iemand anders zal uiteindelijk beter voldoen, een andere situatie zal toch nog succes opleveren.

Echter:

Alleen Gods verlossingsplan zal werken.

Mijn verlossing komt van mij

poppenhuis

Oké zegt het ego; dan gaan we eens flink aan de slag. En met geloof in een ikje dat zou weten wat er voor verlossing nodig is draaien we ons verder de droom in. Ik weet helemaal niet waaruit mijn verlossing zou moeten bestaan. Als het namelijk aan mij ligt dan luister ik naar valse getuigen. Deze valse getuigen zullen me uitleggen dat mijn verlossing nu nog verhinderd wordt door een ziek lichaam, door nare gevoelens, door armoede en door slechte of onbevredigende relaties. Deze valse getuigen nodigen mij uit om verlossing te vinden door afgoden te aanbidden. Dit zijn de afgoden van een (gezond) lichaam, van financiële overvloed, van mooi weer en van anderen die alles wat ik doe fantastisch vinden en mij lekker over de bol aaien. Dit is verlossing volgens de kleine “mij”. Het is allemaal gericht op het serieus nemen van de duale illusie van een ikje in een wereld en het vermijden van nare situaties in deze wereld en het nastreven van de prettige omstandigheden.

Als we erachter komen dat dit gespartel van het kleine ikje niet werkt dan wenden we ons tot God. Dit is voorwaar een prima ingeving ware het niet dat we in eerste instantie twee niveaus met elkaar verwarren. We nemen namelijk nog steeds niveau twee (de droom) serieus en willen dat God (niveau één) afdaalt in onze droom en ons behoedt voor genoemde narigheid en ons helpt om onze narigheden en vijanden te verslaan. “God zij met ons”, jawel, omdat we willen dat Hij ons een gezond lichaam geeft en om de oorlog tegen anderen te winnen.

Maar slecht nieuws. Voor God heeft onze droom en ons gespartel hierin geen betekenis. Dit is een harde noot voor ons ego en we besluiten dan ook direct dat zo’n God een harteloos wezen moet zijn. We missen hierbij direct onze eigen blinde vlek. We gaan er bij deze manier van denken namelijk direct van uit dat deze droom wel degelijk bestaat en dat iemand (God) die dit niet serieus neemt een naarling is. Maar deze droom bestaat niet dus hoe kan er dan een God zijn die dit allemaal serieus neemt? Wat is er dan aan de hand en waar moet die verlossing van ons dan wél vandaan komen?

We zijn onze werkelijke Identiteit vergeten, die van de Zoon van God. Maar “vergeten” wil niet zeggen dat het verdwenen is. Wij zijn nog altijd deze Zoon van God maar we hebben een poppetje gemaakt en een poppenhuis. We bewegen dit poppetje door de vertrekken van het poppenhuis en zijn zo verzonken in onze droom dat we alles zien door de ogen van het poppetje. We weten helemaal niet meer dat we beide bedacht hebben, dat het ons maaksel is. Maar de herinnering aan ons ware wezen, als schepping van God, als Zoon van God is nooit verdwenen en iets fluistert ons constant toe dat we dromen. Heel zachtjes maakt deze Stem, de Heilige Geest, ons erop attent dat het niet waar is wat we als poppetje wensen en vrezen.

Nu is de keuze aan ons. Nu geldt dat mijn verlossing werkelijk van mij komt. Echter niet door vanuit dat poppetje te kijken en alle situaties in het poppenhuis serieus te nemen. Nee, door stil te worden en door te luisteren naar de ware Stem die ons vertelt van onze afkomst en van onze Vader. Dit luisteren valt te leren. De gevolgen van het luisteren naar de zachte Stem zijn te ervaren waardoor het leren en ontwaken uit de droom versneld kan worden. We hoeven slechts op te letten wat er in de droom gebeurt als we, zoals gewoonlijk, ons identificeren met het poppetje. We willen het verdedigen tegen de monsters uit het poppenhuis en we merken dat de angst toeneemt. Als we dat zo ervaren mogen we het poppetje even stil houden en luisteren naar die zachte Stem van onze ware identiteit. Als we goed luisteren dan weten we dat de valse getuigen, de angst-vormen in het poppenhuis, niet echt zijn. We beseffen dat het poppetje gelooft in de afgoden van gezondheid en geld in het poppenhuis. Terwijl we het poppetje zo vasthouden maar besluiten om te luisteren naar onze diepste Stem komt de herinnering aan onze Identiteit naar boven. We vergeten niet langer te glimlachen.

