Het ikje doorzien

wie-ben-ik1

Wat verwachten we van de Cursus? Wees eens eerlijk. Durf, als het van toepassing voor je is, te erkennen dat je een mooie voorstelling van de verlichting hebt gemaakt die je hoopt te zullen bereiken door het beoefenen van de Cursus. Spreek je gevoel uit, ook al weet je verstand dat dit streven naar verlichting zogenaamd not-done is. Schreeuw het eens uit: “Ik wil nu eindelijk eens verlicht raken!”. Wees eens totaal duaal incorrect. Dat is je basis.

Hoe denk je dat je je zal voelen als dat gebeurt? Zorgeloos, vredig, extatisch, blij, liefdevol..? Benoem het maar. Zie je verwachtingen onder ogen, zonder oordeel. Sta jezelf toe moe te zijn, hongerig, zat van het zoeken, smachtend naar dat ultieme inzicht, pijnvrij. Brul het uit, grom, grauw en laat alle ongeduld er zijn.

En ga dan eens rustig zitten of lekker liggen; whatever. Kijk eens naar het eerste wat in je bewustzijn verschijnt, hoe onbenullig het je ook mag toeschijnen. Het kriebeltje aan je neus, je bril die wat knelt achter je oor, het geluid van een auto, je arm die wat koud aanvoelt. Voel of ervaar je heel weinig, te weinig naar je zin? Prima, dan is dat wat er is. Kijk naar alles (of bijna niks) wat er in bewustzijn verschijnt en stel je eens voorzichtig voor dat DIT het is. Dit is alles wat nodig is, het is precies goed zo.

En kijk nu nog eens naar die subtiele en tedere roerselen in bewustzijn. Stel je eens voor dat dit exact is wat je besteld hebt, wat je wilt ervaren. Niks meer, niks minder. Dit zijn de ervaringen die je hebt uitgenodigd met een bepaalde reden. Welke reden? Waartoe wil je deze gewone dingetjes ervaren? Je doet het onbewust om je afgescheiden te kunnen voelen. Kijk maar eens heel goed wat er bij elke subtiele kleine ervaring geboren wordt. Zie dat bij de kriebel aan je neus de gedachte verschijnt “mijn neus kriebelt”. Ik voel de bril knellen, ik hoor de auto, ik voel kou aan mijn arm. Zie je het? Zie je ‘ik’ verschijnen bij elke waarneming?

Zie nu maar eens de zogenaamd grote dromen binnenkomen. Ik wil verlichting, ik wil veranderen, ik wil dit of dat. Zie je het weer? De geboorte van het ik? Zie je dat je het niet kunt stoppen. “Wel verdomme, ik wil nu niks meer!” Gefopt, daar is het ikje weer. Wat dan? Wat moet IK dan?

Zie dat het slechts een spelletje is dat je speelt. Je zou het spelletje een naam kunnen geven: “projecteer en verschijn”. Uit het ongedeelde Christus-bewustzijn dat we ten diepste zijn projecteren we een waarneming. Waartoe? Vanwege het bijbehorende echo-effect. Wie iets waarneemt moet er zelf wel zijn en regelt zo de geboorte van Zijn eigen fictieve ikje. Waarom we dit spelletje spelen? Because we can. Gewoon voor de lol. De Zoon van God maakt deze droom van projecties om zichzelf een ontevreden ikje te kunnen voelen. Lees dit alsjeblieft zorgvuldig want hier glijden we gewoonlijk direct uit. Wat staat hier niet? Hier staat niet dat mijn ikje de wereld maakt en daarmee schuldig is aan de eigen ellende die het over zichzelf lijkt af te roepen. Dat zou, overigens onschuldige, arrogantie zijn. Dat muisje Simon die het universum met tijd, ruimte, atomen, mensen, ziekte en oorlog zou scheppen, tja..

Nee, het mysterie God, Liefde stroomt uit in de Zoon van God, onvoorstelbaar maar, één met God. En die Zoon van God houdt van overdrijven en projecteren om zich even ikje te voelen. Bij elke projectie, elk plan, elke voorgenomen beweging, elk oordeel creëert hij het briesende muisje. Het muisje wil zichzelf vervolgens van kant maken, van “kant-cursussen”, om zich lekker en pijnloos te kunnen voelen. Wat een grap.

