Wat wil ik nou?

Woman thinking blackboard concept. Pensive girl looking at thought bubble on chalkboard / blackboard texture background. Mixed race Asian Chinese / Caucasian student.

Goede vraag. Ik wil van alles. Maar dat is zo veel dat het me eigenlijk ook weer niet veel zegt. Het doet er ook niet zo veel toe. De omgekeerde vraag zegt me soms wat meer. Wat wil ik niet? Zolang dat wat ik mijn leventje noemt een beetje doorhobbelt, komt ook deze vraag niet echt in mijn bewustzijn. De sleur van het dagelijks leven kan ervoor zorgen dat de minuten, uren, dagen en weken als zand door mijn vingers glippen. Voor je het weet ben je 55 jaar oud. En zo zal het ook wel verder hobbelen, vermoed ik.

Als ik verrek van de pijn of een conflict heb met iemand weet ik iets beter wat ik nu eigenlijk wil. Ik wil van de pijn af en ik wil dat die ander dat doet waarvan ik vind dat ie dat zou moeten doen. Soms lukt dat en dan kan ik weer verder met de sleur. Soms lukt het niet en dan heb ik hier zoveel last van dat mijn interesse in de Cursus in Wonderen weer wat toeneemt. De Cursus als pijnstiller of tranquilizer. Ach, waarom ook niet.

Ooit las ik ergens de zin “niets meer te wensen en toch niet gelukkig”. Misschien is het de titel van een boek. Binnen de illusie hebben sommigen van ons het “geluk” om dit mee te maken. Genoeg geld om te doen wat je wilt, vrijheid en lieve mensen om je heen. Je wint de loterij of je bedenkt een leuk liedje en je wordt een beroemde popster. Daar zit je dan in je riante villa. Vakantie hier, vakantie daar. En je ontevredenheid reist gezellig met je mee.

In deze dimensie is vrede niet te vinden. Althans, niet voor mij. We kunnen ons een tijdje vermaken maar that’s it. Je kunt dit zwartgallige betoog met je verstand begrijpen, maar zelfs dat helpt je niet verder. Er mist een dimensie. Een dimensie die niets met onze wereld van ruimte, tijd en waarneembare objecten te maken heeft. Een dimensie die je niet kunt vinden omdat deze al overal is. Een dimensie die pas zichtbaar wordt als je geen genoegen meer neemt met spiegeltjes en kraaltjes. Begrijp me goed; er is niks mis met een dikke bankrekening, een mooi huis, een tropisch eiland en een schat van een partner. Enjoy. En als je verder niks wilt; ook goed. Gewoon oud worden, toch ziek worden en doodgaan. Nieuwe ronde, nieuwe kansen.

Maar als je het zat wordt, echt zat wordt, dan kun je ook doen wat in de Bijbel staat. Zoek eerst het Koninkrijk der Hemelen. Hoe dan? Dat Koninkrijk is een symbool voor de Liefde en hiervan leert de Cursus ons dat we die niet direct kunnen zoeken. Onze werkboeklessen zijn erop gericht dat we leren “vergeven”. Over dit vergeven denken we snel tamelijk platvloers. Iemand doet iets vervelends en ik zeg: “laat ik maar de wijste zijn, zand erover”. Maar vergeven is veel mystieker. Het is een voorbij kijken aan dat wat we menen waar te nemen, dat wat ons lijkt te overkomen. Alles, echt alles, wat we opmerken kan vergeven worden. Daaronder vallen inderdaad zogenaamde irritante medemensen en lichamelijke pijn. Maar het gaat verder. Het bruine blaadje dat ik net van de boom zag dwarrelen en met een klein tikje landde op de tegel. Ik zie het, ik hoor het. Nee, zo is het niet. In het zien en in het horen ontstaat het beeld van een “ik” die er zich buiten lijkt te bevinden. En nu stil. Nu de bijna eerbiedige erkenning dat ik helemaal niks weet. Totale en grenzeloze verbazing over wat zich ontvouwt. Nu. En nu. Toestaan, overgeven, loslaten. Liefde, ruimte. Alles en niks.

Ongemerkt arrogant

cope-with-arrogant-people-step-18Als ik met meer orthodoxe christenen over hun geloof praat stoort het me soms dat ze zo stellig kunnen overkomen. Vanuit de Bijbel menen ze te weten wat God wil en wat ongelovigen zal overkomen als deze zich niet zullen bekeren. Zo’n storing is altijd een mooi begin voor zelfonderzoek. Zonder direct helemaal te begrijpen wat er aan de hand is kun je er als Cursus student in ieder geval van uitgaan dat er iets bij je zelf opgelost en vergeven mag worden als je je stoort aan een ander. In dit voorbeeld geldt dat ik me slechts kan irriteren aan de stelligheid van een broeder of zuster als ik zelf ook een stelling heb ingenomen. Ook ik meen te weten dat God namelijk niet is zoals zij zeggen maar dat betekent dat ik dus ook nog steeds een heel duidelijk beeld van Hem heb.

