t=0, de film begint

IMG_0672

Als ik wakker word in de ochtend dan is de film gestart. De droomfilm met daarin de illusie van een ikje en een buitenwereld. Er vindt direct een inventarisatie plaats. Waar ben ik, hoe voel ik me en wat ga ik vandaag doen? Vanaf dit denkbeeldige startpunt, t=0, zal de dag zichzelf gaan uitrollen.

Kan ik even wachten? Kan ik de vormloosheid nog even intact laten? Deze nog ongedefinieerde eenheid is mijn erfgoed, dit is de Naam van God en de mijne. De droomfilm gaat van start zodra het geloof heeft postgevat dat ik een lichaam ben. Bij dat woord lichaam moeten we ruimer denken dan aan ons velletje met daarin vlees en spieren. ‘Ik ben niet een lichaam’ wil zeggen dat er geen enkele vorm van ikje is. Dus ook geen gevoels- en gedachten-ikje. Totaal geen begrenzing en slechts stilte. Geen doodse stilte maar een trillende, haast energetische bron van mogelijkheden. In deze stilte kunnen we ons ware Huis weer ervaren.

Maar natuurlijk komt na t=0 toch steeds weer die t= 1 seconde en loopt de film alweer. Vanaf dat moment kunnen we niet meer ervaren in termen van ‘zijn’ maar is ons ikje bezig in termen van doen. Wat dan? ‘Doe’ dan dat ene dat de droom niet versterkt: vergeef. Hoe? Door ontslag te nemen als je eigen leraar en samen met Hem te kijken naar anderen en naar wat ze bij je lijken op te roepen als keek je naar een deel van jezélf. Stop met geloven in ik-en-jij en besef dat je slechts gelooft in een ‘jij’ om jezelf ‘ik’ te kunnen voelen. Dat doe je door te geloven in de aai die de ander je geeft of door te geloven in de klappen die je krijgt. Vergeef. Doorzie je eigen Goddelijke spel, de film die je maakt, van ‘Ik in de wereld’. Er is alleen eenheid, God, liefde en dat ben Jij.

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij.
Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.

Ik lijk er slechts te zijn als ikje

Adam en Eva

In het begin was er de onbegrensde Goddelijke Denkgeest. Dit Onbegrensde wilde afgescheidenheid ervaren. God boetseerde derhalve uit Zichzelf een lichaam en blies dit lichaam adem in. Zo ontstond Adam, I am, het ik-gevoel. Gemaakt uit God, van het zelfde materiaal als God; namelijk liefde. Gestolde liefde in de vorm van een lichaam in het totaal van ongestolde liefde.

God wilde weten hoe het was om afgescheidenheid te kunnen ervaren en koos daarom voor de denkbeeldige grens van de gestolde liefde, het lichaam. Maar om dit helemaal echt te laten lijken diende er nog iets anders te zijn. “Het is niet goed dat mens alleen is”, anders is het goddelijk spel niet compleet. Dus uit zichzelf, uit de rib van Adam, schiep God Eva. Eva is gemaakt van exact hetzelfde materiaal als Adam dus van gestolde liefdesenergie. Deze projectie moest plaatsvinden terwijl Adam sliep, hij mocht zich er tijdelijk niet van bewust zijn anders zou ik de illusie van afgescheiden het niet echt genoeg kunnen zijn. Nu meende Adam wakker te zijn geworden en naast zich Eva te kunnen zien. In werkelijkheid werd hij niet wakker en droomde hij de droom van afgescheidenheid. Dit doen wij nog steeds, we menen anderen om ons heen om ons heen te zien maar herinneren ons niet dat zij één zijn met ons. We herinneren ons niet dat de hele schepping van tijd en ruimte niets anders is dan een gedachte in de denkgeest.

Nu hebben we genoeg gespeeld en willen wakker worden. We willen weer erkennen dat Eva en ik dezelfde onbegrensde liefde zijn. En daarom moeten we naar haar, naar onze broeders, kijken en beseffen dat we op dat moment naar onszelf kijken. We moeten dwars door de denkbeeldige afgescheidenheid heen zien en opmerken: jij bent mij, er is geen grens. Ik heb jou geprojecteerd om alle ervaringen te kunnen voelen die optreden in de aanwezigheid van geprojecteerde anderen. Overigens niet alleen geprojecteerde andere mensen, maar de hele zogenaamde buitenwereld. Ik herken dat ik dit zo gewild heb, dat ik dit als God dit wilde dromen. Nu laat ik het geloof los, ik vergeef alles wat ik zie. En zo kan de ogenschijnlijk gestolde liefde weer vloeibaar worden en zichzelf ervaren als onbegrensd, als ruimte, als vrede.Laat ik een moment stil zijn en naar huis toe gaan.

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.

Zelfverwijt

zelfverwijt

Ik merk dat ik mezelf dikwijls iets kwalijk neem. Ik meen dan dat ik iets verkeerds gedaan heb of iemand verkeerd bejegend heb. Ongetwijfeld klopt dit ook binnen onze droom. Er is echter een ander aspect van dit zelfverwijt. Het bevat namelijk ook een verkapte vorm van arrogantie van het ego. Immers, als ik mezelf iets verwijt, dan meent mijn ikje dat het echt de macht heeft om iemand iets aan te doen. Het zou een echte dader kunnen zijn en ook echt slachtoffers kunnen maken. Binnen onze droomwereld is dit natuurlijk ook zo en dit stukje is niet bedoeld als een oproep tot asociaal gedrag. Laten we binnen de illusie toch vooral normaal blijven doen en waar mogelijk onze fouten herstellen of excuses aanbieden. Ik heb het hier echter over een ander niveau, over het niveau van het absolute, over onze ware Identiteit.