Wat moeten we dan doen als we die projecties zien verschijnen in bewustzijn? Zie dat je dus niks kunt doen zonder de illusie van de doener te versterken. Je kunt wel als het ware een onderzoekende houding aannemen. Wat er verschijnt in bewustzijn ben je zelf, het is Goddelijk, het is het beminde. Laat het maar gebeuren en besef dat dit is wat Jij (met een hoofdletter) kennelijk wil om het spel van jij (met een kleine j) te kunnen spelen. Herinner je slechts en glimlach opnieuw.

WB 231: Vader, ik wil me niets herinneren dan U.

Te persoonlijk

Het valt niet mee voor ons als schijnfiguren in een droom om gevoel te krijgen voor de non-duale visie van de Cursus. Herhaaldelijk hinken we op twee gedachten, misschien moet ik zeggen twee “denksystemen”, en dan ontstaat er veel verwarring. Een paar voorbeelden.

 

  • We menen te begrijpen dat de Cursus beweert dat ziekte je eigen keuze is. Vervolgens worden we gekweld door schuldgevoel als we ziek worden.
  • Als we de ellende buiten ons menen te zien, bijvoorbeeld in de vorm van oorlogsslachtoffers, dan menen we in het verlengde van dit dat het hun eigen schuld is en dat we als “verlichte” figuren dit niet serieus hoeven te nemen en minzaam mogen lachen.
  • Als we een beetje geïnspireerd raken dan krijgen we de indruk dat we grote beslissingen moeten gaan nemen in ons leven. We ‘moeten’ afscheid nemen van lastige figuren om ons heen of stoppen met onze vertrouwde baan en het roer helemaal omgooien, bij voorkeur in de richting van een fel begeerd leraarschap op spiritueel gebied.

Deze opvattingen zijn niet fout, zondig of stom en we stinken er allemaal met regelmaat weer in, inclusief ondergetekende. We nemen ons denkbeeldige wereldje in feite veel te persoonlijk terwijl de Cursus leert dat we als afgescheiden persoontje juist niet bestaan.

Lees de drie voorbeelden hierboven nog eens door. De lijst kan makkelijk uitgebreid worden maar het gaat nu even om het patroon. Kijk eens goed wie de hoofdrol speelt. Zie je het afgescheiden ikje dat zich schuldig voelt over ziekte, die minzaam en afstandelijk zit te glimlachen en die zit te dubben welke draconische acties hij of zij moet ondernemen? Anders gezegd; we zitten middenin de denkbeeldige afscheiding. In de identificatie met ons kleine zelf.

De werkboekles (229) van vandaag is een wake-up call: Liefde, die mij geschapen heeft, is wat ik ben. Weet je wat meer behulpzame vragen zijn?

  • Wat betekent vergeven als we in stilte naar onze vermeende ziektes en pijn kijken?
  • Wat kan er vanuit liefde gaan stromen (en zich in de denkbeeldige vorm vertalen) als we vol mededogen zien hoe onze broeders en zusters lijden in deze droomwereld?
  • Er zijn geen grote en kleine kwesties; we dienen te leren vergeven in ieder moment van ons leven. Hoe beleef je je volgende ademhaling? Hoe ervaar je de wind in je gezicht? Wie of wat hoort dat vliegtuig? Wat kan er vanuit liefde gebeuren en gaan stromen in zelfs de kleinste kwesties van ons leven?

We hechten nog steeds veel geloof in de afgescheiden groteske doener. In dat ikje dat dingen probeert te begrijpen, dat afstandelijk wil doen, dat grote problemen gaat oplossen en het roer gaat omgooien. Maar wat als we onze meningen durven op te schorten? Als we durven zwijgen en durven te vertrouwen op een zachte Stem? Op die zeker inspiratie, zo warm, vol mededogen en liefdevol?

“Vader, ik dank U voor wat ik ben, dat U mijn Identiteit onaangetast en vrij van zonden hebt bewaard, te midden van alle zondegedachten die mijn dwaze denkgeest verzonnen heeft. En ik dank U dat U me daarvan hebt verlost. Amen.”