Het doorzien van de illusie van ons maaksel is onze diepste Wil. Deze is gelijk aan de Wil van God die niets ander is dan zijn wie We zijn: liefde, één, scheppend. Als we deze Kracht toelaten in onze droom door hier te vergeven (te omarmen, te verbinden, te herkennen als onderdeel van jezelf) dan verdrijft dit de wolken van de nachtmerrie. Het luisteren naar onze Wil, naar de Wil van God, is het einde van geloof in angst, pijn en ziekte. Als God schepping, als Zijn Zoon, is onze diepste Wil het ervaren van de liefde van onze Vader, de liefde die we zijn.

Race-ego

LEIDSCHENDAM-CONTROLE-A4Gisteren reed ik Hoofddorp uit terwijl ik geanimeerd zat te praten met m’n vrouw. Net binnen- of buiten de bebouwde kom, ik weet het niet precies, rijd ik langs een geparkeerde auto. Rare plek om stil te staan, denk ik nog, en dan werp ik direct de blik op de snelheidsmeter. Het naaldje staat ergens tussen de 70 en 80 km/h. Echt zo’n kaal stukje weg in de polder op weg naar het volgende stoplicht. Hoe hard zou je hier eigenlijk mogen? 50 km/h? Maar ik ben de geparkeerde auto al weer voorbij en ik ben dus al te laat.

Zou het snelheidscontrole zijn geweest? Snetverdemme, dat kan dan aardig oplopen als je hier maar vijftig mag. Waar slaat het nu op om op zo’n rustig moment van de dag op een stille weg zonder zijstraten een snelheidscontrole te houden? In eerste instantie leg ik dus de schuld buiten me. Bij die dienstkloppers die daar op stompzinnige wijze de staatskas zitten te spekken. Maar gewoonlijk heb ik ze in de smiezen. Ik had gewoon beter op moeten letten. De schuldvraag verplaatst zich snel en nu vind ik mezelf een sukkel. Duur foutje kan dit worden. Ik bedenk dat het kwaad reeds is geschied en dat het geen zin heeft om me verder druk te maken. Dat gun je die lui toch niet; zowel je geld als je goede humeur? Leuk bedacht, deze redenering, maar nauwelijks effectief. Ik zit me gewoon op te vreten en mezelf ogenschijnlijk kalm voor m’n kop te slaan.

Dan denk ik aan dat boek over acceptatie door Jeff Foster dat ik laatst las. Ik besef dat zowel het voorval als mijn destructieve reacties zich al hebben aangediend. Ze zijn al verschenen in bewustzijn en kan ik dat gewoon erkennen? De golf van boosheid, verontwaardiging en schuldgevoel is opgerezen uit de oceaan. Mag deze golf er gewoon zijn? Er lijkt wat ruimte te ontstaan. Vanmorgen dacht ik weer aan het voorval toen ik les 69 las. Het komt dan weer met opmerkelijke kracht naar boven. Ik lees (4):

Probeer nu heel rustig, met gesloten ogen, de totale inhoud los te laten van wat gewoonlijk je bewustzijn in beslag neemt. 2Stel je je denkgeest voor als een reusachtige cirkel, omringd door een laag zware, donkere wolken. 3Je kunt alleen de wolken zien, omdat jij buiten de cirkel lijkt te staan, helemaal los daarvan. 5. Van waar jij staat, kun je geen enkele reden zien te geloven dat er achter de wolken een schitterend licht schuilgaat. 2De wolken lijken de enige werkelijkheid. 3Het lijkt of zij alles zijn wat er valt te zien.

