
MH17 is neergeschoten en hierbij zijn bijna 300 mensen om het leven gekomen. De beelden van het repatriëren van de stoffelijke overschotten en het hartverscheurende verdriet van de nabestaanden staan op m’n netvlies gegrift. Het is goedkoop om dit vanuit m’n luie stoel gemakkelijk af te doen als niveau-II gebeurtenissen binnen een droom. Ik worstel met deze gebeurtenis, ook al is het maar een droom.
Ik zie dat Rutte de aanvoerder is van het collectief dat genoegdoening zoekt voor de groep nabestaanden. Wat is dit eigenlijk; genoegdoening? Ik wil dan dat de Russen bij monde van Poetin verantwoording afleggen voor hun daden. Dit is hierbij ongeveer mijn ideaalbeeld:
Poetin zegt: “ik zal nu maar eerlijk zijn. Het klopt dat Rusland betrokken was bij deze oorlog en dat we manschappen en materieel geleverd hebben. Soldaat x heeft een inschattingsfout gemaakt toen hij die Buk-raket afschoot want hij dacht dat hij een oorlogsvliegtuig zag. Volgende keer zal hij beter uitkijken en hij heeft een flinke gevangenisstraf gekregen. Ik vind het ook persoonlijk allemaal heel erg <Poetin kijkt duidelijk aangedaan naar de camera> Rusland zal 100.000 euro per slachtoffer betalen aan de nabestaanden”
Nou, hé hé, het ei is gelegd. Het blijft tragisch maar nu is er toch sprake van een zekere afsluiting ondanks het feit dat het verdriet maar heel langzaam wat scherpe kantjes zal verliezen. Maar helaas. Dit gebeurt niet en vermoedelijk volgt nog een jarenlang spel waarbij de bewijzen zich opstapelen en Poetin glashard zal blijven ontkennen. Dan zal er een vorm van wraak in de vorm van sancties moeten plaatsvinden. Het gaat wat ver om een Russisch passagiersvliegtuig uit de lucht te schieten maar we moeten vriendschappelijke betrekkingen verbreken en sancties instellen die de Russen in de portemonnee zullen voelen.
Dit klinkt ironisch, dat besef ik. Binnen onze droom weet ik ook niet goed welke houding ik (Nederland) moet aannemen. Het voelt te gemakkelijk om de schouders op te halen, te zeggen dat het jammer is dat de Russen de verantwoordelijk niet accepteren en over te gaan tot de orde van de dag. Het lijkt of mijn klassieke vorm van ‘vergeven’ ten minste de schuldbekentenis van die ander nodig heeft. Hoe kan ik nu zeggen dat ik de Russen vergeef als ze zelf zeggen dat ze niks gedaan hebben? Dit geeft kortsluiting in mijn hele systeem van rechtvaardigheid. Ze moeten toch echt eerst “sorry” zeggen want anders blijf ik ze als schuldig zien en moet ik boos blijven. Voor hoelang? 10 jaar? 50 jaar? Dat weet ik niet goed. Vermoedelijk moeten eerst 2 of 3 generaties nabestaanden voorbij gaan voordat Nederland weer met goed fatsoen normaal kan doen tegen de Russen. Anders zal het voelen als verraad jegens deze nabestaanden.
En dan die verrekte Cursus. Want deze is toch van een andere orde, of ik dat nu fatsoenlijk en gepast vind jegens nabestaanden of niet. Want deze Cursus zegt me naar binnen te kijken en wijst me erop dat ik de lichamelijke dood van de slachtoffers zie als een echte dood. Dat ik geloof dat lichamen, en daarmee dat mijn broeders en zusters, uiteengereten zijn door andere mensen. Dat deze anderen, de Russen, hiermee schuldig zijn aan aanval en moord. Het zou ze gelukt zijn de Zoon van God te kruisigen en daarmee zouden ze schuldig zijn geworden en straf verdienen. Of ze het nu toegeven of niet. Maar alles wat ik hiermee zeg is dat ik geloof dat Jezus een afgescheiden mensje was van vlees en bloed die aangevallen kon worden en uiteindelijk zelfs gedood kon worden.