Zo moe..

moe

Soms komt zo’n klein zinnetje heel direct bij me binnen (WB 224): “Help me nu herinneren, Vader, want ik ben de wereld die ik zie moe”. Toen ik begon op het padloze pad en de boeken van Krishnamurti las, ervaarde ik na enkele jaren driftig lezen en overdenken ook deze moeheid. Misschien is moedeloosheid een beter woord. Het klonk zo mooi waar hij het over had maar tegelijkertijd zo onbereikbaar. Het beeld dat bij me naar boven kwam was dat van een ballonvaarder die vanuit zijn ballon me uitnodigde om samen met hem van het uitzicht te genieten. Maar hoe kon ik ook in dat bakje onder de ballon komen? “Gooi dan toch een ladder naar beneden!”, smeekte ik mijn goeroe.

Afgelopen week herlas ik het boek van Tony Parsons: “Niemand hier..”. Net als Krishnamurti geeft Tony aan dat er geen weg, geen methode is naar verlichting. Het is fijn om zijn woorden te lezen. Er is grote herkenning vanuit de Cursus. De waarheid resoneert, ongrijpbaar doch krachtig.

Tony geeft aan dat we niks kunnen doen om verlichting te bereiken. Dit herkennen we natuurlijk vanuit de Cursus; een doener die zich vol goede moed in beweging zet op weg naar een fijne orgastisch geestelijke ervaring getuigt slechts van geloof in dualiteit. Vanaf de eerste stap kijkt de wandelaar echter fier en hoopvol om zich heen. Zo, daar gaan we dan, op weg naar mooie horizonten, omhoog naar het bakje onder de ballon. En wellicht moeten we ook allemaal zo beginnen aan onze denkbeeldige reis. Op weg naar een fijner en probleemloos leven voor ons ikje. Maar na korte of langere tijd word je hiervan moe. Zeker, er komen vreugdevolle perioden waarbij je blij meent dat het eindelijk zo ver is. Je hebt het zogenaamd door en bent helemaal happy! Maar dan komt geheid de terugslag. Een duistere periode, uitzichtloos. Het batterijtje van ons ego heeft helaas twee polen; de plus pool en de min pool. Na regen komt zonneschijn en omgekeerd. Ik ben mijn Naam vergeten en weet niet waarheen ik ga, wie ik ben of wat ik doe.

En dan WB les 224. Soms lees je zo gemakkelijk heen over die “algemene lessen met grote woorden”. Maar juist in zo’n duistere periode is les 224 een baken van weldadig licht. “God is mijn vader, en Hij houdt van Zijn Zoon”. Ik sta mezelf toe om hier ook op dualistische wijze van te genieten samen met mijn vriend Jezus. Er staat gelukkig niet: “God kijkt naar mijn gepieker en besluit zich niks van dat illusoir gedoe aan te trekken”. Nee, God ziet in mij Zijn beminde Zoon. Maar hoe kan ik dat ervaren, die liefde van God?

Nu mogen we dankbaar zijn voor de Cursus. Hierin wordt de onmogelijke brug geslagen tussen de non-duale werkelijkheid en onze duale droomwereld. Ik kijk vast naar les 225. Wat staat daar over de liefde van God? “Ik moet haar wel teruggeven, want ik wil dat zij in volle bewustzijn de mijne is”. Dat is de sleutel. Wie liefde geeft zal haar ervaren. Vergeven, noemt de Cursus dit. Maar hoe zouden wij zo’n abstracte non-duale God kunnen liefhebben? Dat wordt ons niet gevraagd. Vergeving is betekenisloos in de hemel. Maar binnen onze illusie mogen wij onze kinderen, onze projecties van situaties en anderen, vergeven. Ook dit vergeven is niet afstandelijk, zo van: “ach, het is allemaal onecht en het raakt me niet”. Nee, we mogen die ander zien als onszelf en innig beminnen. In onze eigen schepping ontmoeten we de beminde, de Zoon van God. Als we ons oordeel, onze aanval, loslaten en die ander onvoorwaardelijk liefhebben dan stroomt daarmee de liefde ook weer door onszelf. Dit is het wonder. Die ander en ik zijn één en liefde wordt slechts ten volle ervaren als we liefhebben.

