Verlichting vasthouden?

imageOp eens is daar het wonder waar de Cursus over spreekt. Een omkering van het perspectief waarbij het geloof in het ego-voor een seconde wordt losgelaten. Je beseft dat dit is waar het om gaat, wat een zegen! Het ego weet niet wat er gebeurt maar eigent zich de opluchting direct toe. Wat deed ik precies om dit te ervaren en, belangrijker, wat moet ik doen om dit nog eens, of vaker of altijd te ervaren? Bereiken, vasthouden, consolideren, uitbreiden; dit is de vaktaal van het ego.

Zie dit glimlachend aan voor wat het is: geloof in afscheiding gevolgd door angst. Je gelooft namelijk dat er een afgescheiden ikje bestaat die nu wat bereikt heeft. De kans bestaat dat je bent gaan geloven dat er iets bijzonders is gebeurd wat jij toch maar mooi voor elkaar gebokst hebt. Misschien meen je anderen te moeten gaan uitleggen hoe ze dit ook voor elkaar kunnen krijgen en voel je je hierdoor heel speciaal, een spiritueel ego.

Verlichting is onze ware aard als Zoon van God. Slechts de spartelende pogingen van het ego, geboren uit angst, lijken het licht te verduisteren. Maar het licht is de Wil van God en daarmee jouw diepste Wil want er is geen plek waar God eindigt en de Zoon begint.
In het Handboek voor leraren staat bij de eigenschappen van Gods leraren, en dat zijn we allemaal, het woord ‘vertrouwen’ centraal. De uitkomst staat vast omdat deze er al is: Liefde. Het enige wat we echt kunnen ‘doen’ is de realisatie van deze Liefde nog even tegenhouden door flink te spartelen en druk te doen. Neem dat niet te zwaar als je het ziet gebeuren. Glimlach om jezelf en zeg slechts: mijn grieven (verslaving aan het geloof in vormen, gebeurtenissen, lekkere gevoelens) verbergen het licht van de wereld in mij. Maar ik vertrouw op Liefde want deze is gegeven alle macht in de denkgeest en in mijn projecties. God, hier ben ik, uw wil geschiede nu en in eeuwigheid. Amen.

Ontkiemen in liefde

imageHet valt me op hoe direct na het wakker worden de aandacht gevangen wordt door de dagelijkse rompslomp. Lichamelijke ongemakken vragen en krijgen even de aandacht. De komende dag werpt zijn schaduw vooruit. Het bewustzijn wordt vernauwd. De aandacht zwemt een fuik in. Een soort tv-scherm in mijn hoofd floept aan en overheerst alles met flitsende en schreeuwende kleuren. Ik lig er in mijn bedje gefascineerd en letterlijk geboeid naar te kijken. Het voelt als een sleur. Onvrij.

Ik klik de iPAD aan en lees de werkboekles van vandaag. Liefde schiep mij als zichzelf (67). Wat doet dit met me? Weinig. Ik moet denken aan een gelijkenis uit de Bijbel. Het Woord van God valt nu bij mij op harde grond met veel onkruid. Het zaadje kan geen wortel schieten en blijft gesloten liggen. Dit moment wordt nu wat sneller herkend. Het is mijn weerstand om écht te luisteren naar de werkboekles. Ik weet dat deze, gek genoeg, voortkomt uit angst. Angst om mijn aandacht af te wenden van de beelden van de ego-film. Die film bevat mijn vertrouwde leven en geeft me de schijnzekerheid van een ego te zijn.

Weer richt ik me tot de werkboekles. Rustig herhaal ik deze en ik probeer wat beter te luisteren. Ik weet dat ik nu niet moet gaan proberen te vechten tegen gedachten en gevoelens die er gewoon zijn. Daardoor word ik namelijk als strijder direct onderdeel van dezelfde film. Langzaam kan ik genieten van de eenvoud, rust en liefde van de les: ‘Liefde schiep mij als zichzelf’. Het neemt wat tijd om hierin te kunnen verzinken. Het is mijn eigen aarzeling die me wat afremt. Ik glimlach om mijn weerstand en vertrouw de Liefde. Het zaadje ontkiemt. Nauwelijks zichtbaar maar zo subtiel.

Wel of geen pijn?

imageDe Cursus heeft veel te melden over ‘ziekte’. Als wij over ziekte praten dan gaan we gewoonlijk uit van een lichamelijke aandoening. Daar valt veel over te schrijven maar ik breng het nu even terug naar mijn eigen houding tegenover lichamelijk ongemak. Misschien herkennen jullie het wel. Als ik bijvoorbeeld last heb van hoofdpijn dan meen ik dat ik als goede student moet zeggen dat ik gefopt wordt. De gedachtegang hierbij is als volgt:

Ik projecteer een buitenwereld en een hierbij horend lichaam als gevolg van geloof in mijn schuldgevoel. Het is een vlucht uit de denkgeest en niet echt. Mij foppen ze niet! Ik hoef me niks aan te trekken van die hoofdpijn want deze bestaat niet echt. Het is slechts een illusie.