Als ik namelijk beweer dat ik in staat ben om iemand anders ten diepste iets aan te doen, dan beweer ik tevens dat de afscheiding echt heeft plaatsgevonden. Anders gezegd, ik beweer dat het me gelukt is om mezelf af te scheiden van God. Tevens beweer ik dat mijn projecties van een buitenwereld met daarin andere mensen ook echt zijn, zodat ik die werkelijk iets kan aandoen. Het is juist de kernboodschap van Jezus geweest dat er geen booswichten waren die hem echt zouden kunnen doden. Binnen de droom leek het er weliswaar op dat de mensenmassa die hem beschuldigde en de Romeinen die hem daadwerkelijk kruisigden echt schuldig waren. Jezus zag hier aan voorbij, hij zag dat zijn ware Identiteit als Zoon van God niet aan te vallen was. Hij liet onverkort zijn liefde stromen naar de mensen die hem geselden en naar de soldaten die de spijkers door zijn handen en voeten sloegen. Daarmee illustreerde hij dat er geen “anderen” zijn die de zoon van God iets kunnen aandoen.
Ook Petrus dacht dat hij iets heel ergs gedaan had, namelijk het tot driemaal toe verloochenen van zijn heer. Na de opstanding van Jezus zal Petrus verbaasd zijn geweest dat Jezus helemaal niet kwaad op hem was. Jezus zag namelijk dat er niets gebeurd was. Jezus kende de ware identiteit van hemzelf en van Petrus; onbegrensde liefde. Deze onbegrensde liefde kan zichzelf niets aandoen. Wij kunnen Jezus noch God beledigen en ook niet doden. De diepste werkelijkheid is dat er geen afgescheiden anderen zijn. Binnen de illusie kunnen we menen dat we de macht hebben om anderen te kwetsen maar daarmee miskennen we hun (en onze) ware Goddelijke aard.

Deze constatering is een grote belediging voor ons ego. Als ego menen wij wel degelijk macht te hebben om Jezus te kruisigen of anderen echt iets aan te kunnen doen. Het is dus schokkend voor ons als Jezus ons laat zien dat er niks gebeurd is en dat hij nog steeds leeft. Zo bezien is de kruisiging bedoeld als ultiem bewijs dat wij God en daarmee ook al Zijn Zonen niet kunnen aanvallen omdat wij ons nooit van de eenheid die wij zijn hebben kunnen afscheiden. Die macht hebben we helemaal niet. Het lukt ons gewoonweg niet om onszelf waarlijk schuldig te maken. Binnen de illusie: jawel. Hier is het hele systeem van rechtspraak, boete en schuld onze “realiteit”. Maar in werkelijkheid: nee, onmogelijk. Het evangelie is hierdoor een heerlijke bevrijding! Ons gevoel van zelfverwijt heeft klaarblijkelijk vooral een doel voor het ego. Het ego vindt het prachtig als wij onszelf schuldig voelen en daarmee de afscheiding met alle ellende erbij tot werkelijkheid verklaren. Jezus zegt ons nu in de Cursus dat er niks gebeurd is. Wij zijn geen ego dat kwaad kan doen. Wij zijn de heilige zonen van God zelf (WB191). Wat een bevrijding, wat een vrede.

Probeer het eens als je jezelf geselt met zelfverwijt. Kijk eerst of je, naar de droommens gesproken, iets moet herstellen of gewoon je excuses moet aanbieden. Als je daarna merkt dat het schuldgevoel aan je blijft kleven dan mag je dit ontmaskeren als truc van het ego. Merk dat het vanuit je kleine ikje nauwelijks lukt dit schuldgevoel simpelweg overboord te zetten. Je ego zal je vertellen dat dit ongepast is, het hoort niet, je moet jezelf blijven geselen. Kijk dan samen met Hem en wees bereid de arrogantie van het ego, je neiging om vast te houden aan het ik-bevestigende schuldgevoel, los te laten. Hij is daarbij onze Helper en ons Doel. Hij is ons ware, ons diepste Zelf.

Normaal doen

Normaal doen

In het oude testament geeft God aan Mozes de tien geboden. Het zijn wetten en richtlijnen die gaan over goed en fout gedrag. Wij kunnen de neiging hebben hier wat lacherig over te doen. De Cursus geeft immers ook geen richtlijnen over hoe we ons moeten gedragen. Wij kijken liever naar het nieuwe testament, voor zover we tenminste nog lezen in onze oude vertrouwde Bijbel. Maar is het zo gek om richtlijnen te hebben voor ons gedrag? Ik moet hier hierbij denken aan de woorden van Ken Wapnick, een groot leraar van de Cursus. Hij zei dat we vooral niet moeten vergeten om normaal te doen. Over wat dat “normaal doen” dan precies inhoudt, liet hij zich niet direct uit. Toch zit er in zowel het oude testament als in de woorden van Ken een houvast voor ons. Zolang we nog menen dat we ons in de illusie bevinden hebben we om te gaan met wat we hier tegen lijken te komen. We kunnen de neiging vertonen om te vroeg het standpunt van een ontwaakt mens in te willen nemen. We gaan ons dan zogenaamd onthecht gedragen terwijl we nog niet ontwaakt zijn. We krijgen dan een vreemde situatie; we leven nog niet direct vanuit liefde en menen dat we ons van niemand iets aan hoeven te trekken. Dit kan leiden tot ongeremd gedrag. Dit is niet zondig, maar het is ook niet bepaald liefdevol. Ik zal dit illustreren met een radicaal voorbeeld.