Krishnamurti en Tony zeggen dat we niks kunnen doen. Dat klopt. Als klein ikje kunnen we niks bijdragen. God zet de laatste stap; genade. Die God zijn we echter uiteindelijk Zelf. Niet zelf, met een kleine z. In de liefdevolle omarming van die ander, van de wereld, van ons ikje worden we ons weer bewust van de liefde die we zijn. Wat een wonder; om onszelf te kennen als liefde moeten we leren deze onvoorwaardelijk te late stromen. Dat kunnen we niet zelf. Maar lees, weer 225:

“Je hebt je hand naar mij uitgestrekt, en ik zal jou nooit verlaten. Wij zijn één, en het is louter deze eenheid die we zoeken, nu we deze paar stappen volbrengen, waarmee de reis eindigt die nooit begonnen is”

Je houdt jezelf voor de gek

buikspreker

Neem eens iemand in gedachten waar je nu een probleempje mee hebt. Het hoeft niet over iets groots te gaan. Een lichte irritatie is genoeg. Stel je die persoon levendig voor, hoe hij (of zij) tegenover je staat en datgene doet of zegt waar je niet blij van wordt. Probeer je vervolgens voor te stellen dat die ander eigenlijk een levensgrote pop is. Niet zomaar een pop, nee, zo’n buikspreekpop die jij zelf bestuurt met je arm. Stel je nu voor dat wat die pop doet of zegt in werkelijkheid wordt ingegeven door jou! Je doet dit zo onzichtbaar mogelijk door bijvoorbeeld je eigen lippen niet te bewegen. Kijk nog eens naar die ander, naar zijn gedrag of naar zijn mimiek. Luister naar zijn stem en naar wat hij voor lelijks zegt. En probeer dan de afstand tussen die ‘pop’ en jezelf te doorzien. Stel je voor dat jij (onbewust) de bewegingen en uitlatingen van de pop aanstuurt. Merk je de weerstand tegen dit idee?

Toch is dit wat de Cursus, en elke non-duale visie, stelt. Alles wat ons lijkt te overkomen is een illusie. We zien slechts wat we uit onszelf projecteren. Dat gaat overigens heel ver. Als voorbeeld nam ik een persoon die iets naars tegen je deed. Maar het geldt voor de hele buitenwereld die je meent te zien. De huizen, de bomen, dat vliegtuig; allemaal marionetten van jou.

Deze gedachtesprong is vrijwel niet te nemen voor ons. Dat komt omdat ook onze voorstelling van de poppenspeler veel te beperkt, veel te klein is. “Hoe kan ik nou al die ingewikkelde dingen buiten me bedacht hebben?”. Goede vraag. Dat kun jij ook helemaal niet. Als klein mensje met je beperkte hersenen denk je dat je heel knap bent en aardig wat kunt bedenken maar dat valt inderdaad erg tegen. Jij als klein ikje kan helemaal geen cellen, moleculen of ruimte en tijd maken met je gedachten. Maar weet je Wie dat wel kan? Jij als Zoon van God. Jij als onbegrensde creatieve Goddelijke bron.

En dan een grote verrassing. Jij als Heilige Zoon van God kunt niet alleen de buitenwereld bedenken maar je hebt ook je ik-gevoel bedacht. Dat ik-gevoel roep je juist op door een zogenaamde buitenwereld te projecteren. Dit ikje waar we zo blindelings vanuit gaan is echter net zo goed een bedenksel als de schutting in je tuin. De Heilige Zoon van God heeft bij wijze van spelletje een heel poppenspel bedacht en zit hier nu heel geconcentreerd en serieus mee te spelen om zichzelf bag, boos, verdrietig, blij, afgescheiden, sterfelijk enzovoorts te kunnen voelen. De Cursus is een ruwe verstoorder van dit spel. Het is een bijdehand kind in de zaal dat plotseling roept: “He, grapjas; je houdt jezelf voor de gek; je doet het allemaal zelf!”.