We zijn allebei bezig om een beeld van God te scheppen. Ik heb nu de neiging om me hiertegen te verdedigen door te stellen dat God grenzeloze liefde is waar je je geen beeld van kunt vormen. Voilà, ook weer een alleraardigst beeld. Ik gedraag me hiermee weer ongemerkt arrogant. Ik ben als het ware God aan het scheppen in mijn gedachten. Dit is niet alleen een gedachtenspelletje. Als ik niet door heb wat ik aan het doen ben dan werkt dat ook door in de manier waarop ik denk mijn vergevingsoefeningen te moeten doen. In het Oude Testament meende men de genade van God te kunnen verdienen door goede werken te doen. Denk maar eens aan de Tien Geboden. Als Cursus studenten leren we al snel dat het niet gaat om uiterlijk gedrag. Toch kan er een fanatisme binnensluipen in het bestuderen van de Cursus, het doen van de werkboeklessen en het volgen van Cursus bijeenkomsten. Ook als we in onze zogenaamde binnenwereld aanlopen tegen een ongewenst emotie vragen we ons af wat we moeten DOEN om hier zo snel mogelijk vanaf te komen.

Gelukkig zet in het Nieuwe Testament Jezus onze kerkelijke broeders en onszelf weer op het goede spoor met de twee grote “geboden”:

En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere. En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.  En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als u- zelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. 

We worden op het spoor van de liefde gezet. Ook hierbij geldt dat we ons best kunnen gaan doen om lief te hebben. Hoewel goed bedoeld, werkt dit toch niet. Als ons ego bovenstaand citaat leest zal het concluderen dat God een narrig en jaloers wezen is. Angst sluipt binnen. Angst dat Zijn toorn ons zal treffen. Deze angst drijft ons tot de ogenschijnlijk lieve daad van evangelisatie. We menen de ongelovigen te moeten overtuigen om te geloven in onze “lieve” vader omdat hij anders boos wordt.

Als Cursus student kan ik deze splinter opmerken in het oog van mijn kerkelijke broeder maar als ik denk dat hij of zij het dus allemaal fout doet dan zie ik de balk in mijn eigen oog over het hoofd. Kennelijk is de opdracht om lief te hebben nog niet ondubbelzinnig genoeg voor ons allemaal. En in dat woord zit ook de sleutel: dubbelzinnig. Zolang we uit blijven gaan van een dualistisch wereldbeeld blijft het “ik en God” en “ik en mijn medemens”. Wat we dan ook “doen”; er blijft altijd ruis op de lijn.

En hier komt werkboekles 260 goed van pas:

Laat ik me herinneren dat God mij geschapen heeft.

En dat “herinneren” moeten we niet als cognitief spelletje opvatten. Het is een oproep om weer naar binnen te keren. Om stil te worden. Zolang we blijven babbelen, plannen maken, discussiëren en dingen doen, bevestigen we voor ons zelf de illusie van afgescheidenheid. Stil worden en naar binnen keren. (WB260:2): “Nu herinneren we onze Bron en daarin vinden we eindelijk onze ware Identiteit. Wij zijn waarlijk heilig, want onze Bron kan van geen zonde weten. En wij die Zijn Zonen zijn, zijn elkaars evenbeeld en de gelijkenis van Hem”.

En in dit stille woordeloze gebed ontmoeten wij al onze broeders in Zijn Liefde en genade, in de Liefde die we allemaal zijn. Hier is geen ruimte meer voor arrogantie. Godzijdank.

Wat overkomt me nu weer?

image

Doe eens een stapje terug en kijk eens naar je leven in de droom die we onze wereld noemen. Zet aangeleerde Cursus-wijsheden even opzij en wees eerlijk. Kijk eens wat je allemaal overkomen is, nog steeds overkomt en waarmee je zogenaamd opgezadeld bent. Kijk zo naar je lichaam met eigenschappen die je niet zo fijn vindt. Kijk naar je verleden, je opvoeding, je ouders. Naar je werksituatie en naar je partner. Als ik zelf zo kijk dan meen ik een soort combi te zien van zaken die me overkomen zijn, die me nog steeds overkomen en andere zaken die ik een beetje naar mijn hand heb kunnen zetten. En lees dan werkboekles 253. Op verschillende manieren zegt de les: ‘Wat gebeurt, is wat ik verlang’. En leg deze uitspraak dan naast de toestanden waar je naar jouw mening absoluut niet op zat of zit te wachten.

En, jawel, daar is ie weer. Onze goede vriend, het ego: ‘eigen schuld, dikke bult’. En in plaats van ons te verbinden met broeders die, op welke manier dan ook, ziek zijn, sabelen we ze neer met deze ‘wijsheid’. Idem dito met ons zelf. Zelfverwijt en schaamte zijn het gevolg. En het rare is, zelfs daar vragen we dus om.