Op het “niveau één” van de cursus geldt dat het niet mogelijk is om gedood te worden of om iemand te doden. Een ontwaakt mens die vanuit liefde leeft zal dit ervaren als de hoogste werkelijkheid. Alles is één, alles is liefde. Iemand die niet ontwaakt is, en nog steeds geïdentificeerd is met niveau twee en zijn of haar ego, ziet deze wijsheid als een vrijbrief om te doden. Als iets of iemand ons in deze beperkte visie niet bevalt menen we dat we gerechtigd zijn om de hindernis op te ruimen. We houden onszelf hierbij voor dat er immers niks wezenlijks gebeurt. Maar kijk eens hoe geniepig het ego hierbij de liefde voor zijn haatdragende karretje spant. want zou een liefdevol mens de neiging hebben om uit eigenbelang iets of iemand uit de weg te ruimen?

In “het klein” kunnen we dit terug zien als we als Cursus student geen rekening meer houden met mensen die ons dierbaar zijn en rücksichtslos onze eigen gang willen gaan. Wij horen immers de Stem van de heilige geest! Daar moet alles en iedereen voor wijken. Natuurlijk beweer ik niet dat we niet naar die Stem moeten luisteren. Maar één ding mogen we zeker weten; de richting die de heilige geest ons wijst is liefdevol voor iedereen. Dat wil niet zeggen dat we alles op alles moeten zetten om het anderen naar de zin te maken. Nee, maar onze benadering van die ander zal wel degelijk liefdevol zijn. Niet aanvallend, niet met de bedoeling om te hakken of geweld te plegen maar een liefdevolle, open communicatie. Wat er verder gebeurt is niet ons pakkie-an. Als we de liefde door ons heen hebben laten stromen dan mogen we erop vertrouwen dat wat er ook binnen de illusie gebeurt, goed is. Dus laten we normaal blijven doen. Laten we niet uit zogenaamde liefde egoïstisch worden en onze oude vertrouwde fatsoensnormen met handen en voeten treden. Het kan fijn zijn om, zolang we niet helemaal wakker zijn, deze handvatten te hebben. “Normaal doen” kan heerlijk bevrijdend zijn en geeft ons menselijk bestaan reeds binnen de illusie een Goddelijke glans. Voed de hongerige, bied onderdak aan de dakloze en troost degene die treurt.

En binnen deze veilige grenzen van “de wet” mag de liefde opbloeien als een klein teder plantje en vrucht dragen. Een vrucht voor onszelf, en vrucht voor de ander.

Laten we spelen..

spelen

Woorden zijn maar symbolen. We hoeven ze dus niet zo serieus te nemen. Dus laten we spelen. Stel je voor dat je God bent. Niet schrikken! Het klinkt misschien wat blasfemisch maar is het niet meer godslasterlijk om te zeggen dat het je gelukt is om jezelf af te scheiden van God? Dus, jawel, je bent God. Oneindig bewustzijn, onbegrensde liefde. En dan wil je spelen. Je wilt spelen dat je wat ervaart. Dus projecteren maar! Om die projecties te kunnen maken heb je natuurlijk eerst tijd en ruimte nodig. Hopla, gemaakt en je zag dat het goed was. Nu moet er wel iets te ervaren zijn. En, oh ja, ook iemand die wat gaat ervaren. Projecteer dus maar een buitenwereld, andere mensen en als klap op de vuurpijl projecteer je ook je kleine zelf. Een zelf met gedachten, sensaties en gevoelens. Voor al dat kleiwerk gebruik je energie die je zelf als grondstof bedacht hebt. Alles bestaat ten diepste uit energie, soms lichte energie en soms wat zwaardere. In meer of mindere mate gestold. En nu kan het spel beginnen. Er lijkt van alles te gebeuren binnen dit spel.

Maar nu wil je stoppen met spelen. Je hebt ervaren wat je wilde en je bent het spel zat. Om het spel te kunnen spelen heb je deze gestolde energievormen even serieus genomen maar nu neem je alle vormen die je ziet niet langer serieus. Je kijkt er slechts naar, je ervaart het, je doorleeft het maar je neemt het niet meer voor werkelijk aan. Anders gezegd, je herinnert je weer dat je aan het spelen was en je lacht om alle vormen die je gemaakt hebt en nu voor je ziet. Je lacht om het slechte weer, om de slechte opmerkingen van anderen, en ook om de slechte ervaringen die je meemaakt. Uiteindelijk lach je zelfs om dat kleine ikje, dat klontje energie dat je tijdelijk nodig had om te kunnen ervaren. Je hoeft niets te verdringen want wat je ziet is immers niet echt.