Klinkt plausibel, toch? In hoofdstuk 2 van het Tekstboek staat echter:

8Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. 9Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. 10Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. 11Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. ‘2De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. 13Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.

Als ik dus die hoofdpijn ontken dan ben ik niet handig bezig. Diep van binnen meen ik dat de kwaal wel degelijk echt is maar dat ik er vanaf kan komen als ik maar hard tegen mezelf roep dat het allemaal onzin is. Bovenstaand citaat stelt dat ik mijzelf als het ware de macht ontzeg om een mis-creatie (projectie) in de vorm van ziekte te maken. Natuurlijk is die geprojecteerde hoofdpijn niet echt, maar als ik dat te snel roep ontken ik dat ik er wel degelijk in geloof. Door zo de macht van geloof te ontkennen, zelfs binnen de illusie, ontstaat het gevaar dat ik ook de echte scheppende macht van God (of Liefde) ontken. Ik spoel als het ware het kind met het badwater weg.

De Bijbel zegt het heel mooi dat wij onze zonden eerst moeten belijden voordat God deze kan vergeven. Natuurlijk wordt hier binnen de orthodoxie mee bedoeld dat we echt iets slechts gedaan hebben en dat een duale God hier zo z’n mening over heeft. Maar ook binnen de Cursus is het goed als we eerst ‘belijden’ dat we wel degelijk onze illusie van lichamelijk ongemak serieus nemen en deze niet te snel ontkennen. Ons gebed zou als volgt kunnen luiden:

Lieve God, Liefde, Eenheid die ik ten diepste ben. Ik ervaar hoofdpijn en dit voelt heel echt voor mij. Ik geloof wel degelijk dat dit lichaam heel echt is en pijn kan doen. Ik begrijp een klein beetje dat ik hier gek genoeg voor kies omdat zelfs pijn de illusie van mijn afgescheiden ik-gevoel bevestigt. Het is moeilijk voor mij om dit geloof los te laten want ik ben gewend om er zo naar te kijken. In de Cursus staat dat ik niet dit lichaam ben maar Liefde maar eerlijk gezegd zie ik dit nog niet zo duidelijk. Wilt u me laten zien dat ik me, hoe raar het ook klinkt, wat vasthoud aan de pijn en me helpen om te geloven in uw Liefde. Deze heeft me geschapen als U Zelf en dat betekent dat ik in plaats van een gevecht tegen pijn ook vrede kan ervaren. Heer ik wil graag stil zijn en U vertrouwen.

Het is belangrijk dat ‘het doel’ van het gebed overgave is om vrede te ervaren en gelukkig te zijn. Het doel is niet direct het beëindigen van de hoofdpijn. Dit kan gebeuren of niet, maar in geen van beide gevallen hoeven we bang te zijn. We zijn gericht op vrede zonder de hoofdpijn te ontkennen. We kiezen voor de echt scheppende kracht van de denkgeest die gepaard gaat met vergeving en geluk.

Teder

imageIn ons dagelijkse denkbeeldige leven hangt de snelheid waarmee we iets leren af van ons talent en van onze inspanning. Denk bijvoorbeeld maar eens aan het leren van een sport als tennis. Balgevoel helpt en flink en vaak trainen ook. Het helpt zeker als we ook illusoire tijd besteden aan het bestuderen van de Cursus. Flink lezen in het blauwe boek, de werkboeklessen doen en bijeenkomsten bezoeken. Toch wil ik nog wel eens verzuchten dat het me allemaal niet snel genoeg gaat. Wat dat ‘het’ dan precies is wat niet snel genoeg gaat weet ik dan niet precies. En waar ‘het’ precies naar toe zou moeten gaan evenmin.

Langzaam echter begint het me (iets) duidelijker te worden wat nu feitelijk de denkbeeldige snelheid bepaalt. Denkbeeldig want ik (egootje Simon) kan dat helemaal niet beoordelen. Toch ontstaat er enige feeling met het feit dat onbewuste angst onzichtbaar aan de rem hangt om de ontmanteling van het ego te saboteren. Ik blijk een masochistische verslaving te vertonen aan het geloof in afgescheidenheid door lichamelijk plezier en genoegen serieus te blijven nemen. Tijdens vergevingsoefeningen wordt een tipje van de sluier opgelicht en blijkt vrede mogelijk door te kiezen voor die andere Stem. Toch doe ik dat maar mondjesmaat. Waarom? Omdat er een haast onwerkelijk gevoel ontstaat dat ik wel eens ‘the unbearable lightness of being’ noem. Een besef van ‘zijn’, open, kwetsbaar en heerlijk tegelijkertijd. Maar ook op een fijne manier eng. Dikwijls vlucht ik terug naar de ogenschijnlijke botte zekerheid van het dagelijks bestaan. Illusoir maar vertrouwd. Overgave aan Liefde vergt een dapperheid zonder held. Een je laten vallen in de armen van Hem. Geen prestatie maar een opengaan. Zo teder.