Waarom zouden we willen geloven dat narigheid ons ongevraagd overkomt? Omdat we slachtoffer willen zijn. Ik vraag je niet om dit met je verstand aan te nemen. Neem gewoon iets in je gedachten waarvan je denkt dat het je overkomt. Hierbij een voorbeeldje van mij. Een paar dagen terug zat er een briefje achter de voorruit van mijn auto. ‘Hartelijk dank dat u uw auto zo asociaal hebt neergezet’, stond erop. Ik begreep het niet. Ik parkeer altijd keurig met gepaste afstand tot reeds geparkeerde auto’s, zelfs als dat niet helemaal klopt met de vaag aangegeven parkeervakken. Boos verfrommel ik het papiertje en rijd naar mijn werk. Ik ben wat later dan gewoonlijk, iets na negenen, en de receptioniste begroet me met ‘ook goedemiddag’. Ik merk dat ik me aangevallen en gecorrigeerd voel. Twee ogenschijnlijk willekeurige gebeurtenissen die me overkomen. Toch?

Deze gebeurtenissen zullen me zogenaamd blijven overkomen zolang er een diep schuldgevoel in mijn denkgeest verborgen blijft. Dat schuldgevoel gaat helemaal terug op de denkbeeldige afscheiding van de liefde, van God. Onbewust denk ik dat ik schuldig ben en dat Hij boos is. Te pijnlijk voor m’n zogenaamde binnenwereld dus projecteer ik er lustig op los. Een boze buurman en een boze receptioniste. Mijn neiging is om te verdedigen en vervolgens de tegenaanval te openen. Een sneer terug geven, of zo.

Ik kijk nog eens naar deze mogelijke reactie maar heb eindelijk enigszins geleerd om de verantwoordelijkheid niet direct bij die ander te leggen. Het overkomt me niet. Ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie. Ik hoef me ook niet schuldig te voelen over mijn neiging. En dan komt het. Ik overweeg om toe te geven dat het bij mij ligt. Dat slechts mijn allergie voor vermeende schuld wordt getriggerd. Durf ik deze gevoelens over te geven? Hoe voelt het om die anderen én mezelf ‘off the hook’ te halen? Om te weigeren om het spel ‘zwarte-pieten-met-schuld’ te spelen? Dat voelt raar, haast ongepast. Toch rust ik in die ruimte, die openheid. Ik merk de weerstand op om het beschuldigen van anderen en van mezelf los te laten. Als ik die weerstand toch overgeef, loslaat, dan stroomt er iets teders door mijn hart. Hier ligt de sleutel. Dit is genade.

Mijn Zelf is heer en meester van het universum.

Twee jongens en een kat

two-boys-with-their-cat

Gisteren gaven we een feestje. Gelukkig was het redelijk weer en konden de deuren naar de tuin open. De meegekomen kinderen vermaakten zich in het dichtbij gelegen speeltuintje. Een jongetje van een jaar of negen blijft echter achter in de tuin en vanuit m’n ooghoek zie ik hoe hij pogingen doet om onze lieve poes Mies op haar staart te stampen. Mies vliegt in paniek door de tuin waarop het ventje de achtervolging inzet. De ouders staan op dit moment natuurlijk net binnen en ik spreek het kereltje ‘vriendelijk’ aan op zijn gedrag en leg uit dat dit niet leuk is en dat het pijn doet als je bij Mies op haar staart gaat staan. ‘Ik vind het leuk’, is het antwoord. ‘Het is niet leuk, en je moet het niet meer doen’, zeg ik met ingehouden woede en ik kijk hem strak aan. Kennelijk ziet hij dat het menens is en hij staakt de achtervolging.

’s Nachts komen dit soort voorvallen weer bij me naar boven als ik even wakker word. Ik heb de les niet geleerd. Pas nu herken ik mijn eigen aanvalsgedachten op het kind. M’n boosheid en verontwaardiging. Op zijn aanval heb ik met een tegenaanval gereageerd. M’n ego schraapt de keel en legt uit dat dit helemaal gerechtvaardigd was en dat het goed is dat ik hem op zijn gedrag aansprak, ook in het belang van de poes. Maar het gaat niet om het aanspreken maar om mijn intentie. En daar zal ik geen doekjes om winden; ik was boos en verontwaardigd. Ik herkende de aanval van het jongetje niet als een vraag om liefde en reageerde misschien ogenschijnlijk niet al te boos maar ik voelde bepaald geen liefde stromen.

Als ik er even rustig naar kijk begin ik de vette projectie te herkennen. Ik meen dat ik buiten me zie dat een dader een aanval uitvoert op een onschuldige en dat deze dader zich schuldig moet voelen. Ik besef dat ik mijn vermeende schuld op hem heb geprojecteerd. Ik meen dat ik een onschuldige heb aangevallen en dat ik schuldig ben en straf verdien. Die onschuldige is God, de liefde. Mijn aanval bestaat uit mijn vermeende couppoging waarbij ik zelfstandigheid en speciaalheid heb opgeëist. Ik meen dat ik Jezus gekruisigd heb en dat ik schuldig ben. Dit schuldgevoel is te overweldigend en projecteer ik met veel energie op die aanval van het jongetje op een onschuldige ‘buiten mij’.