Kijk slechts hoe deze vormen van gestolde energie hun grenzen opgeven. Ze vervagen nu en tijdens dit vervagen geven ze hun energie in de vorm van een weldadige warmte aan je terug. Deze warmte is liefde, dezelfde liefde waaruit je bestaat. En zo kom je weer thuis. Bij jezelf. Je herinnert je dat je aan alle vormen slechts tijdelijk een naampje had gegeven. Maar eigenlijk bestaan al die vormen slechts uit dezelfde substantie als jezelf; uit liefde. Het waren slechts vormen, afgeleide namen, van de oer-energie, van de ene Naam van God. En nu wordt alles weer één, onbegrensde liefde, vrede.

WB 184: De Naam van God is mijn erfgoed.

Met onze voeten in de modder

modderlaarzenLaten we onszelf niet voor de gek houden. We zijn er, als we eerlijk zijn, van overtuigd dat wat we meemaken in onze zogenaamde gewone wereld echt is. De Cursus zien we vervolgens als een manier om ons lijden iets te verzachten. Is deze zienswijze slecht, verkeerd of zondig? Moeten we ons ervoor schamen? Allerminst. Ik heb zelf veel aan woorden die ooit door de Cursus-leraar Ken Wapnick werden uitgesproken: “laten we binnen onze droom alsjeblieft gewoon blijven doen”.

Wat bedoelt hij daar, volgens mij althans, mee? Dat hoeven we niet zo ingewikkeld te maken. Het betreft heel gewone dingen. Als we hoofdpijn hebben dan mogen we een paracetamol nemen. Als we gekweld worden door depressieve gevoelens mogen we de hulp zoeken van een arts of psychiater. Als onze moeder in de verzorgingsflat slecht behandeld wordt dan gaan we praten met de verpleging of met de directie. Ga zo maar door.

Het is echter fijn voor onszelf als we ons midden in onze stormpjes en stormen de waarheid tenminste enigszins kunnen herinneren. Als ons bijvoorbeeld een Cursus-tekst te binnen schiet die ons een beetje uittilt boven het slagveld. Misschien lukt dat niet in de hectiek van het moment zelf. Wellicht misschien dan een paar uur, dagen of zelfs vele jaren later. Ik merk hier zelf een ontwikkeling in.  Als trage leerling duurde het gewoonlijk nogal even voordat ik enige vorm van bezinning over het gebeuren kon opbrengen. Eerst ging ik volledig kopje onder in de strijd en de daarbij behorende gevoelens van angst, agressie en schuld. Gelukkig is er een bescheiden verandering opgetreden. Ik krijg nu iets sneller in de smiezen wanneer ik me aan het verliezen ben in de illusie. Soms herinner ik het me nu in het moment zelf. Mij helpt het dat teksten van werkboeklessen me dan “spontaan” te binnen schieten. Het zijn teksten die in feite allemaal dezelfde kant op wijzen en die me confronteren met een vraag:

Geloof ik nu werkelijk dat mij- of een ander iets naars overkomt?

Stel jezelf deze vraag maar eens een paar keer in de loop van de dag. Voor mij werkt deze als een soort wake-up-call. Mijn antwoord is namelijk vaak: “jazeker!”. Ik geloof dan dat ik ergens last van heb, iets fout of juist goed gedaan heb, een onzekere tijd tegemoet ga enzovoort. Grootste gemene deler in al deze opvattingen is de basisaanname van een ikje dat van alles overkomt. En laat dat nou net de grote grap van de hele illusie zijn. Er is geen ikje in tijd en ruimte die van alles meemaakt en uiteindelijk een betere kwaliteit van leven gaat krijgen dankzij de Cursus.

Vervolgens, nadat het besef dat ik mezelf fop is binnengekomen, kan het makkelijk gebeuren dat mijn reactie is dat ik ga geloven dat ik wat ik aan ellende meemaak moet gaan weg-cursussen. Dit is wat Ken Wapnick dus abnormaal gedrag zou noemen: ik vind dat ik boven de pijn van mezelf en anderen moet staan en gebruik dit als argument om niks te doen en in feite als een soort apathische en onverschillige masochist weg te zweven. Wat laat dit zien? Dat ik nog steeds geloof dat het ikje van alles overkomt maar dat dit ikje niks hoort te doen.

Kortzichtigheid en tunnelvisie zijn hier kenmerken van. Immers, pijn en ellende van mezelf of van anderen worden gezien als speciale situaties die ik moet fiksen middels de Cursus. Ik zie niet dat deze zaken maar een topje zijn van de berg van mijn geloof in afgescheidenheid. Even heel stevig gesteld; als ik op die toer wil blijven doorgaan kan ik ook maar beter direct ophouden met ademhalen en hoef ik ook niet uit te kijken bij het oversteken. Wat kan er mis gaan? Er is toch geen ikje? De Cursus spreekt van ons geloof in magie. Elk instrument wat we in de droom verkiezen te gebruiken, van paracetamol tot blijven ademen, is niet meer dan een beroep doen op magie. We kunnen magie echter niet afzweren terwijl we er eigenlijk nog in geloven. We handelen dan nog niet vanuit een echt weten maar vanuit een oppervlakkige aanname.

En hiermee is ons speelveld binnen de droom wel geschetst. Aan de ene kant het totaal onbewust tekeer gaan op het slagveld en aan de andere kant een nep-spirituele houding van onthechting en passiviteit. Wat dan wel?

Jezus spreekt soms mooi van ‘we mogen in de (droom-)wereld zijn maar weten dat we niet van de wereld zijn”. Iets platter gezegd; we mogen met onze voeten in de modder werken en toch ons hoofd opheffen. We mogen al ploeterend gaan leren hoe we toch een Stem mogen gaan horen die ons inspireert. We mogen een kracht en liefde gaan ervaren die via ons de droom binnenstroomt en reikt naar onze broeders zusters en naar onszelf. We mogen in die ander onszelf gaan herkennen. Wat we voor onze broeder doen is voor de Christus en voor onszelf gedaan. Geven en ontvangen zijn daadwerkelijk één. Door onze broeder niet langer te zien als “die ander” maar als Christus mogen we zien dat onze vergeving van hem zorgt voor het stromen van liefde. Van ons naar hem, van hem naar ons.

WB 176: Geef me jouw zegen, heilige Zoon van God.

We zijn geen geïsoleerd ikje dat zwetend en ploeterend in modderlaarsjes de wereld probeert te redden. We zijn heilige, onbegrensde zonen van God, van de liefde.

WB 176: Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

Uitnodiging van Hem

uitnodiging

We kunnen lang blijven praten over non-dualiteit. Ik doe daar ook graag aan mee. Op zich is daar ook niks mis mee en het is vooral nuttig om te zien dat je op een gegeven moment vastloopt in het denken waar wij zoveel gezag aan hebben toegekend. Ik kreeg zo’n vastloper een kleine 10 jaar geleden nadat ik keer op keer geprobeerd had mijn draai te vinden binnen het klassiek Christelijke geloof. Toch nog min of meer plotseling zag ik een terugkerend patroon in mijn zoektocht tot dan toen. Ik zag dat ik “loopings” maakte. Telkens meende ik een waterdichte theorie, of liever gezegd, Christologie gevonden te hebben. Grootste uitdaging was om binnen de duale visie Gods liefde te rijmen met de ellende die ik om me heen zag. Elke constructie die ik vond of bedacht bleek een beperkte houdbaarheid te hebben. Na verloop van tijd kwamen er haarscheurtjes in en vervolgens stortte het kaartenpakhuis weer in elkaar. Totdat het besef daagde dat elk concept dat ik uit een heilig boek adopteerde, bedacht had, nu geloofde of nog bedenken zou totaal willekeurig was en vroeger of later af zou brokkelen.

Zo, dat gaf lucht. Grootste winst dat dat ik geen last meer had van het beeld van een straffende God. Op zich voldoende aanleiding voor blijdschap en een heel wat zonniger leven. Ook een les in respect richting anderen want ik hoefde niemand meer van mijn gelijk te overtuigen, te evangeliseren of anderszins anderen te redden. Ik ervaarde dit als “verlichting” maar wel in engere zin. Ik had geen last meer van monotheïstische levensovertuigingen waarin een goddelijke macht mij zijn wispelturige wil probeerde op te leggen. Ik wens dit inzicht en deze opluchting iedereen toe, ook mijn broeders en zusters die zich tuis voelen in andere monotheïstische religies. God is liefde; punt.

En toch. De non-dualistische visie beknelde inderdaad niet. Ik hoefde niet dagelijks mijn verstand in een onmogelijke spagaat te dwingen. Er is echter een verschil tussen verstandelijk instemmen met de non-duale waarheid en deze realiseren, zoals dat heet. Voor dat je het in de gaten hebt ga je over deze realisatie weer nieuwe denkbeelden fabriceren, geloven en verdedigen. Deze neiging stemde me, toen ik het in de smiezen kreeg, overigens wel weer een stuk milder richting mijn verleden en richting volgelingen van externe Goden. De kwestie van realisatie gaat nogal wat verder dan het opgeven van het geloof in een externe God. Atheïsme of een agnostische levenshouding zijn geen synoniemen met realisatie.

Wat is er namelijk aan de hand? In klassiek Christelijke termen: het ik blijft op de troon van God zitten. In Cursus-termen: we blijven luisteren naar de stem van het ego en niet die van de Heilige Geest. Beide formuleringen getuigen overigens nog steeds van een duale visie: een “ik” dat op een stoel zit of een “ik” dat gaat kiezen. Kennelijk zijn we er niet nadat we het beeld van God aan stukken hebben geslagen. Na een tijdelijke opluchting blijven we achter in aanbidding voor andere afgoden; die van een ikje en die van fenomenen in een wereld van tijd en ruimte om ons heen.

De Cursus kan zorgen voor het uitbreiden van het inzicht. Terecht stelt ze dat het niet gaat om het opstellen van een universele theologie. Er bestaat echter wel zoiets als een universele ervaring waarbij het niet behulpzaam is om jezelf direct te blokkeren met de vraag of er dan nog een “ik” is die iets aan het ervaren is. Daar zit hem namelijk precies de crux. De Cursus, en andere non-duale visies, wijzen erop dat niet alleen onze klassieke god niet meer is dan een projectie van onszelf, maar dat dit ook geldt voor de wereld die we om ons heen menen te zien. Het valt al niet mee om hier verstandelijk iets bij voor te stellen laat staan om het als waarheid te ervaren en te realiseren. Hier komen de werkboeklessen om de hoek kijken. Hierin worden we gevraagd om ons verstand en onze vooroordelen even te parkeren en de oefeningen maar eens gewoon te doen. Vergeving vormt hierin de sleutel. Hierin wordt eerst de projectie teruggenomen en vervolgens geclassificeerd als onschuldig en van eigen makelij. Maar daar blijft het niet bij. De bijl komt uiteindelijk terecht bij de wortel van de boom; ons geloof dat we een actieve denker, doener, dader, slachtoffer enzovoort zijn. Er worden vragen gesteld aan de realiteit van de interne-prater die zich in ons hoofd lijkt te bevinden. En nu wordt het heet onder de voeten van dit geloof in de validiteit van dit ikje. Het wordt namelijk langzaam maar zeker ontmaskerd en herkend als van dezelfde makelij als wat we buiten ons menen te zien. Eigenlijk niet veel meer dan een hallucinatie van gebakken lucht of, wat chiquer gezegd, alles is Bewustzijn. Wat gebeurt er als het ik-beeld zelf vergeven wordt?

En hier wordt het ikje bang. Onbewust hangt het aan de realiteit van de wereld buiten hem en al helemaal aan de realiteit van hemzelf. De gedachte dat alles wat we menen te zien, inclusief onszelf, niets meer is dan een gedachte waar we als tijdloze en vormloze Christus even mee wilden spelen, is te pittig. We kiezen ervoor de ervaring onze ware natuur, oneindige en vormloze liefde, te verdringen door vast te klampen aan de realiteit van wereld en zelfbeeld.

En wat nu? Lees werkboekles 165 en laat je aanspreken als de Christus die je bent. Zie hoe klein de bereidheid van ons maar hoeft te zijn om Zijn licht binnen te laten stromen in de denkgeest. En kijk dan maar eens wat er gebeurt. Kom er met mij achter hoe wonderlijk dit is en hoe we met onze mond vol tanden komen te staan als we hierover willen praten. Dit praten wordt zo droog, zo abstract terwijl het feest in volle gang is. Geef je over aan Hem en laat je verbazen over Zijn zijn.

WB 165: Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen.

Dodelijke muggenbult?

mug

Als wij werkboekles 163 lezen: “Er is geen dood. De Zoon van God is vrij”, dan blijven onze gedachten gewoonlijk steken op het idee van de dood van ons lichaam. Ons ego protesteert heftig en verwijt ons overmoedige grootspraak. Het zijn ook geen woorden om lichtvoetig te gebruiken. Wanneer we beweren niet bang te zijn voor de dood terwijl we nog steeds geloven dat we in een wereld leven waarin ons van alles overkomt dan is deze uitspraak ook niet meer dan grootspraak.

De Cursus laat zien dat de angst voor de ogenschijnlijke fysieke dood een symbool is, een heel krachtig symbool overigens, voor ons geloof in onze afscheiding in alle ontelbare voorbeelden binnen de illusie. De, in onze ogen, zowel grote voorbeelden als de schijnbare onbenullige voorbeelden.

Laat me dit illustreren. Vanmorgen meende ik dat ik het slachtoffer geworden was van een bloeddorstige mug. Deze had m’n voet weten te vinden en daaruit wat bloed afgetapt. Kennelijk is het daarbij nodig wat gif achter te laten zodat de voet nog uren hinderlijk jeukt. Nu komt het: zolang ik geloof dat er een ikje is dat een lichaam heeft dat prooi is geweest van een klein dingetje buiten mij toon ik aan dat ik nog steeds geloof in de dood.

Het ego wil vervolgens dit soort voorbeelden laten ontsporen door zich dood te gaan staren op de slachtoffer-dader vraag met daaraan gekoppeld dezelfde kwestie in termen van onschuld en schuld. Want als ik beweer dat me niets van buitenaf kan overkomen dan moet ik wel volgens het ego schuldig zijn aan m’n eigen muggenbult. Emoties lopen hoog op als het geen mugje betreft maar een menselijke verkrachter of moordenaar. Maar nee, ik ben noch onschuldig slachtoffer noch schuldige dader. De ultieme conclusie van de Cursus is namelijk dat ik helemaal niet ben als afgescheiden ikje. Maar deze visie is veel te heftig voor dit denkbeeldige ikje. Het is liever slachtoffer of desnoods dader maar het wil absoluut niet horen dat z’n hele ik-besef een illusie is.

Daarom verkiest het ervoor te geloven in de dood, om de dood te aanbidden als afgod. Het is een vlucht voor het besef van de heerlijke waarheid dat de Zoon van God nog steeds is zoals Hij geschapen werd. Onbegrensde eeuwige liefde.