Als Heilige Zoon van God willen we ons een klein afgescheiden ikje in een buitenwereld voelen. Maar nu zijn we het zat. We willen naar huis en zijn bereid die pop van ons hand te trekken en te zien dat we hier niet van gescheiden zijn. We zijn één. Vanuit ons ikje durven we dat niet. We denken dat door het ontmaskeren van de illusie ook wij als ene toeschouwer zullen verdwijnen. Lees nu WB les 221 en voel hoe de liefde van Jezus, van ons diepste Zelf, ons tegemoet komt. Lees en word stil: “Aanvaard mijn vertrouwen, want het is dat van jou. Onze denkgeest is één ”. Of les 222: God is met mij. Ik leef en beweeg in Hem. Wow, mind blowing..

Gefopt!

gefopt

Open je ogen en kijk. Zie je die ander, daar buiten jou?

Gefopt! Het gaat zo snel dat je het niet doorhebt. Zodra je de ogen open deed en het idee kreeg dat jij (hier) keek naar die ander (daar), heb je je reeds laten foppen. Je heb namelijk in een fractie van een seconde geloof gehecht aan het idee dat je iets zag buiten jezelf. En dat is geen toeval. Zonder dat je het zelf in de gaten hebt wil je de illusie geloven dat er een buitenwereld bestaat waarin jij jezelf bevindt. Dat is je intentie maar je bent je niet van deze intentie bewust. Bij die eerste blik kies je ervoor geloof te hechten aan dualiteit, aan de afscheiding. Waarom? Because you can! Gewoon voor de lol; je wilt je als Zoon van God even lekker hier voelen, afgescheiden van die ander daar.

Doe nu je ogen weer dicht en wees stil. Let heel goed op en kijk opnieuw terwijl je goed oplet op het binnentreden van je geloof in een afgescheiden ikje. Zie je het gebeuren? En probeer nu eens te kijken vanuit de eenheid die je bent (dus, symbolisch gesproken, samen met de Heilige Geest). Dan kun je een weerstand opmerken tegen alles wat hierboven geschreven staat. Je merkt dat je met graagte kiest voor de splitsing tussen ik en jij en dat je je verzet tegen de verbondenheid die vanzelf optreedt als je niet gelooft in wat je ogen je willen zeggen.

Even metafysisch: dat hele systeem van tijd, ruimte en een zooitje zintuigen om rond te kunnen snuffelen is juist door de Zoon van God bedacht met de reden Zichzelf even te kunnen foppen en zich klein mensje te kunnen voelen in een buitenwereld. Hij is nu alleen vergeten te lachen en is Zijn eigen grap serieus gaan nemen. Hij denkt warempel dat die afscheiding echt is en dat hij zal sterven als hij zijn eigen geloof niet meer serieus neemt.

En dan de sleutel; vergeving. Kijk naar die denkbeeldige ander en weiger die eerste stap naar geloof in afscheiding te zetten. Kijk en doe niks. Blijf op t=0, in je ongedifferentieerde eenheid, en kijk met liefde, met een milde glimlach naar die projectie (die ander, de buitenwereld) die je zelf bedacht hebt. Omarm deze als jezelf. De projectie komt uit de Goddelijke bron die je bent. Houd dus van die gedachte van God, die schepping, die naaste die je zelf bent. Vertrouw, omarm en laat de liefde de denkbeeldige grens doen oplossen. Er kan je niks gebeuren, je ontmoet slechts jeZelf.

(195) Liefde is de weg die ik in dankbaarheid ga.

Je bent niks en alles; waarheid en liefde

trent-reznor-quote-in-my-nothing-you-were-everything-to-me

De Cursus leert ons dat de wereld die we zien, inclusief ons eigen ikje, slechts een illusie is. Niet meer dan een projectie met als doel afgescheidenheid te kunnen ervaren waar deze in werkelijkheid nooit kan zijn. Dit kan een zekere afstandelijkheid bij ons oproepen jegens wat we zien verschijnen in bewustzijn. “Die vervelende persoon is niet echt, dat nare gevoel en die negatieve gedachten zullen oprijzen en weer verdwijnen”. Helemaal waar en het kan zeker de druk wat van de denkbeeldige ego-ketel afhalen.

Maar toch. Bij deze “niet dit, niet dit” houding, die ervaren kan worden als een soort achteruit lopen, blijft er heel subtiel gemakkelijk een klein ikje achter dat zo veel mogelijk gedissocieerd om zich heen zit te kijken. Zojuist las ik dat Tony Parsons sprak over een glazen huisje waarin je zit. Alles gaat prettig langs je heen en je wordt nergens door geraakt. Maar toch; zie je die “je”?

Vooral in “The Way of Mastery” geeft Jezus ons oefeningen die uitgaan van “ook dit, ook dit”. Je kunt zeggen dat er geen ikje bestaat die er voor kiest een arm op te tillen. Je zou ook kunnen zeggen dat “arm optillen” verschijnt in bewustzijn net zoals regendruppels verschijnen in bewustzijn. Je hebt wel de neiging om te zeggen “ik til mijn arm op” maar niet om te zeggen “ik regen”. Toch gebeuren beide ogenschijnlijke fenomenen zowel in als door bewustzijn. Hetzelfde bewustzijn dat we ten diepste zijn.

Het kan verfrissend zijn om wel eens in de rol van God te stappen en om met net zoveel overtuiging te zeggen “ik regen” als “ik til mijn arm op”. Merk je een vervreemdend effect? Heel raar om je even “persoonlijk” verantwoordelijk te voelen, schepper te voelen, van zaken waarvan we gewoonlijk aannemen dat ze niks met ons te maken hebben.

In hetzelfde boek staat het wondermooie:

“Love allows all things, Love accepts all things, Love trusts all things, Love embraces all things and therefore Love is transcendent of all things”

Dat voelt nogal anders dan dat je je constant distantieert van zaken die je meent waar te nemen. Je loopt nu niet achteruit maar je gaat recht op de droomwereld af. Je omhelst alles en iedereen wat/die je meent tegen te komen. Zelfs nare personen, inclusief Hitler die dikwijls ter sprake komt in dit verband, en inclusief de pijn of de erge ziekte. Alles omarm je, alles vergeef je, alles herken je als uiting van Goddelijke liefde, als uitnodiging.

In de Bijbel vragen de discipelen aan Jezus wat nu eigenlijk het belangrijkste gebod is. Zijn antwoord zal bekend zijn:

“Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.”

Zie je het? Hoe mooi? Ik merk dat het mij veel doet. Ik herken me in de neiging tot wat klinisch analyseren. Nu word ik uitgenodigd te beminnen en het glazen huis te laten verpulveren door liefde. En dat is eng en spannend. Want een gedissocieerd ikje is ook nog een “veilig” ikje, een glazen huis lijkt nog bescherming te bieden. Maar nu mogen de ramen en armen wijd open. Wow, waar gaat dit naar toe?

Goddelijke vrijpartij

fuck yourself

<Disclaimer: bericht bevat taalgebruik dat als grof kan worden ervaren 😉 >

Ik lig wakker en kijk wat me lijkt te overkomen. Irritatie, want erg vroeg wakker, vogel- en vliegtuiggeluiden, woelende partner naast me in bed, spanning in mijn lijf. Ik lijk slachtoffer, de weerloze ontvanger van een ongewenst geschenk. Totaal Yin.

Maar kan de Zoon van God slachtoffer zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden; nee dus. In mijn Yin zit een bolletje Yang. Ik ben de doener, de maker van mijn gewaarwordingen.

De slapeloosheid ligt als een ongewenste berg voor me. Waartoe? Ik wil m’n zelfgemaakte berg beklimmen, bedwingen. Ik heb hem gemaakt om te kunnen doen en vechten, actieve Yang. Waartoe wil ik strijden? Om mijn kracht te kunnen voelen, het bolletje Yin.

Zo speel ik als Zoon van God met m’n eigen maaksel, mijn eigen projecties. Maar het evenwicht wordt hersteld. In mijn vermeende slachtofferschap ontdek ik de doener en in mijn daderschap ontdek ik de voeler.

Om te kunnen ervaren dat ik ben, zoek ik de wrijving. Deze maak ik zelf door te geloven in iets wat me tegen mijn wil in overkomt of door iets te bedenken wat me niet zint en wat ik actief wil veranderen. Ik maak situaties om ze te kunnen ervaren in de wrijving; God speelt het spel van de schepping om Zichzelf hierin te kunnen ervaren.

Door de aandacht naar het punt van wrijving te brengen ontstaat een directe helderheid. Ik zie de ogenschijnlijke afgescheidenheid geboren worden op het grensvlak van yang en yin, van doen en ervaren. Op dat oneindig kleine raakvlak, in dat nu, is de aanwezigheid zo puur. Hier eindigt de immer doorgaande beweging orgastisch in zichzelf. Hier is de quantumsprong en wordt eenheid ervaren als zichzelf en door zichzelf.

De dans is seksueel; penetreren en ontvangen in een Goddelijke dans. Één kiest voor twee om te kunnen versmelten en klaar te kunnen komen, verlichting te bereiken. God bedrijft de liefde door te scheppen in ogenschijnlijke dualiteit. Soms teder, bij het ruiken aan een bloem, soms masochistisch als bij het sterven aan het kruis. Er is geen rangorde van goed en kwaad in de dans van God met Zichzelf. Anything goes. De grofste belediging: ‘go fuck yourself!’ blijkt een kernachtige beschrijving van het spel dat we wensen te spelen. We zijn de Ene die verkiest Zichzelf te ervaren door het vergeven van de wrijving die optreedt in het bedachte twee.

 

Lachend naar huis

Yin-Yang-figuurEerst probeer ik verlichting te bereiken door iets te doen. Maar (onbewust)  versterk ik hiermee juist het gevoel van afgescheidenheid. Geloof in de doener die iets kan bereiken is een hardnekkige gewoonte geworden.

Dan besluit ik het roer om te gooien en niet langer iets actief te doen maar passief te gaan voelen. Zou zo de doener tot zwijgen kunnen worden gebracht en verlichting ervaren kunnen worden?

Maar in het actieve doen zit tegelijk een voelaspect en in het zogenaamd passieve voelen zit een actief doe-aspect.

Het is nooit 100% doen (Yang) of 100% voelen (Yin).
Nooit 100% man noch 100% vrouw.
Nooit 100% dader, noch 100% slachtoffer.

Als ik namelijk geloof dat ik jou (of de wereld) iets kan aandoen dan blijf ik slachtoffer van het geloof in dualiteit. Idem als ik geloof dat jij (of de wereld) mij iets zou kunnen aandoen waarbij jij als dader dus weer los van mij zou staan.

Wat een integrerend spel; doen en voelen, Yin en Yang, penetreren en overgave, dader en slachtoffer.  De twee zijden van dezelfde ego-medaille.

En Bewustzijn? Tao? Totaal onbewogen als de blauwe lucht waarin de wolken verschijnen. God weet nergens van. Zijn Zoon, de uitbreiding van Liefde, wilde even iets spelen dat natuurlijk niet echt kon. Het spel van afscheiding, vertrek uit het paradijs. Wie kan echter vluchten uit eenheid?

Hij heeft maar één functie; lachen om dit spel als hij het zat is. Vergeven dus. En dan? Vrolijk verder spelen, als je dat wilt, of lachend naar Huis.

 

The first move

IMG_0676

Ik ben gewend de draad pas laat op te pakken. Pas als ik écht in de problemen zit kom IK in actie om te proberen het wat beter naar m’n zin te krijgen. De situatie lijkt dan al vastomschreven: ik moet wat doen. Geeft niks maar het is interessant om te proberen het begin te onderscheiden; the first move.

Want wat is er aan de hand als ik bijvoorbeeld net wakker word uit m’n slaap? Als ik goed oplet kan ik zien dat m’n eerste waarneming, bijvoorbeeld ik lig in bed naast mijn vrouw, al niet meer het begin, niet meer t=0, is. Ik zit al in de film. Op het moment dat ik me bewust word dat ik ook maar iets waarneem is de boel gedefinieerd; “ik” is geboren, dualiteit is als waarheid aanvaard, ik geloof dat de afscheiding heeft plaatsgevonden. Ik geloof vanaf mijn eerste waarneming dat er een ikje is en een ander, in dit geval mijn vrouw.