Deze redenering kan vergezocht lijken maar het is geen redenering. Als ik echt stil word kan ik afdalen naar het schuldgevoel dat ik probeer te projecteren. En dit voelt zeer ongemakkelijk en pijnlijk. Ik kan zien hoe het bijna niet lukt om dit schuldgevoel onder ogen te komen. Hier bestaat grote onwil tegen. Ik wil weg, bij dit gevoel vandaan maar besluit de situatie buiten me niet meer als uitvlucht te gebruiken. Mijn ego gooit het als vanouds op een andere boeg en beweert nu dat het toch wel erg stom is dat ik ‘als gevorderde student’ zo liefdeloos gereageerd heb en pas na zoveel uren erachter ben gekomen dat ik fout zat. Het ego gooit de tijd in de strijd om mijn schuld onomkeerbaar te maken. ‘Nu ben je te laat, gemiste kans, je hebt het ventje echt iets aangedaan, je bent dus toch fout, zondig, schuldig!’

Nu is het genoeg. ‘Nee’, zeg ik. ‘Nee!’ Ik ben liefde. Het jongetje is liefde. De liefde van God stroomt nu door ons heen. Ik kijk naar Hem, naar de waarheid. Ik kies Hem, niet het ego. Ik kies vergeving en houd mijn ogen op Hem gericht, in vertrouwen. Er is niets gebeurd, er is geen schuld. Weer zie ik het ventje voor me met zijn brilletje. Ik zie de aandacht die vooral uitging naar zijn schattige zusje. Ik zie iets van eenzaamheid, van behoefte aan warmte. Liefde stroomt van Jezus naar ons beiden. Twee jongetjes die denken eenzaam te zijn. Twee jongetjes die denken dat ze zich sterker zullen voelen als ze aanvallen. Twee jongetjes die zo erg op elkaar lijken en allebei zo geliefd zijn.

WB 247: zonder vergeving blijf ik blind

Ben jij ook zo bang?

Deep fear of businessman

Wat een uitspraak in WB240; angst is niet gerechtvaardigd, in geen enkele vorm. Vooral ook die toevoeging, ‘in geen enkele vorm’. Ogenschijnlijk grote angsten herkennen we redelijk gemakkelijk. We zijn bang voor oorlog en geweld, voor ziekte, voor afwijzing en voor de dood. We gaan met deze angsten om door ze wat af te zwakken (ach, het zal niet zo’n vaart lopen), te vertrouwen op magische oplossingen (een alarmsysteem op je huis, vertrouwen in de medische wetenschap) en vooral ook door ontkenning. We zien de ellende op het journaal, zuchten eens diep en zappen door naar een leuke serie.

Dan zijn er nog die talloze ‘kleinere’ angsten.

‘Hé, wat zullen ze nu van me denken?’
‘Als ik maar niet te laat kom’
‘Straks valt de BBQ in het water’
‘Wat blijft er over van m’n pensioen?’
‘Als er maar niks gebeurt met mijn kinderen’
‘Verdorie, is m’n tv nu al kapot’
‘Als ik maar niet in de file kom’
Etc etc

Ik kan best wel eens jaloers zijn op mensen die, ogenschijnlijk in elk geval, lekker zorgeloos door het leven gaan. Mensen die zich in een avontuurlijke vakantie storten in een afgelegen land, die zich zonder veel nadenken committeren aan een hoge hypotheek, die zich pas zorgen lijken te maken over de dood als deze erg dichtbij komt. Heerlijk lijkt me dat, zo’n opgeruimd gemoed. Maar helaas, in mijn leven binnen de illusie speelt angst een grote rol. Mogelijk is het een ‘bijwerking’ van de Cursus dat ik het spook sneller herken. M’n eerste reactie is die van zelfverwijt en schaamte. De veroordelende stem van mijn vader, de marineman, weergalmt uit het verleden. ‘Kom op, niet zo schijterig, wees een vent!’ Nu pas zie ik ook zijn angst die hij zo krampachtig overdekte met het tegendeel; flink en stoer doen. En wat zijn zelfverwijt en schaamte anders dan ook weer vormen van angst? Ik ben bang het niet goed te doen en ik ben bang wat andere daar van vinden. Weer bang, bang, bang.

Toch is er iets aan het veranderen. Het helpt enorm om angst te leren zien als leermogelijkheid. Om dus niet die eerste impuls te volgen om maar flink te zijn of om de angst te ontkennen. Ik leer steeds beter om mijn zorgelijke aard te zien als een zegen. Want m’n gevoeligheid biedt me veel mogelijkheden per dag. Mogelijkheden om opnieuw te kiezen en een wonder te ervaren. Ik stel me nu niet meer de vraag ‘hoe kom ik hier zo snel mogelijk vanaf?’ maar de vraag ‘waartoe hecht ik geloof aan deze angst?’ Ik maak mezelf minder wijs dat ik slachtoffer ben van een nare, toekomstige, situatie maar dat ik kennelijk geloof dat die angst me iets oplevert.