Terug naar de muggenbult, naar de illusie. De niveauverwarring wordt hier al snel groot. We vragen ons af wat we met de kennis van de Cursus nu in Godsnaam moeten doen? Moeten we dit bultje en de jeuk met alle macht negeren en proberen weg-te-cursussen? Of juist niet? Lieve broeders en zusters, dat doet er totaal niet toe. We worden opgeroepen om oog te krijgen voor wat er in de denkgeest gebeurt. “Hee, ik geloof kennelijk dat er een ikje is dat dapper moet standhouden tegen de jeuk en vooral niet mag krabben. Wat een grappig geloof. En ja zeg, ik zie dat ik nu even extra geloof dat ik een ikje ben.” Of misschien: “Hee, ik zie dat ik een ikje ben dat van de jeuk af wil en een tube Azaron pakt. Kijk, het ikje denkt nu dat het iets beter gaat omdat de jeuk wegtrekt. Grappig zeg, dit geloof in een ikje dat van alles voor elkaar krijgt”. Dit alles is totaal onschuldig en niet meer dan een mogelijkheid om wat te leren.

Jezus heeft besloten een voorbeeld te kiezen dat jullie wat meer zal aanspreken dan mijn muggenbult. Hij heeft laten zien hoe Hij aankeek tegen de kruisiging. Hij heeft geweigerd hier de schuldvraag te lanceren en besloot liefdevol te blijven kijken naar de soldaten die hem aan het kruis sloegen. Hij heeft laten zien dat hij in de soldaten zijn broeders zag. Hij zag in hen de liefde die ze zijn (WB 161: Geef me jouw zegen, heilige Zoon van God) opdat hij op ultieme wijze WB 162 kon laten zien: Ik ben zoals God mij geschapen heeft zodat wij overtuigd mochten raken van WB 163: Er is geen dood. De Zoon van God is vrij.

Kijk hieronder met me mee hoe dit voorbeeld Paulus tot jubelen bracht. Verslik je niet in het woord “zonde” wat niet meer wil zeggen als geloof in afgescheidenheid, in een ikje. Jezus, dank voor uw voorbeeld en dat u ons de weg van overgave aan de liefde hebt laten zien!

1 Korintiërs 15

53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.

 

Ontstollend ikje

kinderhandenmetlichtje

Gisteren namen we de projectie terug van een broeder op wie we boos waren. We konden zien dat het negatieve beeld dat we van hem koesteren bestaat uit gestolde energie, gestold bewustzijn. Vergeven is het voorbijzien aan deze vorm en op die wijze het licht, de warmte, de energie van dit gestolde bewustzijn weer vrij laten komen. Alleen hierdoor is het mogelijk dat je dezelfde energie, hetzelfde bewustzijn in jezelf herkent als je ware Identiteit.

Dit voorbeeld met boosheid op een broeder is slechts een voorbeeld van het universele principe van vergeving van de wereld die we menen te zien. Er is geen rangorde in wonderen en ook niet in illusies. Alles wat we buiten ons menen te zien is niets anders dan een projectie die bedoeld is om de illusie van afgescheidenheid in stand te houden. Niet alleen negatieve opvattingen die we over andere mensen koesteren. Nee, elke waarneming, elke perceptie, elk gevoel, elke conceptuele opvatting. Ons geloof in elke waarneming van iets buiten ons is slechts een spelletje om ons lekker “ik” te kunnen blijven voelen.

Maar wie is die ik? Kijk nu eens naar binnen en ervaar de afgescheiden identiteit van wat jij “ik” noemt. Zie je hoe vanzelfsprekend je het vindt dat dit ikje echt is? Zie je hoe je meent dat dit ikje bestaat in tijd en ruimte en dat het dingen moet bedenken, doen en bereiken om verlicht te worden? Maar wat is dit ikje? En nu komt de crux. Dit ikje is niets meer of niets minder dan een ander beeld waarin we zijn gaan geloven. Het beeld dat je hebt van een broeder, van een tafel, van een hondendrol, van een gevoel, van een gedachten van alles wat je meent te zien is van exact dezelfde kwaliteit, gestold bewustzijn, als dat van je ik-gevoel. Ongedeeld bewustzijn had niets anders om de illusie te scheppen dan zichzelf. Als een spin die een web maakt vanuit haar eigen materie zo maakte bewustzijn de droom van de buitenwereld en de droom van een hiervan afgescheiden ikje.

Vergeven is het laten oplossen van de gestolde energie. Gisteren merkten we bevrijding toen we dat ene negatieve beeld van die broeder konden neutraliseren en vervolgens omarmen. Een scheidslijn leek weg te vallen. Liefde kon weer stromen. Vandaag worden we uitgenodigd vergeving uit te breiden naar het beeld van onszelf.

WB 162: Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

Kijk naar de ogenschijnlijke substantie van dat ikje. Zie dat het iets voor lijkt te stellen en bekijk ook dit ik-concept eerst neutraal. Laat je zelfoordeel varen en neem een onderzoekende houding aan, nieuwsgierig haast. Hoe voelt het, hoe hard is het, hoe groot is het? Neem hier de tijd voor. Beter kun je deze niet gebruiken dan voor vergevingsoefeningen. Neem vervolgens je zelfbeeld in je handpalm, je oordelen, je pijntjes, gedachten en gevoelens en kijk er met mededogen naar, liefdevol. Zie hoe dit brokje gestold bewustzijn net als die zwarte kool van gisteren langzaam gaat gloeien. Het gaat licht verspreiden en warmte. Het wordt licht, heel licht en transparant. Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

“Er is geen droom die niet door deze woorden wordt verjaagd, geen gedachte aan zonde en geen illusie die de droom bevat, die niet zal vervluchtigen ten overstaan van hun macht”

Gestolde zwarte haat

kampvuur_sessie_free-use

Wat een oefening krijgen we vandaag aangeboden in werkboekles 161:

“Geef me jouw zegen heilige Zoon van God”.