Gestolde angst

imageHet helpt om een beetje begrip te krijgen van de metafysica van de Cursus. Het kan je behoeden voor de vele trucjes die het ego met je probeert uit te halen. Zo leer je bijvoorbeeld dat je er voor kiest om je slachtoffer te voelen en waarom onze wereld zo doordrenkt is met het thema schuld. Je ziet wat je probeert de bereiken met je vele haat- en liefdesrelaties. Ga zo maar even door. Misschien doorzie je met deze kennis steeds sneller patronen binnen de illusie. Dat is mooi en er is niks mis mee. Maar toch. Toch kun je nog steeds het grootste deel van de dag in strijd zijn. In strijd met anderen, met de wereld en met jezelf. Je vecht als het ware nog steeds voor vrede. Anders gezegd; je doet je uiterste best om verlicht te worden. En dat is zo vermoeiend, weer ik uit eigen ervaring. Hoe kan dat toch? Waarom heb je het redelijk op een rijtje maar ervaar je niet de wonderstaat?

De reden is angst. Zolang je vecht, ook al is het voor vrede of verlichting, dan kun je je in ieder geval nog identificeren met de strijder. Als je de strijd niet blijkt te winnen en je gefrustreerd raakt ben je in ieder geval nog de uitgeputte en vermoeide strijder. Maar ‘gelukkig’ nog steeds met een fier overeind staand ‘ik gevoel’. Je kunt hier boos om worden maar het helpt mij om te zien dat ik er zelf voor kies om me strijder te blijven voelen. Steeds beter leer ik dat ik kies voor het aanvallende ego omdat het te eng is om te kiezen voor de liefde die altijd door ons heen stroomt. Ik kies ervoor om te geloven in de projectie van de vechtjas. Hij is het symbool van mijn gestolde angst.

De verslaving aan het ‘veilige’ ik-gevoel wordt duidelijk in mijn weerstand tegen stille tijd, ontspanning en meditatie. Ik weet dat dit weldadig is maar verzin smoesjes om de warme douche van ontspanning te ontlopen. Deze is soms vermomd als druk doende arrogantie: ‘ als ik wil kan ik wel even ontspannen maar nu even niet’. Lees: ik ben te bang en kies er voor druk te doen binnen de illusie.

Als je dit doorziet dan kun je tóch kiezen om te luisteren naar die zachte Stem van liefde. Als je gedachten blijven tollen en de ontspanning zich niet aandient mag je weten dat je het niet fout of schuldig bent maar slechts bang. Bezie jezelf als een angstig kind. Daar schreeuw je niet tegen en je bedreigt het niet. Je zegt slechts met geduld en liefde ‘rustig maar lief kind van God, wees niet bang. Liefde stroomt reeds door je heen, kijk maar’. Vertrouw op de Wil van God die zeker zal zegevieren omdat het niet anders kan. De liefde die je bent zal altijd bovenkomen omdat je niet eindeloos kunt blijven werken om weg te lopen en te vechten tegen je ware aard. Je hoeft niks te bereiken maar alleen niet in de weg te lopen door te vechten. Paulus schreef in de Bijbel over deze liefde:

[1] Al spreek ik de taal* van mensen en engelen – als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. [2] Al heb ik de gave van de profetie, al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen zou kunnen verzetten – als ik de liefde niet heb, ben ik niets [3] Al deel ik al mijn bezit uit, al geef ik mijzelf prijs om mij daarop te kunnen beroemen* – als ik de liefde niet heb, helpt het mij niets.

De Cursus neemt de angst weg. Je hoeft de liefde niet te vinden want de liefde is er al en schijnt door je heen, zoveel als we durven. Je bent gezegend, Zoon van God.

Een klein kiertje.

imageDe Cursus vormt een wonderlijke combinatie van zeer radicale uitspraken over hoe wij de Liefde verduisteren met onze aanvalsgedachten en milde liefdevolle aanwijzingen hoe we hiermee om kunnen gaan.  Als voorbeeld van zo’n radicale uitspraak een stukje uit de werkboekles van vandaag:

Wat ik zie is een vorm van wraak.

De wereld die ik zie, is beslist niet de weergave van liefdevolle gedachten. Ze is er een beeld van hoe alles alles aanvalt. Ze is allesbehalve een weerspiegeling van de Liefde van God en de Liefde van Zijn Zoon. Het zijn mijn eigen aanvalgedachten die dit beeld doen ontstaan. Mijn liefdevolle gedachten zullen mij verlossen van deze waarneming van de wereld, en mij de vrede geven die God voor mij heeft voorbestemd.

Dit is stevige taal. De Cursus geeft hier kort en krachtig aan wat onze situatie lijkt te zijn. We hebben de indruk dat we in een behoorlijk heftige wereld leven. Ruzie, oorlog, conflicten en ziekte zijn zaken waar we allemaal mee te maken hebben. We hebben geleerd dat wat we buiten ons menen te zien slechts een projectie is die voortkomt uit onze angst voor liefde, schuldgevoel over de denkbeeldige afscheiding, angst en de vlucht naar een denkbeeldig buiten, het lichaam in de wereld. Zo projecteren we de genoemde ellende die slechts een afspiegeling is van de angst en schuldgevoelens in onze denkgeest die we serieus zijn gaan nemen.