En nu het wonderlijke radicale van de Cursus. Ze stelt dat ik die waarneming Zelf gemaakt heb juist met de intentie om dit spel van afscheiding te kunnen gaan spelen. Anders gezegd; ik projecteer de wereld met daarin denkbeeldige anderen met de intentie op hen te kunnen gaan reageren en me daardoor afgescheiden te voelen. In de dramatische beeldspraak van een revolvergevecht: ik verbeeld me dat er een andere cowboy tegenover me staat die de eerste beweging gemaakt maar ik kijk slechts in de spiegel, naar mijn projectie. Lukt het me om zo precies en gevoelig te zijn, zo oplettend te zijn, dat ik voel dat ik eerst beweeg voordat ik dit meen te zien in mijn spiegelbeeld? IK projecteer en start de droomfilm.

Maar goed. Zoals gezegd, ik ben vrijwel altijd te laat en krijg pas een vaag gevoel van gefopt te worden als de show al begonnen is. Wat dan? Dan geeft de Cursus ons een machtige sleutel. We vergeven onze projectie, we gooien ons pistool op de grond en omarmen de revolverheld in de spiegel. In onze verdedigingsloosheid ligt onze vrede en veiligheid. We zegenen onze eerste waarneming; het gevoel dat we gedragen worden door een bed, de ademhaling ban onze partner. We zegenen alles, zonder uitzondering en doorbreken zo de illusie. We vallen samen met wat we menen te zien, we zijn niet meer afgescheiden, geen lichaam meer. We geloven niet meer in ons eigen gewicht en zweven vrij omhoog. Boven het slagveld, als een vrije vogel.

Omarm de illusie

IMG_0673

Wat is waarheid? Ooit hoorde ik ‘waarheid is dat wat werkt’. Een lekker pragmatische insteek die echter de vraag slechts verplaatst want wat is ‘werken’ dan? In het licht van de Cursus zou ik zeggen dat binnen onze droom iets NIET werkt als de angst toeneemt en dat iets WEL werkt als de vrede toeneemt.

En zo kan wat werkt voor de één niet werken voor de ander en omgekeerd. Laat ik het iets concreter maken. Wat doet de uitspraak ‘ik ben niet dit lichaam’ met je als je lichamelijke pijn ervaart? De één slaakt mogelijk een zucht van verlichting en ervaart meer ruimte als hij of zij leest hoe de tekst verder gaat (ik ben vrij etc). Bij de ander kan het echter ontaarden in een tegen beter (menen te) weten in ontkenning van een pijn waarvan hij wel degelijk meent dat deze écht is. De Cursus geeft ergens aan dat het proberen te ontkennen van de illusie, terwijl je in feite er nog zeer in gelooft, niet handig is. Maar wat dan?

Waarheid, voor mij, is dat wat werkt. Mij helpt het om in gedachten uit de rol van vechtend ikje te stappen dat middels fanatieke affirmaties probeert af te komen van iets waarvan hij ten diepste toch overtuigd is. Hoe? Door me te identificeren met mijn Goddelijke afkomst en de pijn te zien als iets dat ik gemaakt heb. Waartoe heb ik dat lichaam gemaakt? Op dit moment kennelijk omdat ik pijn wil ervaren. Als God wil ik deze ervaring nu hebben. Het is haast een vorm van automutilatie, zelfpijniging.

Ben ik nu stom of schuldig? Nee, wij maken het daarmee weer veel te klein en persoonlijk. Want als God laat ik ook de regendruppels langs de ramen lopen, laat ik het gras bloeien en de vogels vliegen en fluiten. Ook laat ik meZelf even Simon voelen met denkbeeldig afgescheiden gedachten, gevoelens en pijntjes. Totdat..? Totdat ik uitgespeeld ben en vergeef wat ik zo bedacht heb. Maar hoe dan? Door te zien dat ik dit alles mezelf aandoe. Ik doe mezelf pijn, regen, zon, vogels en andere mensen aan. Ik speel als eenheid het spel van afgescheidenheid. Ik ben geen slachtoffer, geen dader maar de liefde die zichzelf wil kennen in zijn schepping, in gestolde liefde.

De verlossing van deze wereld hangt van mij af. Door al deze ogenschijnlijk afgescheiden vormen (pijn, anderen, de drol op de stoep, tijd, ruimte, het hele universum) te omarmen, lief te hebben. Door ook mijn worsteling en verzet lief te hebben en te zien als onderdeel van het spel. Dan kan het wonder, de alchemie plaatsvinden en de schepping weer gezien worden als wat ze is; liefde zoals ikzelf.