De Cursus vraagt ons om één broeder (of zuster) in gedachten te nemen en hem om verlossing te vragen. Wat een totale omkering van de manier waarop ik gewoonlijk denk. Als ik op mijn stoel ga zitten op mijn zolderkamer komt er direct een beeld naar boven van een man waar ik een lichte aversie tegen heb. Ik heb van hem de indruk dat hij me niet zo graag mag. Dit meen ik te af te kunnen leiden uit de manier waarop hij naar me kijkt en uit het feit dat hij me nadrukkelijk lijkt te negeren door me niet te groeten, zelfs niet als ik vriendelijk naar hem knik.

“Nou, dan niet”, denk ik dan op mijn beurt en als ik heel eerlijk ben, moet ik bekennen dat ik dit aanvul met iets weinig fraais zoals “eikel”. Laat ik het niet mooier maken dan het is. Natuurlijk komt deze persoon wel vaker in mijn gedachten als ik vergevingsoefeningen doe. Ik kom hiermee echter niet veel verder dan dat ik mezelf forceer en probeer met een moeizame glimlach een liefdevolle gedachte voor deze broeder eruit te persen. De Cursus noemt dit “vergeving om te doden”. Het komt voort uit een arrogantie die zoiets zegt als “laat ik maar de wijste zijn”. Ondertussen versterk ik hiermee mijn overtuiging dat deze broeder fout is en dat ik als persoon op een spiritueel pad boven hem verheven ben. Natuurlijk houd ik deze duistere gedachten en gevoelens zorgvuldig verborgen want echt trots ben ik er niet op. Toch moet ook deze onderste, modderige steen boven komen anders zal er binnen in mij niets kunnen veranderen.

Goed dan, deze broeder verschijnt in m’n gedachten. Moet ik hem nu om een zegen vragen? Moet ik gaan slijmen om zijn goedkeuring te krijgen? Een vriendelijk knikje, een groet? Nee natuurlijk niet. Dat zou slechts meer van hetzelfde zijn, van nep-vergeven waarbij ik nog steeds denk dat ik de wijste ben. Nee, ik mag zien dat het beeld dat ik van hem heb een soort symbool is van gestolde, negatieve energie. Ik heb met deze energie een vorm gemaakt, een afgod, waar ik mijn haat op kan richten. Als ik heel goed oplet kan ik voelen wat dit met mij doet. Ik kan een verharding voelen in mijn afkeer. En dan dat bekende paradoxale fenomeen; ik koester deze verharding, deze bevestiging van het zogenaamde feit dat ik sterk en afgescheiden ben. Dat ik op mezelf sta en de goedkeuring van een ander helemaal niet nodig heb. Pff, ik heb helemaal niemand nodig, waarom zou ik hem moeten vergeven?

Vervolgens nodigt de Cursus me uit om die negatieve energie waarmee ik die boosaardige broeder geboetseerd heb vrij te laten komen. Ik visualiseer deze energie als een zwarte, kille, donkere steenkool als een klomp in mijn hart. Ik sta er koud en grimmig naar te kijken. Dan kijk ik naar dit duistere oordeel waar ik me zo voor schaam en til het omhoog, duidelijk zichtbaar nu. Zoals ik het nu opschrijf en de donkere zwarte kool aan u lezers toon, zo kijk ik er ook zelf naar en zo laat ik Hem zijn licht erop schijnen. Ik zie nu mijn negatieve oordeel en stop dit niet weg hoewel alles in mij roept om die zwarte kool weer snel te verbergen.

Ik wacht slechts, minuten lang en kijk met Hem. Langzaam, heel langzaam zie ik de kool  opwarmen en gaan gloeien. Het wordt wat warmer nu.  Nu kan ik zien, nee, ik kan voelen, hoe de zwarte contouren van mijn haat iets vervagen en dat er een warme straling van mijn broeder begint uit te gaan. Het is nog geen “halleluja, prijs de Heer” wonder. Nee, het is een sprankje licht, een sprankje warmte dat vanuit hem komt en waarvan ik merk dat het me goed doet. Dit is de weg, ik weet het, Ik mag mijn oordeel over mijn broeder stukje bij beetje loslaten zodat de haat die ik op hem geprojecteerd heb omgevormd kan worden in warmte, in liefde.

Wat voelt dit toch wonderlijk dubbel. Door de teugels van mijn haat iets los te laten en voorbij mijn negatieve projectie te kijken kan de warmte weer gaan stromen. Het wordt steeds helderder dat ik slechts mijzelf kruisig als ik een ander aan het kruis timmer. Als ik de spijkers uit zijn handen en voeten trek kan hij van het kruis komen en met zijn vrije handen de doornenkroon van mijn hoofd af halen. Hij is mijn verlosser. Ik heb negatieve energie in hem gefixeerd maar mag naar hem toegaan om deze energie vrij te laten zodat deze ons allebei kan verwarmen. Geven en ontvangen zijn waarlijk één. Prachtig vreemd.