Dit is makkelijk gezegd maar hoe krijgen we feeling met dit soort radicale inzichten die zo ver van ons bed lijken dat het aanvankelijk klinkt als een bizarre theorie? Hoofdstuk 30 van het Tekstboek biedt in het begin een liefdevol stappenplan dat rekening houdt met onze onbewuste angsten en de daaruit volgende kleine bereidheid om goed te kijken waar alle ellende nou echt vandaan komt. Als je de narigheid ziet heb je onbewust besloten vreemde dingen te geloven. De tekst wijst er vriendelijk op dat het resultaat hiervan, de ellende die je echt meent te zien, in ieder geval iets is waar je niet vrolijk van wordt. Dit is niet wat je wilt:

Herinner je nogmaals wat voor dag je wilt, en onderken dat er iets gebeurd is wat daar geen deel van uitmaakt. Besef dan dat je op eigen gelegenheid een vraag gesteld hebt en op eigen voorwaarden een antwoord moet hebben geformuleerd. Zeg dan:

Ik heb geen vraag. Ik ben vergeten wat ik moet beslissen.

Wat liefdevol en wijs geformuleerd! Wij stellen per definitie de verkeerde vragen omdat ze allemaal gebaseerd zijn op wat we menen te zien en denken nodig te hebben. We slikken nu eens onze eigen vragen en bijbehorende oplossingen in en erkennen slechts onze eigen onwetendheid; ik weet niet wat ik moet vragen  en ik weet alleen dat ik me nu niet fijn voel:

Op zijn minst kan ik besluiten dat ik niet prettig vind wat Ik nu voel.

En dus hoop ik dat ik ongelijk heb.

De tekst spreekt over een piepkleine opening in onze vastgeroeste manier van kijken. De kleine bereidheid om onze eigen-wijsheid te parkeren:

Ik wil hier op een andere manier naar kijken.

We openen ons voor Zijn blik, Zijn liefdevolle visie.

Misschien is er een andere manier om hiernaar te kijken. Wat kan ik verliezen als ik daarnaar vraag?

We worden uitgenodigd om heel voorzichtig, met veel aarzeling de deur op een klein kiertje te zetten. Onze herhalingsles van vandaag zegt het als volgt:

Ik ben bereid de Gids te volgen die God mij gegeven heeft om te ontdekken wat werkelijk mijn hoogste belang is, omdat ik inzie dat ik dit niet uit mezelf kan zien.

Een klein beetje bereidheid is alles wat gevraagd wordt! Wie kan dit weigeren, wie kan hier moeite mee hebben? Het antwoord van de Liefde staat vast. Er is geen wispelturige God die nu eens achter de goddelijke oren krabt en denkt “wat zal ik vandaag eens doen?” God kan niet ontrouw zijn aan Zijn Eigen Wil om Liefde te delen als wij de deur op een klein kiertje zetten. Probeer maar. Wat een zegen!

imageDe herhalingsles van vandaag wijst op de eenheid. Lees bijvoorbeeld maar eens de tekst achter “Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn gedachten”

Het viel me op hoe het ego telkens de uitspraken uit de Cursus naar zich toe trekt. Van de zojuist geciteerde zin maakt het ego: “als ik kwaad ben zorg ik er voor dat andere mensen ook kwaad worden maar als ik lief ben roep ik liefde op in andere mensen”. Dat klinkt best wel holistisch en spiritueel en binnen de droom klopt het ook wel een beetje. Toch begeven we ons via deze denklijnen makkelijk op glad ijs want heel snel besluiten we dat we dat ik en jij echt zijn en dat we verantwoordelijk zijn voor de gevoelens van andere mensen. Zodra we ons afgescheiden en verantwoordelijk voelen ligt het schuldgevoel op de loer. “Hé, ik doe het niet goed en zuig andere mensen mee in mijn negativiteit”. We maken van onszelf het afgescheiden centrum van het universum dat verantwoordelijk is voor alles en iedereen om ons heen.
Maar vindt de Cursus dit dan ook niet? Ik ben het toch die de projecties maak en daarmee word ik toch automatisch verantwoordelijk? De adder onder het gras is dat we er hierbij steeds van uit gaan dat er een “ik” bestaat die ook nog eens kan besluiten wat hij gaat projecteren. Ik zou kunnen kiezen voor het maken van positieve of juist van negatieve gedachten. Dit is haast een vorm van grootheidswaanzin.
Toch staat in het Cursus-citaat “mijn gedachten”. Hoe zit dat dan? Deze “mijn gedachten” zijn gedachten waarmee ik me identificeer. Als er een gedachte van boosheid voorbij drijft in bewustzijn dan is er helemaal niks aan de hand. Zoals alles in de denkbeeldige buitenwereld zijn gedachten op zich neutraal. Wij geven zelf betekenis aan wat we menen waar te nemen. Pas als ik een gedachte serieus neem en hem mij toe-eigen heb ik er geloof aan gehecht en besluit ik dat ik boos ben. En eerlijk gezegd doet het ego dit dolgraag. Het vindt het heerlijk om zich te identificeren met gedachten omdat het hiermee zijn denkbeeldige “ik-zijn” bevestigt. Tolt het al een beetje? Dan terug naar het Cursus-vervolg na het genoemde citaat:
“Ik ben in niets alleen. Alles wat ik denk, zeg of doe onderricht heel het universum. Een zoon van God kan niet vruchteloos spreken of handelen. Hij kan in niets alleen zijn. Het ligt daarom in mijn macht om ieders denken tezamen met het mijne te veranderen, want aan mij is de macht van God.”
Weer raakt het ego in de war. Hier staat toch wel degelijk dat ik denk (zeg of doe)? Zie je wel, ik kan toch denken. En het ego zwelt nog verder op want “mij is de macht van God”. Dan maar even terug naar Werkboekles 4: “Deze gedachten betekenen niets”. En de zin die hierna staat illustreert wat ik eerder schreef: “De gedachten waar ik me van bewust ben, betekenen niets omdat ik probeer te denken zonder God. Wat ik “mijn” gedachten noem, zijn niet mijn werkelijke gedachten”.
En dit brengt ons op het spoor van “werkelijke gedachten”. Wat zijn dat voor gedachten? Hoe moet ik die denken? Wat wij onze gedachten noemen zijn een soort geestelijke schijnbeelden met een bepaald vorm. Ze hebben de denkbeeldige dimensies ruimte en tijd nodig om te kunnen bestaan. Het zijn wolkerige flarden waaraan we vastgeplakt lijken te zitten. Dat is die identificatie waar ik het over had. Nogmaals; wat zijn dan gedachten die ik denk met God? Zijn dat vriendelijke gedachten? Gedachten over vrede en liefde? Bijna. Deze kwaliteiten zijn de afspiegelingen van Gods gedachten in onze gelukkige droom. Maar Gods gedachten gaan ons voorstellingsvermogen te boven. Ze zijn eeuwig, vormloos en worden opgemerkt als wij ervoor kiezen om de flarden van gedachten in onze geest niet langer te geloven. We hoeven deze flarden niet weg te drukken maar we gaan er niet meer in mee. En daarin zit hem de crux. We hebben niet echt de macht om de gedachten te denken die we willen denken maar wel om de gedachten die we voorbij zien komen al dan niet te geloven, serieus te nemen. En als we het geloven van deze  beelden achterwege laten en ons rustig openstellen voor een ander geluid, dan verschijnt er vanzelf de kwaliteit van vrede. Dan valt die vraag over het beïnvloeden van “anderen” met “onze gedachten” weg. Want in die stilte worden gedachten niet serieus genomen en vallen het ik-gevoel en denkbeeldige grenzen tussen jou en die ander weg. Dan groeit het besef hoe de openingszin bedoeld is: “Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn gedachten”. Want je ziet dat de hemel open gaat, nee, al open was, en dat het licht schijnt op alle denkbeeldige vormen. Dan laat de zin zich als volgt begrijpen: het geloof in mijn gedachten bevestigde slechts de illusie van ik versus jij. Nu ik dit geloof loslaat en me open stel voor liefde wordt er gezien dat er geen grens bestaat tussen ik en jij. Dat we waarlijk één zijn en verbonden in Liefde. En de aard van Liefde is dat zij zich uitbreidt. En daar kunnen we vanuit ons duale denken niet meer bij. Schepping.

Gewoon wat mijmeringen..

imageWat liggen het klassiek Christelijk geloof (chr) en de Cursus dicht bij elkaar en wat zijn ze toch verschillend! Bij chr bidden we tot onze geliefde verlosser Jezus. We denken hierbij dat zowel wijzelf als Hij echt en van elkaar onderscheiden zijn. Bij de Cursus bestaan we niet echt (ons ego is een illusie) en wenden we ons ook tot Jezus. Hoewel we weten dat de non-duale Cursus stelt dat er geen aparte godheid buiten ons is, mogen we in eerste instantie toch Zijn (denkbeeldige) hand pakken.

Zowel bij chr als bij de Cursus stellen we ons Jezus voor als liefdevol. Bij chr geloven we dat onze echt bestaande ikjes zondig zijn en ten dode opgeschreven. Tenzij we de kruisdood van Jezus aanvaarden als plaatsvervangend offer. Dan zal ons sterfelijk lichaam ooit worden getransformeerd tot een onsterfelijk, maar nog steeds afgescheiden, lichaam. Eeuwig leven als een verheerlijkt lichaam in de hemel. Bij de Cursus leren we dat ons illusoire lichaam inderdaad ‘sterfelijk’ lijkt maar dat dit lichaam helemaal niet bestaat. Het is slechts een projectie die serieus genomen wordt. Door op Jezus (liefde) te vertrouwen ervaren we steeds meer dat dit niet zo maar een theorietje is, maar een levende ervaring.