Wat gebeurt er als je de angst onder ogen ziet en niet direct je neiging volgt deze te willen fiksen? Kijk er naar en durf de angst voelen. Zonder schaamte en zonder schuldgevoel. Laat de angst naakt voor je staan en zeg: ‘zo, daar ben je weer. Wat wil je nu dat ik van je aanneem, waarvan wil je me overtuigen?’. Als je dan goed luistert dan merk je dat de angst je zegt dat je een lichaam bent, kwetsbaar en sterfelijk. En als je dan heel stil bent en heel eerlijk durft en leert te kijken dan zie je dat het helemaal terug gaat naar de overtuiging dat je afgescheiden bent van God, van de liefde, zondig en schuldig. Maar zelfs als je dat laatste nog niet ziet kan het heel behulpzaam zijn om die kleine switch te maken van jezelf slachtoffer voelen van omstandigheden buiten je naar de mogelijkheid om te kiezen.

‘Ik denk dat ik automatisch bang en bezorgd word maar de Cursus leert dat ik er diep van binnen voor kies om de angst serieus te nemen. Hoe zou het zijn als ik deze angst-signalen wel zou waarnemen maar ze niet langer zo serieus zou nemen? Als ik niet zou vechten, maar ze rustig zou accepteren en ze op een dienblaadje zou presenteren aan de Heilige Geest? Kijk Heer, ik geloof dat ik een kwetsbaar wezentje ben, overgeleverd aan omstandigheden buiten mezelf. Kennelijk denk ik dat dit me iets oplevert, dat ik me zo, gek genoeg, een echt stevig ikje kan voelen dat echt bedreigd kan worden. Heer, U leert me dat dit niet nodig is. U leert me dat ik zondeloos, veilig en zonder grenzen bent. Kennelijk vind ik dit nog spannend om te geloven maar ik wil het een kans geven. Ik wil ervaren dat Uw liefde altijd in me stroomt. Ik wil niet luisteren naar valse getuigen die zogenaamd buiten mij zijn maar die ik zelf projecteer, de buitenwereld en andere mensen. Nee, ik wil luisteren naar de enige ware Getuige. Hier ben ik met mijn angsten en zorgen. Ik kies voor U, voor liefde. Dank u dat U de Waarheid bent. Dank’

Les 240: Angst is niet gerechtvaardigd, in geen enkele vorm.

Samen op weg

image

We voelen ons aangetrokken tot ‘verlichte leraren’. Dat is ook niet zo gek. We herkennen het onbewust als we in contact komen met iemand bij wie de ego-identificatie wat minder hecht is geworden. Hoewel zo iemand onze ego-structuren op de korrel kan nemen zal onder de woorden toch liefde doorklinken.

Zoals gewoonlijk schiet ons ego makkelijk wat door in zijn zoektocht naar een zogenaamde verlichte leraar. ‘Is hij of zij nu wel of niet verlicht?’. Ieder spoortje identificatie dat we nog bij die ander bespeuren is voor ons het bewijs dat hij nog niet verlicht is. ‘Zag je dat hij boos werd en zich begon te verdedigen?’ We leggen onszelf langs dezelfde strenge meetlat. ‘Hé, nu trap ik er weer in. Wanneer raak ik nu toch eindelijk eens verlicht?’

En zo zijn we weer terug bij af. Je zou denken dat bij het benaderen van die verlichting aspecten als liefde, verdraagzaamheid en zachtmoedigheid steeds meer zichtbaar en voelbaar zouden worden. Maar het tegendeel blijkt dus vaak het geval. Verlichting wordt het laatste, strenge alles-of-niets oordeel.

Hoofdstuk 26 uit het Handboek voor leraren is wat dit betreft erg verfrissend om door te lezen. Het stelt dat God inderdaad rechtstreeks kan worden bereikt. Dit gebeurt wanneer ALLE barrières tegen de waarheid en liefde zijn geslecht. De Cursus vraagt vervolgens: bij hoevelen is dit het geval? Het zijn de leraren der leraren waarvan Jezus en de Heilige Geest symbolen zijn.

Voor de rest van de leraren binnen de droom geldt dat ze verlichtingservaringen kunnen hebben zoals jij en ik wanneer we onze vergevingsoefeningen doen en ons overgeven aan de liefde. Er kan sprake zijn van een korte ervaring van een rechtstreekse vereniging met God. Het komt echter zelden voor dat dit een groot deel van de aardse tijd wordt ‘volgehouden’. Dit is zo zeldzaam dat het niet als realistisch doel kan worden beschouwd. Als het gebeurt; prima. Zo niet; ook prima. En dan, zo mooi: ‘wanhoop dus niet vanwege beperkingen. Het is jouw functie om aan ze te ontkomen, maar niet om zonder ze te zijn’. God neemt je waar je bent en heet je welkom.

En wat is het mooi als we zo ook elkaar beschouwen in de wetenschap dat het onderscheid tussen leraren en studenten een waterscheiding is. Alles draait om liefde en verbondenheid. Niet om (zelf-)beoordeling, op voetstukken plaatsen of van voetstukken afgooien. In onze veroordeling van leraren met zelfgenoegzame trekjes ligt de veroordeling van onze eigen denkbeeldige afscheiding van de liefde. Laten we ze liefhebben, ons blij laten verrassen als ze iets zeggen wat behulpzaam is en liefdevol glimlachen als we nog iets van ons eigen ego herkennen in hen. Zo zijn we samen op weg en bloeien we samen op in Liefde.