 Mooi omschreven. De situatie en de gevoelens die ermee gepaard gaan lijken zo echt, ze lijken de enige werkelijkheid. Het voelt inderdaad donker, een duisternis die me overkomt. Ik zie nu duidelijker welk beeld ik in stand houd door mijn geloof in de echtheid van deze situatie. Ik ben afgescheiden, kwetsbaar, schuldig en ik kan gestraft worden middels een boete. Deze donkere wolk lijkt echt substantie te hebben. Ik voel me echt afgescheiden en naar. De les geeft aan dat het slechts de substantie van een wolk is die ik makkelijk terzijde kan schuiven. Zo voelt het echter nog niet en ik lees verder (7):

 2Jouw lichte inspanning en geringe vastbeslotenheid doen een beroep op de kracht van het universum om je te helpen, en God Zelf zal jou uit de duisternis opheffen naar het licht. 3Jij bent in harmonie met Zijn Wil. 4Jij kunt niet falen, omdat jouw wil de Zijne is.

De tekst van mijn favoriete werkboekles (361-365) komt naar boven. Terwijl ik middenin het donkere schuldbeladen gevoel blijf staan laat ik het langzaam klinken en luister ik slechts naar (361-365):

Dit heilig ogenblik wil ik U geven.
Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen,
in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

Dan gebeurt weer dat wonderlijke. Ik zie mijn weerstand om het boze gevoel los te laten. Iets in mij wil deze grief koesteren, er aan vasthouden, het voor écht verklaren. Iets in me koestert de afscheiding en wil niks van overgave aan het Geheel weten. Ik hoor het ego schreeuwen en kies er dan tóch voor om les 361-365 niet alleen te beluisteren maar erop te vertrouwen. Eindelijk schuiven de wolken opzij terwijl ik verder lees in 69:

Heb vandaag vertrouwen in je Vader, en wees er zeker van dat Hij jou gehoord en geantwoord heeft. 2Je zult misschien Zijn antwoord nog niet herkennen, maar je kunt er zonder meer zeker van zijn dat het jou gegeven is en dat je het alsnog ontvangen zult. 3Probeer, terwijl je een poging doet om door de wolken naar het licht te gaan, dit vertrouwen in gedachten te houden. 4Probeer te onthouden dat je eindelijk jouw wil verenigt met die van God. 5Probeer duidelijk in gedachten te houden dat wat jij met God onderneemt, wel moet slagen. 6Laat dan de kracht van God in jou en door jou heen werken, opdat Zijn Wil en de jouwe geschiede.

 Deze Cursus biedt werkelijk zicht op iets wat van een andere orde is. Aanvalsgedachten worden teruggenomen en ter vergeving aangeboden aan het Geheel. Dat ikje hoeft niks te doen want elke stribbeling verergert slechts het geloof in de illusie. Ik hoef slechts naar die wolken te kijken, ze te doorvoelen, de denkbeeldige splitsing van een ikje versus de boze wereld te voelen om me daarna naar Hem te wenden. Ik swipe langzaam met mijn handen over het duistere tafereeltje en de machtige bries die vanachter me lijkt op te steken blaast de wolken weg. De zon breekt door en een warme vrede breidt zich uit. Een vrede die van een andere orde is.

Gewone momenten

wandelbankjeHet is nuttig om eens stil te staan bij wat we proberen te bereiken door het bestuderen van de Cursus. Daar kun je een intellectuele boom over opzetten maar het is interessanter om aan het begin te beginnen. We doen namelijk, zonder dat we het in de smiezen hebben, al een paar aannames voor we uit de startblokken komen. In algemene termen laat het zich als volgt omschrijven: ik voel me nu nog niet helemaal oké en ik meen dat de Cursus hier verbetering in kan aanbrengen. Klopt dit voor jou ook? Check het even bij jezelf. Er is dus de huidige situatie waar je niet tevreden mee bent en je stelt je voor dat hier verbetering in kan optreden. Zojuist merkte ik bijvoorbeeld op dat ik me niet zo comfortabel voelde; ik zat niet lekker, had koude handen en voelde me een beetje warrig en wat mat. Ik pakte de Cursus erbij en ongemerkt bestond mijn verborgen agenda eruit om een golfje vrede of zo te gaan ervaren. Natuurlijk is daar niks mis mee. Als je je verveelt kun je een muziekje opzetten en als je het koud hebt is het handig om de verwarming wat op te schroeven.