Als we problemen ervaren in de wereld dan vragen we zowel binnen chr als binnen de Cursus om hulp. Bij chr denken we dat alles echt gebeurt en mogen we gerust vragen of Jezus (of God) daadwerkelijk ingrijpt in de materie (bijvoorbeeld bij een lichamelijke genezing). Binnen de Cursus vragen we hulp om te zien dat ons zogenaamde lijden denkbeeldig is. Dat we het bedenken om ons afgescheiden te kunnen voelen. Bevrijding van geloof in de illusie is onze genezing.

Bij chr zien we vervelende mensen buiten ons. We menen dat ze ons echt iets aangedaan hebben maar we zijn bereid om ze het niet langer aan te rekenen. Ze zijn dus écht fout, maar zand erover. Zo denken we ook over ons zelf; we zijn écht fout maar Jezus’ bloed erover. Binnen de Cursus praten we ook over vergeven. Maar hier leren we dat er geen anderen mensen bestaan die ons denkbeeldige ik kunnen aanvallen. Zowel zij als wij zijn beelden in dezelfde denkgeest die we serieus zijn gaan nemen. Er is niks gebeurd dus er zijn geen zondige anderen. Ook geen zondig ‘ik’ trouwens. Als we onze beschuldigende houding loslaten omdat we niet langer hoeven te zoeken naar een zondebok buiten ons spreekt de Cursus van vergeving. Ons ikje krijgt dit zelf niet echt voor elkaar want die kan, per definitie, alleen maar denken in termen van ik en jij. Vergeving is een functie van Liefde en wordt zichtbaar als we met ons denkbeeldige ikje uit de weg stappen.

Klassiek Christelijk denken sluipt makkelijk de Cursus binnen. Zoals gezegd stellen we ons dan (voorlopig) God, Jezus of de Heilige Geest nog voor als iets buiten onszelf. Dit ‘onszelf’ nemen we dan terloops nog serieus. We hopen er stiekem op dat ruzies en ziektes verdwijnen als we wat meer ‘verlicht’ raken. We vergeten dan dat het niet gaat om veranderingen in de ogenschijnlijke buitenwereld maar om het oplossen van geloof in illusies in de denkgeest. De Cursus is hierin mild en liefdevol. Eerlijkheid is een sleutelrol. Zolang we menen dat we hier op aarde rondlopen en hard moeten studeren hechten we kennelijk allemaal nog tenminste enigszins geloof aan een dualistisch wereldbeeld. Aan een ikje dat zijn of haar best doet om God (liefde) te bereiken.

Als ex klassiek Christen zie ik wel een verschil. Hoewel ik toen meende gered te zijn door mijn geloof in Jezus was ik toch altijd bezig om zo goed mogelijk te leven. Er kwam denkwerk en Bijbelstudie aan te pas om de vraag WWJD (what would Jesus do?) te beantwoorden in een poging om dit na te doen. De Cursus is, althans in mijn beleving, wat mystieker. Er is meer sprake van verstilling en overgave. Het zoeken naar het juiste gedrag (vorm) is verdwenen. Loslaten, luisteren, overgave, vertrouwen en verwondering spelen een grotere rol. En dankbaarheid. Ja, vooral dat.

Rustig aan beginnen?

imageVandaag de eerste herhalingsles (51). Het valt me weer op hoe zeer de Cursus direct met de deur in huis valt. Deze les gaat over dat wat we menen te zien en te denken. Je zou verwachten dat de Cursus haar radicale zienswijze rustig zou introduceren. Zoiets als:’ onze ogen geven ons niet altijd een betrouwbaar beeld van de buitenwereld’ en ‘we kunnen ons met ons denken makkelijk vergissen’. Maar niks daarvan. De Cursus hakt er reeds bij de eerste Werkboeklessen stevig op los. Vrij vertaald: wat we menen te zien en te denken slaat totaal nergens op. We nemen hier kennis van en denken zoiets als ‘tjonge jonge; het is wat zeg!’ en gaan over tot de orde van de dag.

De implicaties zijn echter duizelingwekkend. Als je de Cursus al een keer gedaan hebt dan weet je waar ze uiteindelijk naartoe gaat en heb je kans dat de lessen wat dieper binnenkomen. Je begrijpt dan dat de Cursus reeds in het begin jou als waarnemer en denker totaal niet serieus neemt. We zitten we met onze waarnemingen en gedachten niet zo maar een beetje naast. Het is veel fundamenteler dan dat. We hebben waarnemingen en gedachten bedacht (geprojecteerd) met een duidelijk doel. Het doel is dat we door waarnemingen en gedachten kunnen geloven dat we een waarnemer en een denker zijn. Dat we een afgescheiden ‘ikje’ zijn dat echt bestaat.