De hele boodschap van Bijbel en Cursus is deze: NEE, DIT IS NIET WAAR. Mij wordt gevraagd om de soldaten te vergeven voor wat ze nooit hebben kunnen doen. Ze hebben Jezus niet kunnen kruisigen en ze hebben de MH17 niet kunnen neerschieten. De nabestaanden van Jezus huilden toen, wij huilen nu. Maar toch. Hierin ligt de gerechtigheid van God; niet dat de soldaten gestraft dienden te worden maar dat het doek in de tempel scheurde en de grens tussen de droom-wereld en het echte heiligdom verbroken werd. Vanuit ons afgescheiden zelf kunnen we slechts huilen en boos worden. Maar samen met Jezus mogen we roepen: in Uw handen leggen wij onze denkgeest. Dan kan zijn Licht ons vanuit het gescheurde wolkendek beschijnen en ons verlossen van de strijd, de oorlog en de schreeuw om wraak. Hij kan leven geven, zelfs in het donkerste verdriet en de zwartste nacht. Alleen bij Hem kan ik mijn toevlucht nemen en echte vergeving vinden. Heer, laat me toch Uw gedachten denken en niet de mijne.
Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God.
Toen ik de Cursus voor de tweede keer las kreeg ik de indruk dat ik er bij de eerste keer lezen weinig van begrepen had. Bij een derde herlezing overviel me hetzelfde gevoel. En zo ging het maar door. Dit is geen oproep om een Cursus-verslaafde te worden. Als het gezien wordt dan wordt het gezien maar de lezers die dat betreft zullen deze “waarschuwing” niet nodig hebben. Het langzaam duidelijker worden van de Cursus bij het telkens herlezen ervan illustreert slechts mijn aarzeling om de waarheid binnen te laten komen. Deze bereidwilligheid groeit bij mij kennelijk maar langzaam.
Vergeving is volgens de Cursus het antwoord op alle conflict zoals we dat hier in onze droomwereld ervaren. Als we gewoon eens onbevangen naar dat woord “vergeven” kijken dan roept dat direct de volgende vragen op: wie of wat moeten we vergeven en hoe moeten we dat doen? Herkenbaar? We leren al snel dat het vergeven van de Cursus niet hetzelfde is als het vergeven zoals we dat gewend waren in de droom. Bij het klassieke vergeven vinden we dat iemand de fout is ingegaan en daardoor schuldig is maar we besluiten om dit zo goed en kwaad als het kan door de vingers te zien. Als dat min of meer lukt zijn we stiekem een beetje trots op onszelf en voelen we ons moreel verheven.
Kenmerkend voor onze verwarde toestand is dat we de neiging hebben om discussies te voeren over van alles en nog wat terwijl we hierbij ons uitgangspunt als vanzelfsprekend beschouwen. Bekend voorbeeld is de vraag hoe de afscheiding kon optreden ofwel hoe het ego kon ontstaan. Vanuit ons perspectief, dat we normaal en vanzelfsprekend vinden, is dit een heel normale en legitieme vraag. De werkelijkheid is echter radicaal en verpletterend. Ons ikje, dat zo nadenkend kijkt bij het stellen van deze vraag en zijn best doet een bevredigend antwoord te vinden, is onderdeel van de illusie. “Wij” zien dit over het hoofd en menen dat ons zo vertrouwde denken iets gaat verhelderen over dit ikje, ons ego. Maar de afscheiding heeft niet plaats gevonden, er bestaat geen afgescheiden ikje in een buitenwereld, tijd en ruimte bestaan niet, onze concepten hebben geen betekenis en het bouwen van een theorie over een ikje met behulp van deze concepten, die beperkt zijn door hun vorm, is een droom binnen de droom.