Het wordt wat minder handig als er een chronische situatie ontstaat waarin je ontevreden bent en als spirituele zoeker op weg gaat naar geluk. Een mate van eerlijkheid bij jezelf is hierbij nuttig. Soms belijden we met de mond dat we weten dat we alles moeten accepteren om gelukkig te zijn en gaan we vervolgens een leven lang ons best doen om dat te bereiken. Gedurende dat hele traject zitten we onszelf te veroordelen dat we die pijn, depressie en die nare collega nog steeds niet accepteren.

Terug naar zo’n klein gevoel van ontevredenheid. Je voelt je niet bijzonder goed of slecht, je zet eens een bakje koffie en eet er een koekje bij. Dit lijkt in geen verhouding te staan met ons ideaal beeld van verlichting. In de spiegel zien we een wat moe hoofd en niet de serene en energetische uitstraling van spirituele leraar X van YouTube. Kennelijk zijn we niet ontwaakt of verlicht anders zouden we ons wel beter voelen en nergens meer last van hebben. Jeff Foster legt het zo leuk uit aan de hand van de golven en de oceaan. Wij zijn zonder het te weten reeds heel, oneindig en alomvattend. We menen echter dat we beperkt zijn door onze verschijning (als golfje) in het huidige moment. Op dit moment voelen we ons even een kleine, oppervlakkige rimpeling in het wateroppervlak. Dat willen we niet. We willen ons groot en meeslepend voelen als zo’n grote golf bij zo’n zonovergoten eiland waarop gesurft kan worden. Wat zijn we nu als klein miezerig golfje nu helemaal waard?

Er is een perspectiefwijziging nodig. Zolang we ons identificeren met het golfje, met dat wat aan gevoelens verschijnt in bewustzijn, hebben we de neiging om ons te vergelijken met een denkbeeldige vroegere of toekomstige situatie of met een andere golf. We willen extase voelen, liefde en vrede en niet een lullig mat gevoel met een beetje buikpijn erbij. Toch is dat wat zich nu voortdoet. Een kleine rimpeling van onvrede en een pijntje. De uitnodiging is om even te gaan zitten op een bankje langs het water. Je hoeft niet met een ECIW-vliegtuig naar Hawaï om daar in de zon naar de branding te gaan kijken. Gewoon hier in het park, bewolkte lucht en een beetje motregen. Zie je onvrede maar gewoon opkomen. Het is een griefje dat zich al aangediend heeft. Het is er al en dus wil het er zijn. Je mag ook gewoon je oordeel ertegen gewaarworden. Hé, ik zie dat ik een beetje baal dat het regent, dat ik me wat moe voel en een pijntje heb. Maar dan doe je vooral iets niet. Je gaat je grief niet koesteren, zoals de Cursus het zo mooi noemt. Je kunt gewoon zien dat narrigheid en onvrede oprijzen en dat ze je proberen te verleiden om de huidige situatie te veroordelen waarbij je je ontevreden en afgescheiden voelt.

Zodra je in gevecht gaat bevestig je slechts je geloof in afscheiding. Je kunt die neiging onderkennen. Ik noem het wel eens dat je weigert om uit de startblokken te schieten, je blijft stil zitten op t=0 en kijkt slechts naar wat zich voortdoet, inclusief je onvrede en je doe-neiging. Je vraagt de Heilige Geest te kijken maar het helpt om te beseffen dat dit niets anders is dan een perspectief verandering. Je kijkt vanuit het Geheel, vanuit de oceaan en dat blijkt de remedie om enig besef te krijgen dat je eigenlijk dat Geheel bént en niet die kleine vechter. Dát is vergeving, dat is het wonder. Helemaal niks speciaals waarvoor je nog jaren moet vechten en studeren. Gewoon het stilstaan bij wat zich voortdoet en niet weglopen of vechten. Als je die neiging wel hebt en ziet dan is dat oké. Zie gewoon het illusie-vormend mechanisme in werking. Als je even kunt kijken door de ogen van het Geheel; prima. Als je toch uit de startblokken schiet en aan de slag gaat; ook prima. Je kunt niet schuldig zijn of worden, alleen steeds beter leren kijken. En wellicht neem je het golfje niet zo heel serieus meer en wandel je naar huis om toch achter je laptop een reisje te boeken naar een zonovergoten eiland. Ook niks mis mee.

Laat Hem het maar doen door jou

IMG_0753

Wanneer we onbewust geïdentificeerd zijn met ons lichaam zullen we ook onbewust allerlei besluiten nemen om dit lichaam te beschermen of om het meer te laten genieten. Binnen de droom is dit totaal oké maar als we vanuit dezelfde motieven aan de slag gaan om te ontwaken dan foppen we onszelf. Binnen onze droom zijn het inderdaad die twee hoofdmotieven die ons doen en laten bepalen: minder van het kwade en meer van het prettige. Voor het lichaam of, iets ruimer uitgedrukt, de illusie van afgescheidenheid is dit dé manier om zichzelf onbewust te bevestigen.

Op weg naar ontwaken dienen we die onopgemerkte aanname dat we echt een lichaam zijn te bevragen. Gewoonlijk schieten we direct uit de startblokken bij ons spirituele werk en gaan op zoek naar manieren om voor elkaar te krijgen wat we willen: minder lijden en meer genot maar nu in spirituele verpakking. Wij, in ons geloof in eigen afgescheidenheid, menen te weten wat we willen, wat we daarvoor moeten doen en we menen te kunnen beoordelen of het al een beetje opschiet en of we er al bijna zijn. Het gaat echter al fout bij het startschot: de “wij” die ik actie komt en als vanzelfsprekendheid en waarheid wordt aangenomen.

Er is maar één actie binnen de droom die weliswaar nog steeds een duaal karakter heeft maar de boel niet erger maakt en de kans vergroot op een wonder. Hierbij besluit diezelfde illusoire “wij” dat hij wel ervaart dat hij nu niet gelukkig is maar totaal geen idee heeft wat hij zelf zou kunnen doen laat staan wat de gewenste uitkomst zou moeten zijn. Daarom beperkt die “wij” zich tot het bekijken en doorvoelen van de situatie zonder te bewegen. Terwijl hij zo stil gadeslaat ziet hij de neiging om wat zich voordoet aan narigheid te willen ontvluchten, bevechten of veranderen. Op dat moment wordt echter het roer overgegeven aan het Geheel. Dit is lastig te omschrijven. Het voelt een beetje als een oneindige verbreding van de blik op het geheel waarbij die kleine wil van dat wij (ons ikje) gezien wordt als gewoon iets wat zich toont maar niet direct gehoorzaamd hoeft te worden.

Voorbeeld: je bent met iemand in gesprek en telkens als jij iets wilt zeggen dendert die ander over je heen. Na een paar keer voel je je niet mer serieus genomen en heb je de neiging om woedend uit te vallen dat die ander zijn of haar waffel eens moet houden. Je hebt echter de tegenwoordigheid van geest om niet direct de aanval te openen. Je voelt nu de gekwetstheid van het niet serieus genomen worden door die ander. Je beseft dat dit jouw interpretatie is en dat het appelleert aan het geloof in eigen afgescheidenheid en kwetsbaarheid. Je voelt nu gewoon je eigen geloof in afscheiding en je ziet ook dat je dit met een woedeaanval alleen maar bevestigt. Je kleine zelfje weet niet wat te doen maar je laat Hem je blik nu verruimen en al jouw ideeën en gevoelens omsluiten. Nu kan verlossing plaatsvinden. En hoe het dan verder gaat? Dat weten wij niet maar het Geheel wat jij eigenlijk bent weet dat wél. Vanuit dat Geheel komt een passende respons die waarlijk behulpzaam is voor jou en voor de ander. Dat kan zomaar een ogenschijnlijk boze reactie van jou zijn maar de herkomst is nu anders. Het stellen van een grens aan het gedrag van die ander kan precies zijn wat die ander nodig heeft voor zijn of haar ontwaken. Als klein ikje weten we dat niet. Het kan ook zomaar zijn dat we bewogen raken omdat we bij die ander (en onszelf) de schreeuw om aandacht en liefde herkennen. Mogelijk zwijgen we liefdevol, leggen we ons hand kort op de arm van die ander en zetten we een lekker kopje thee.