Vechten tegen onvrede

ontevreden voetballer

Het kost ons weinig moeite om een flinke ruzie, ongenoegen of pijn op te merken. Dit is allemaal zo vervelend dat we er zo snel mogelijk vanaf willen. Niet zelden is dit een reden om nog een schepje op onze Cursus-inspanningen te gooien. Vandaag viel me op dat een vorm van ongenoegen als een soort basishouding aanwezig kan zijn. Het doet me denken aan die analogie van een ijsberg. Het topje dat boven water uitsteekt zijn de genoemde heftige voorvallen. Onder het wateroppervlak, onbewust, bevindt zich echter 90% van het ongenoegen. Een paar voorbeelden.

  • Die ander is best wel okay maar heeft toch hinderlijke trekjes
  • Wat hebben we eigenlijk een slechte zomer!
  • Mijn uiterlijk bevalt me niet helemaal. Ik ben te dik, heb te veel rimpels, ben niet getraind genoeg; enzovoort
  • Het blijft tobben met die Cursus, wanneer ben ik nu eindelijk eens verlicht?

Ik laat, zoals gebruikelijk, eerst het ego even reageren. “Is dit dan fout? Mag dit dan niet? Ik mag toch streven naar verbetering? Moet ik dan alles maar goed vinden? Sla je nu niet een beetje door?

Had je deze reacties al bij jezelf herkend? En het klopt ook. Binnen de illusie doen we niet anders dan dingen willen veranderen die ons niet bevallen. Als ik jeuk heb dan krab ik even. Niks mis mee. Gewoon blijven doen, zonder enig schuldgevoel.

Toch is het, voor mij in ieder geval, een mooie oefening om die sluimerende onvrede wat meer in het vizier te krijgen. Die lichte, alledaagse kriebel van ‘zoals het nu is, is het net niet goed genoeg’.  De Cursus leert ons dat het ervaren van onvrede een signaal voor ons mag zijn. Binnen de illusie is onvrede een startschot om in actie te komen. We willen dingen veranderen en verbeteren om de vrede weer te herstellen. Dit herstel is echter altijd tijdelijk want welke reparatie je ook uitvoert, uiteindelijk komt er weer een andere vorm van narigheid voor in de plaats. We verliezen onze denkbeeldige veldslag en menen we dat we na 80 90  jaar dappere strijd toch zullen sterven.

Voor ons, studenten van de Cursus, is het signaal van onvrede een uitnodiging om een vergevingsoefening te doen. Want wat vertelt ons dit signaal? Het bevestigt onze illusie van afgescheidenheid. IK ben niet helemaal gelukkig en moet iets in de denkbeeldige buitenwereld veranderen om gelukkig te worden. Het bevestigt ons ik-gevoel. Er is sprake van een gekke verslaving aan een chronisch gevoel van onvrede. Want wie zouden we zijn als we deze onvrede konden vergeven? Als we deze naar de liefde zouden brengen? Kun je iets van de angst ervaren wanneer je onvrede niet meer heel serieus neemt? Willem Glaudemans gaf een tijdje geleden een lezing met als titel “ik heb vrede met mijn onvrede”. Dit is geen pleidooi om onbewust genoegen te nemen met een leven vol onvrede. Nee, het is geen uitnodiging om onvrede maar te accepteren als ons onafwendbare lot.

Wat moet ik dan doen? Kan ik er iets aan doen? Niet echt. Die zogenaamde IK is binnen de illusie ontstaan juist uit onvrede. Omdat alles ons niet genoeg was zijn we gaan geloven in denkbeeldige grenzen. We willen meer dan alles, meer dan onvoorwaardelijke liefde en zijn dat gaan zoeken in een door ons zelf geprojecteerde wereld. Dat gaat hem niet worden. Inspanning van die IK werkt niet. IK kan niet zagen aan de poten van de illusie waarop IK juist gebaseerd is.

We mogen daarentegen ontspannen in de liefde die we zijn. We mogen hulp vragen aan de Heilige Geest. Overgave aan onze vader, bijvoorbeeld met de werkboekles van vandaag:

God is mijn Vader, en Hij houdt van Zijn Zoon.

Voel de liefde die uit deze les spreekt. Voel dat je hierdoor gedragen wordt. En geef vervolgens je gevoel van onvrede (en je gehechtheid hieraan) over aan deze liefde. Dan vindt het wonder plaats en blijkt vrede mogelijk, zelfs als het binnen onze droomwereld niet allemaal meezit. En vanuit vrede kunnen we ook handelen in deze wereld. Ook dan kunnen we onze voorkeuren volgen. Maar op de achtergrond is er dan een besef dat we dit doen vanuit vrijheid en niet uit een illusie dat onze daden ons iets moeten opleveren dat we kwijt meenden te zijn. We zijn niks kwijt want God houdt van Zijn Zoon. Vanuit deze Liefde ben je vrij. Vrij om te zijn, en vrij om lekker aan te rommelen binnen de illusie. Zonder enig schuldgevoel. Wees vrij en enjoy the ride als een gelukkige leerling.

Onredelijkheid?

onredelijk

Ik was negentien jaar, had net mijn rijbewijs gehaald en woonde nog bij mijn ouders. Mijn vader leende zijn auto af en toe aan me uit en ik betaalde hem daarvoor benzinegeld. Op een regenachtige zaterdag moest ik even een boodschap doen aan de andere kant van het dorp. Het zou hoogstens een half uurtje duren.

‘Pap, mag ik de auto even een half uurtje lenen?’

‘Nee’

‘Waarom niet?’

‘Deze keer niet’

‘Heb je hem zelf nodig?’

‘Nee’

‘Maar ik betaal je gewoon de benzine en ik ben zo terug; waarom mag ik dan de auto deze keer niet lenen?’

‘Ik wil het gewoon niet’

Het ging zo nog een tijdje door maar de beste man bleef bij zijn standpunt. Ik begreep het niet. Zo veel onredelijkheid. Wat een vervelende machtswellusteling! Ik probeerde natuurlijk medestanders te zoeken. Mijn moeder hield zich wijselijk buiten de discussie. Mij restte niet veel anders dan het verhaal later te vertellen aan mijn vrienden om zo veel mogelijk medestanders te vinden die het ook allemaal belachelijk vonden.

Dit soort situaties blijven ons achtervolgen. Onze wens wordt afgewezen en we snappen waarachtig niet waarom. Als aan ons verzoek voldaan wordt benadelen we toch niemand? Waar slaat het op om ons zo koppig iets te weigeren? Waarom moet die ander zo nodig op zijn of haar strepen gaan staan? Wat is dit toch voor kinderachtig gedoe? En vermoedelijk herken je ook wel die neiging om medestanders te zoeken die begrip tonen voor jouw gekwetste onschuld. Je bent woedend en zou het liefst in de tegenaanval gaan. Je wilt die ander duidelijk maken dat het nergens op slaat, dat hij jou nodeloos te kort doet. Kortom; je wilt aantonen dat hij schuldig is en dat jij het schuldeloze slachtoffer van zijn of haar willekeur bent.

Zo ontstaan zelfs oorlogen. Als een heel volk jouw gevoel voor onrecht deelt en besluit dat een aanval op de schuldige gerechtvaardigd is dan gaat het de straat op. Vuisten worden gebald, vlaggen verbrand, stenen geworpen en ga zo maar door. Het begon zo ‘klein’. Mij werd onrecht aangedaan.

Nu maar eens wat verder kijken. Wat gaat er schuil onder mijn boosheid? Waarom maakte de tegenwind die mijn vader mij boos terwijl ik niet boos word als ik letter tegenwind ervaar op de fiets? Omdat er nu opzet in het spel was, natuurlijk. Mijn vader deed mij te kort. In feite ging hij over mijn grenzen. Hij toonde geen respect en gaf me te kennen dat hij de baas was en ik niks te willen had. Ik voelde me vernederd. Mijn ego werd zwaar gekrenkt.

Wat zou er achter de halsstarrige weigering van mijn vader hebben kunnen liggen? Uiteindelijk kom ik dan terecht bij angst. Hij moet gevreesd hebben dat ik over zijn grenzen heenging. Hij wilde een punt maken: dit is mijn huis en dit is mijn auto, mijn huisje op wielen. Ik ben hier de baas en ik heb het gevoel dat ik controle verlies. Daar ben ik bang voor dus bijt ik nu eens flink van me af. Dit is mijn territorium en hier gelden mijn regels.

En daar stonden we toen, en in dergelijke situaties sta ik nog regelmatig. Ik meen een koppige en onredelijke houding bij de ander te zien en reageer zelf ook met koppigheid. Het zwartepieten met schuldgevoelens kan beginnen. Het is hij of ik. Wie heeft er uiteindelijk de macht?

Twee angstige mensen die tegen over elkaar staan en geen van beide zien hoe bang ze zijn. Allebei willen ze hun grenzen bevestigd zien en gerespecteerd worden. Waarom? Omdat het te eng is om grenzeloos te zijn. Want wat blijft er over als je het schild van verdediging en de speer van de tegenaanval laat zakken? Wat gebeurt er als je in de ander geen aanvaller ziet maar een bang kind dat ook achter zijn schildje is gekropen en angstig zijn speertje op jou richt. Zonder duidelijke reden, vanuit dezelfde angst?