In de stukjes die ik schrijf spreek ik met regelmaat over het “ikje”. Dit is een term die nergens in de Cursus voorkomt. Het betreft het geloof in het nietig en dwaas idee van afscheiding, het geloof in een illusoire nepidentiteit die zich beweegt in denkbeeldige tijd en ruimte en hierbij in gevecht is met nare ervaringen en zogenaamde andere personen. In mijn beleving sluit de term “ikje” strak aan bij mijn ervaring in de droomwereld, zowel op gevoels- als op gedachten- en gedragsniveau. Zo kan ik schrijven dat dit ikje worstelt om terug naar huis te gaan, om eenheid te ervaren of dat dit ikje in feite bang is voor het binnen laten van de liefde die we in werkelijkheid zijn.
“Gewoon rustig zitten en kijken wat er in bewustzijn verschijnt’. Klinkt dit bekend? Veel spirituele stromingen geven dit advies. Een variant hiervan is in het westen populair geworden in de vorm van mindfulness. Ik heb ook menigmaal tijdens retraites glazig zitten kijken naar een kaarsje of een mooie bos bloemen en ook ik heb met veel aandacht tijdens de eerste mindfulness-les op een rozijn zitten kauwen zodat ik alle sensaties onbevooroordeeld binnen kon laten komen. Het is fijn om zo met aandacht gewaar te zijn van alles wat zich aandient en hier is helemaal niks mis mee. Maar het ego zou het ego niet zijn als het deze fijne oefening zou gebruiken om ons wijs te maken dat deze ons een soort uiteindelijke climax gaat bieden, een duurzame ervaring van de hemel.
Vandaag nog zo’n les (127) die het predicaat ‘totaal anders’ verdient: Er is geen liefde dan die van God. Gewoonlijk zijn we bereid ons eigen begrip van wat liefde is een beetje op te rekken bij het lezen van deze les. Zo van: oh ja, we moeten ons best doen om iedereen lief te gaan hebben en we moeten wat minder voorwaarden verbinden aan onze liefde. Dit is zeker een goed begin maar we mogen dieper duiken, veel dieper. Reeds in de eerste werkboeklessen leren we dat we zelf alle betekenis hebben gegeven aan de dingen die we buiten onszelf menen te zien en ook aan onze gedachten. Daarin worden we ook zo stevig gecorrigeerd als we lezen dat niets wat we menen te zien of te denken iets betekent. Onbewust houden we vast dat we wel degelijk allerlei verschillende zaken zien en dat het toch nog wel íets zal betekenen.
Jezus richt zich in de Cursus tot ons terwijl we dromen. Hij is wakker en wij slapen. We kunnen ons dat verschil tussen de werkelijkheid die Hij ziet en de droom die wij menen te zien niet voorstellen. Het is zó anders.. Dit neemt niet weg dat we dit toch constant proberen te doen. Een paar voorbeelden uit les 126. Het schijnt ons toe dat andere mensen los van ons staan. Aan dit beeld hechten wij in onze droomtoestand erg veel geloof. Vanuit de veilige omgeving van mijn eigen huis ervaar ik soms momenten waarin ik iets van de innige verbondenheid met anderen ervaar. Maar als ik er dan op uit ga en zogenaamde vreemden ontmoet dan lijkt er een automatisme op te treden dat de afstand tussen mezelf en denkbeeldige anderen groter en vanzelfsprekend maakt. Ik geloof dat ik die ander niet ken en dat gereserveerdheid en zelfs preventieve achterdocht op hun plaats zijn. Dat is toch normaal? Je weet toch nooit wat die ander van plan is? Verder met les 126: wij denken dat zij kunnen zondigen zonder onze waarneming van onszelf te beïnvloeden, terwijl wij hun zonde kunnen beoordelen en toch buiten veroordeling en in vrede kunnen blijven.
Gisteren zag ik op het journaal een stukje over het lawaaiprotest dat zou moeten plaatsvinden tijdens de dodenherdenking. Zojuist las ik hierover: