
Over een paar maanden is het al weer Pasen. Binnen het klassiek Christelijk geloof wordt het lijden van Jezus breed uitgemeten. De Bijbelteksten geven ons hiervoor ook alle aanleiding. In Marcus 14 staat bijvoorbeeld het volgende: “En Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden en hij zeide tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe” en iets verder “Hij wierp zich ter aarde en bad, dat, indien het mogelijk ware, die ure aan Hem zou voorbijgaan, en Hij zeide: Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van mij weg. Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt”
Vanuit non-duale kringen kijkt men zeer argwanend naar deze teksten. Hoe kan Jezus nu als ultiem verlicht leraar zich zo identificeren met zijn lichaam? Ergens las ik dan ook een wat vergezochte variant waarin Jezus zogenaamd uitgetreden is uit zijn lichaam en van een afstandje toekijkt op het toneelstukje waarin hij wordt gegeseld en gekruisigd. Ook de noodkreet aan het kruis mag niet bestaan vanuit deze optiek. Het “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Marcus 15)” kunnen we ons niet voorstellen bij een verlicht meester als Jezus.
Terecht wijzen we erop dat de schrijvers van de evangeliën nog geen volledig besef hadden van wat zich afspeelde onder hun ogen. Het kruisigingsverhaal is pas jaren later opgeschreven en wel vanuit de zienswijze dat een grimmige God zo pervers zou zijn om bloed te willen zien voor de zonden die wij mensen gepleegd zouden hebben. Als Jezus immers onze straf moet dragen en aan de moordlust van God moet voldoen dan zou het te makkelijk zijn als hij dit alles glimlachend zou hebben ondergaan. Wat zou zo’n offer dan waard zijn voor God?
En hoe kijken wij nu naar dit hele gebeuren? Ik denk dat het goed is om te beginnen met de nuchtere vaststelling dat ik hier 2000 jaar geleden binnen de droom niet bij was. Menselijk historisch gezien heb ik dus geen benul wat er nu wel en wat er nu niet precies gebeurd is, laat staan hoe Jezus dit ervaren zou hebben. Hier past terughoudendheid en bescheidenheid. Het is echter wel leerzaam voor ons om te onderzoeken waar onze angst vandaan komt voor de mogelijkheid dat onze broeder Jezus daadwerkelijk geleden zou hebben aan de martelingen en aan de uiteindelijke kruisiging. Hierbij kunnen we vaststellen dat wij ook dolgraag willen dat Jezus ver verheven boven het slagveld glimlachend toekeek op de kruisiging. Staan deze termen ook niet in de Cursus?
Jawel, dat staat allemaal in de Cursus. Wij zijn niet het lichaam en mogen uiteindelijk van boven het denkbeeldige slagveld leren toe te kijken en daar de vrede ervaren die alle verstand te boven gaat. De hamvraag voor nu is waarom wij dit zo dolgraag willen? En dan komt de aap uit de mouw. Wij willen dit wanhopig graag omdat we er zo enorm van overtuigd zijn dat al onze pijn en angst zo echt zijn. Anders gezegd: omdat wij nog zo erg geloven in de droom die zich lijkt af te spelen. Kun je het zien? We zijn nog zo geïdentificeerd met de droom van angst en pijn dat we er zo snel mogelijk af willen komen. En als Jezus, in onze ogen, echt geleden zou hebben dan wordt daarmee onze hoop de bodem ingeslagen. Daarom mag Jezus van ons niet “echt” geleden hebben.
Zo kunnen we leren dat onze angst voor de echtheid van het klassieke lijdensverhaal evenredig is met ons eigen geloof in de illusie van onze pijn en angst. Onze neiging is om dit overhaast weg te willen wuiven. We willen dat er niks aan de hand was voor Jezus en dat hij geen centje pijn had omdat we dit zo dolgraag nu zelf willen ervaren. Door deze projectie van ons terug te nemen en naar het heden terug te brengen kunnen we een begin maken met echt vergevingswerk. Hierbij kan ik goed de hulp gebruiken van een oudere broer die weet heeft van wat ik nu meen mee te maken. Een broer die zegt: “Oh ja Simon, wat doet het pijn hé? En wat is die angst toch akelig en wat voelt het toch hopeloos. Ik weet het broeder. Kom, laten we hier samen naar kijken”. Als ik dan mijn ogen opensla dan zie ik een uitgestoken doorboorde hand. Dan krijg ik tranen van ontroering in mijn ogen als ik moe en bang deze hand vastgrijp en tegen Jezus stamel: “Ach Jezus, ik ben zo bang en ik heb zo’n pijn. Het voelt zo ellendig en hoewel ik lees in de Cursus dat ik slechts droom, lijkt het net of ik die nachtmerrie niet zelf los kan laten. Help me alsjeblieft!” En dan bidden Jezus en ik samen: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest”.


In ons dagelijks taalgebruik heeft generaliseren een negatieve klank. Zo moeten we bijvoorbeeld voorkomen dat we alles over één kam scheren. We moeten niet zwart-wit denken en de nuances blijven zoeken. De Cursus overstijgt alle tegenstellingen en is in feite ultiem radicaal. Iets hiervan klinkt door in het bekende eerste wonderprincipe:
We bereiken de laatste werkboeklessen. De les van vandaag (360) herinnert ons aan onze ware Identiteit: “Ik ben Uw Zoon, voor eeuwig precies zoals U mij geschapen hebt, want de Grote Stralen verblijven eeuwig stil en onverstoord in mij. Ik wil in stilte en in zekerheid naar ze reiken, want nergens anders kan zekerheid worden gevonden” Iets in me resoneert als ik deze woorden lees. Het ontroert en vervult me met een soort heimwee. De laatste zin van dit citaat laat zien welke houding ik het best kan aannemen; in stille zekerheid reiken naar de Grote Stralen, naar de Liefde. Dit wordt in de werkboeklessen hierna uitgewerkt in de vorm van een soort gebed dat we gedurende vijf dagen onveranderd mogen absorberen (361-365):
Ik houd de dingen graag zelf in de hand. Dit maakt samenwerken met anderen lastig zeker omdat ik snel vind dat het op mijn manier eigenlijk toch wel wat beter gaat. Misschien is “control freak” een iets te forse omschrijving maar ik zit er toch wel (erg) dicht tegen aan. Ik compenseer dit trekje gelukkig enigszins door m’n luiheid die me verhindert om echt alles zelf te willen doen. Het wordt vooral heel vervelend als ik me afhankelijk voel van anderen of instanties en op hen moet wachten voor iets. Voorbeelden zijn het wachten op de acceptatie door een hypotheekverstrekker voor ons nieuwe huis en nu, iets actueler, de uitspraak door het UWV over een WIA uitkering. Dit zijn processen die maanden duren en waarin ik me overgeleverd voel aan de genade van logge instanties. En omdat ik hier moeite mee heb kun je één ding al van te voren zien aankomen; alsof de duvel ermee speelt duurt het altijd veel langer dan gewenst voordat ik te horen krijg wat ik graag wil horen, namelijk dat ik me niet langer zorgen hoef te maken.

Gisteravond belde PostNL aan met slechts één doos wijn onder de arm in plaats van de bestelde twee dozen. “Hé, weet u zeker dat u maar één doos voor me heeft?” Jawel, de natgeregende bezorger wist het zeker en sprong weer snel in zijn bestelbus. Getverderrie, heb ik hier misschien een mailtje over gehad? Nee dus. Irritatie. Nou ja, dan zal ik morgenochtend maar even bellen en ik hoop maar dat het geen welles nietes discussie gaat worden want daar heb ik geen zin in maar gelukkig heb ik niks getekend (bezorgdheid = angst). Vervolgens komt daar, zoals zo vaak met enige vertraging, het besef dat ik me onevenredig druk maak om zoiets ‘kleins’. Dit gaat toch helemaal nergens over? Man, doe toch even rustig en verbeeld je toch niet van te voren allerlei dingen en rampscenario’s. Jeetje, dit slaat echt helemaal nergens meer op.