Het liefdevolle van de Cursus is dat ze begint waar we menen te zijn. We denken dat we rond gluren in de buitenwereld en daar eens rustig over na kunnen denken. En de eerste werkboeklessen hakken de stam van deze illusie net boven de grond af. De wortel, het geloof in een denkbeeldig ikje, wordt ogenschijnlijk nog even ongemoeid gelaten. Toch werken deze lessen wel degelijk diep door. Want door de effecten van onze projecties (onze waarnemingen en gedachten) te diskwalificeren als gekkigheid wordt de oorzaak hiervan (geloof in afgescheidenheid) ook op de helling gezet. In het tekstboek wordt erop gewezen dat een echte oorzaak (God) een echte effect heeft (de Zoon van God). Maar deze oneindige Liefde (eenheid) heeft geen vormpjes (dingen in een zogenaamde buitenwereld of gedachten) geschapen. Dit zijn slechts de miscreaties van van onze denkgeest. Deze miscreaties worden aangeduide als valse getuigen. Al onze zintuiglijke waarnemingen en ons tijd- en ruimte gebonden gedachten hebben we zelf geprojecteerd en serieus genomen omdat we graag gefopt willen worden. We willen graag geloven dat we als afgescheiden ikje kunnen waarnemen en denken. Waarom willen we dat zo graag?
Omdat we het eng vinden om het besef binnen te laten dat we de onbegrensde, tijdloze Zoon van God zijn. We geloven dat het loslaten van de identificatie met ons denkbeeldige ikje onze dood zal betekenen. Daarom vluchten we in de projectie van ons lichaam en de buitenwereld.

Wat zo fijn is met de Cursus is dat ze weet dat we angsthaasjes zijn. Ze weet overigens ook dat deze haasjes helemaal niet bestaan. Dat ze slechts droomfiguurtjes zijn. Door de werkboeklessen wordt er gerammeld aan ons geloofsysteem. Als we onbewust heel bang zijn dan gaan we een klein beetje mee in de radicaalheid van deze eerste lessen. Naarmate we leren dat het niet de dood is die op ons wacht maar juist het eeuwige leven, durven we de lessen dieper te laten doordringen in de denkgeest. Goddank dat de Cursus zo’n dik boek is en dat we zoveel herhalingen aantreffen. Wat kent God ons goed. Hij kent ons als Zichzelf.

Goed ons best doen?

141104-Tammo_en_Trui-we_doen_ons_best-v02We kunnen van alles leren. Op school leren we allerlei basisvaardigheden zoals lezen en schrijven.  Vervolgens leren we een beroep. En we kunnen eindeloos doorgaan met het volgen van cursussen. Wil je Zweeds leren? Doe een taalcursus, ga flink oefenen en ga bij voorkeur tussen de Zweden wonen. Na enkele jaren kun je je waarschijnlijk aardig redden in een vreemde taal.

Stel je nu eens voor dat het LOI een cursus op 1 april “vliegen gelijk een vogel, zonder hulpmiddelen” aanbiedt. Ze hebben er een handige marketeer op gezet die mooie beloftes doet: “slechts na 6 maanden zult u met niets dan uw eigen lichaam hoog boven de weilanden zweven waarbij u met rustige armbewegingen het luchtruim doorklieft”. Het zal duidelijk zijn dat u hier geen 500 euro voor zult betalen, zelfs niet als u in termijnen mag betalen.

Waarom trapt u hier niet in? Omdat u weet dat uw lichaam niet gebouwd is om te kunnen vliegen. U kunt een lange aanloop nemen en wild flapperen met uw armen maar het gaat hem niet worden. Waarom dit wat flauwe voorbeeld? Omdat we makkelijk in dezelfde valkuil stappen bij ons streven naar verlichting. We denken dat we met een Cursus en een flinke inspanning uiteindelijk wel verlicht kunnen worden. Gewoon een kwestie van lang studeren en flink oefenen. Precies zoals we gewend zijn uit ons school- en opleidingsverleden.

Ik betrap me erop dat ik er ook zo tegenaan kijk. Dagelijks een stukje lezen, er goed over nadenken, stille tijd en natuurlijk trouw de Werkboeklessen doen. En als het in één jaar niet lukt dan begin ik gewoon opnieuw. Volhouden is het motto. Er is een onuitgesproken gedachte dat ik het op een gegeven moment allemaal zal doorhebben. Ik stel me dat ultieme inzicht onbewust voor als een soort Conclusie met een hoofdletter C. “Aha, zo zit het dus. Fijn dat ik het weet, nu zal ik het eens aan m’n broeders en zusters uitleggen” En vervolgens schrijf ik dan stukjes over God, liefde, projecties en vergeving. Wat abstracter geformuleerd denk ik dat ik uiteindelijk de waarheid wel zal begrijpen. Dat ik het door zal hebben en dat het kwartje wel zal vallen.

En dan die Cursus. Bijvoorbeeld Werkboekles 10: Mijn gedachten betekenen niets. Tsjakka. Lekker dan. “Dit idee zal helpen mij te bevrijden van alles wat ik nu geloof”. Het is pijnlijk verfrissend om zo even op je nummer gezet te worden. De arrogantie van het ego wordt stevig onderuit geschoffeld. Het gaat er niet om een kloppend intellectueel bouwwerk in elkaar te draaien:

De leerstof die de Cursus aanbiedt is zorgvuldig samengesteld en wordt stap voor stap uitgelegd, zowel op theoretisch als op praktisch niveau. Hij legt de nadruk op toepassing in plaats van theorie en op ervaring in plaats van theologie. Hij stelt uitdrukkelijk: ʹEen universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk (VvT. In.2:5)

 “Een universele theologie is onmogelijk..”.  Daar ga je dan met je alomvattende Conclusie. Zoals een echt ego hoort te doen ontstaat de neiging om dan maar het roer 180 graden om te gooien. Weg met het denken en de logica. Het gaat niet om de juiste “gedachten” maar om de juiste “gevoelens”. Anders gezegd; het gaat er niet om of het “klopt”, zolang het maar goed voelt. Daarover staat in Hoofdstuk 19 (IV) een aardig stukje:

Waarom zou het lichaam voor jou iets moeten betekenen? 2Zeker is, dat waarvan het is gemaakt, niet kostbaar is. 3En even zeker is dat het geen gevoel bezit. 4Het brengt jou de gevoelens over die jij wenst. 5Zoals elk communicatiemiddel ontvangt en zendt het lichaam de boodschappen die het krijgt. 6Het heeft er geen gevoelens over. 7Alle gevoel waarmee ze zijn bekleed, wordt door de zender en de ontvanger eraan gegeven.

Dat lijkt niet op te schieten. Mijn gedachten betekenen niets en mijn lichaam brengt mij slechts de gevoelens die ik wens. Dus ik kan mijn best doen om de juiste gedachten te denken en de juiste gevoelens te voelen maar het brengt me op zich niet dichter bij de fel begeerde verlichting. Net zo min als het wapperen met mijn armen en de flinke aanloop me helpen om het luchtruim te kiezen. Het ikje dat zo dapper zijn best doet om er iets van te maken heeft gewoonweg niet de kwaliteiten om de waarheid te bemachtigen. Zoals een mens niet de vleugels heeft om te vliegen zo heeft het ego niet de mogelijkheid om de waarheid te begrijpen, hoezeer het ook z’n best doet.

Wat dan? Waarom dan toch die Cursus? Wat kan ik dan doen? In feite is de Cursus een boek dat ons leert dat we geen vogel zijn en dus niet kunnen vliegen. We kunnen stoppen met rennen, zwoegen en met de armen flapperen. Daar staan we dan. Ik kan verlichting nooit bereiken hoezeer ik ook m’n best doe. Lullig, op z’n zachtst gezegd. Maar dan dat wonderlijke. Want wat kunnen we wel? Laten we daar eens mee beginnen (en eindigen). We kunnen leren dat we het niet kunnen. We kunnen zien dat het bedenken van fraaie theorieën en het nastreven van lekkere gevoelens niet fout zijn maar ons ook geen steek verder helpen. Ze zijn namelijk slechts bedoeld om de illusie te versterken dat er een “ons” bestaat die vooruit zou kunnen komen. En juist deze inspanningen, deze pogingen creëren een  “zware illusie” die niet kan vliegen. Geloof in onze gedachten en gevoelens als bewijs van ons “ik-zijn” maakt ons tot een denkbeeldig zwaar persoon die niet los kan komen uit de modder van onze denkbeeldige wereld.

Is er dan geen hoop? Oh jawel, maar niet voor ons ego. Momenteel lezen we prachtige werkboeklessen die stralen van het licht. God is mijn kracht. Visie is Zijn geschenk (42). God is mijn Bron. Los van Hem kan ik niet zien (43). God is het licht waarin ik zie (44). God is de Denkgeest waarmee ik denk (45). Wat een tegenhanger voor “ik ben sterk, en krijg het door. Ik red me wel en zie het scherp. Ik snap het nu, denk ik”. Wat een opluchting. We mogen studeren om door te krijgen dat ons denken  niets voorstelt. We mogen gevoelens voelen om te leren dat dit getuigen zijn die we niet langer hoeven te geloven. En dan ontstaat de Heilige relatie, de gelukkige droom. Er is nog steeds een licht gevoel van “ik” maar de grenzen vervagen en het lijkt of we af en toe een stukje vliegen. Totdat… Totdat er een Belofte in vervulling zal gaan waar ons denken niet meer bij kan. Een universele ervaring. Want als we alle grond onder de voeten lijken te hebben verloren dan is alle zwaarte verdwenen. We vliegen, hoewel deze metafoor hopeloos tekort schiet, want “we” vervaagt en woorden schieten nu tekort. Er is alleen dankbaarheid. Liefde in Hem.