We kunnen met onze boosheid en angst naar de liefde keren en de werkboekles zachtjes laten klinken: Alleen mijn veroordeling verwondt me. Mijn gevecht tegen die ander is het gevecht tegen mijn eigen angst om me open te stellen voor de liefde. Let goed op het tegengeluid van het ego. ‘Moet ik die ander dan altijd maar zijn zin geven?’ En daar geeft de Cursus geen standaardantwoord op. Geen tien geboden van correct handelen. De Cursus kijkt naar onze intentie; kiezen we voor een ego-aanval of voor de liefde? Hoe reageren we als we tegenover een angstig kind staan? Geven we het altijd de zin? Nee, zeker niet. Als we alleen een koppig, stampvoetend wezentje met een rood hoofd zien dan reageren we met boosheid. Maar als we de angst zien dan reageren we liefdevol. Voel je het verschil in kwaliteit?

Ik wil mezelf wat vaker inpluggen in de bron van Liefde. Kiezen om naar die zachtere Stem te luisteren en niet de straat op te gaan met het ego om daar boos een protestmars te beginnen. Hij staat klaar om Zijn Liefde te laten stromen. Durf ik het aan om me hiervoor te openen?

Wie is de schuldige?

Murder-Mystery

Een collega van me had een opleiding succesvol afgesloten en daarvoor een diploma gekregen. Dat is mooi natuurlijk. De man was er duidelijk blij mee en trots op zijn prestatie. Foto’s van de diploma uitreiking werdern per mail rondgestuurd, gebak bij de koffie en een glunderend mens. Ik vond het eigenlijk allemaal een beetje ‘te’. Een oude programmering speelde me op. ‘Doe nu maar normaal, wees bescheiden, ga niet naast je schoenen lopen’, dat soort uitspraken kwamen naar boven. Als je een tijdje bezig bent met de Cursus dan krijg je er wat sneller oog voor hoe rap je een ander beoordeelt of zelfs, zoals in deze kwestie, veroordeelt.

Ik zie mijn oordeel en besef dat ik alleen mezelf kan veroordelen. De door mij waargenomen trots bij mijn collega staat symbool voor mijn denkbeeldige trotse afscheiding van God, van de Liefde. Onbewust voel ik me schuldig voor deze illusoire afscheiding en meen ik dat ik straf verdien. Omdat ik dit natuurlijk niet fijn vind, heb ik de schuld (vermeende trots) geprojecteerd op mijn collega en ben ik onbewust blij dat hij de straf voor mijn ingebeelde zonde moet dragen.

Op dit soort momenten ben ik niet zo blij met de Cursus. Want hoewel ik dankzij de Cursus een beetje zicht heb gekregen op dit proces van projectie keert de beschuldiging zich direct om. Mijn collega is ‘off the hook’ en nu hang ik er zelf aan. ‘Shit, waarom beschuldig ik toch zo snel? Heb ik nu nog niet geleerd hoe stom het is om een ander te beschuldigen? Je schrijft leuke stukjes op Facebook maar toepassen in je eigen leven, ho maar!’.

Ja, zo gaat dat in de wereld van het ego. Iemand moet schuldig zijn. Hij of ik. Dat zijn de opties. Je ziet het ook terug in alle conflicten die we via het journaal voorgeschoteld krijgen. We smeken om duidelijkheid. Wie is er goed en wie is er fout? Assad en de Russen zijn fout in Syrië, de rebellen zijn goed. Toch? De Irakezen zijn nu goed want die vechten tegen IS. Toch? Hillary is goed want Trump is onbeschoft. We willen duidelijkheid. Smeken om een schuldige en een onschuldige. Dat is het spel en zolang we menen te moeten kiezen tussen twee partijen leunt ons ego relaxt achterover. ‘Goed zo, zoek het goed uit, kies partij en veroordeel!’

En alles gaat terug op die oer-vergissing. Onze overtuiging dat de afscheiding echt heeft plaats gevonden en dat er echt sprake is van schuld. Nu terug naar mijn geslaagde collega en mijn zure reactie. Wie van beide is nu fout? Noch hij, noch ik. Ik zie slechts het ego-spel voor mijn ogen plaatsvinden. Ik mag opnieuw kiezen, samen met Hem.

Heer ik meen dat er een schuldige moet zijn. Dat er iemand is die zich zou moeten schamen. Nu zie ik dat ik mijn projectie op mijn collega gebruik om zelf ergens vanaf te komen. Maar ik hoef nergens vanaf te komen. Ik zie dat ik er steeds weer voor kies om in schuld te geloven omdat dit het gevoel van mijn denkbeeldige ikje versterkt. Wie ben ik als ik het geloof in schuld los laat? Wie ben ik als ik tegen mijn schaamte zeg: “Nee, bedankt. Ik hoef jou niet”. “Collega en ik zijn één. We zijn verbonden in Liefde, met Hem”. Heer, lik kies voor Uw Liefde. Uw Liefde stroomt nu door mijn hart”. Dank U.

Heelt tijd alle wonden?

future

Dit zijn de woorden waarmee men ons soms probeert te troosten als er iets ergs gebeurt in ons leven. Als we een trauma meemaken en bijvoorbeeld een naaste verliezen. En het klopt ook wel dat binnen onze droomwereld de scherpe kantjes wat lijken te verdwijnen naarmate de tijd verstrijkt. En toch. Als we dan in gedachten teruggaan naar traumatische gebeurtenissen die decennia geleden hebben plaatsgevonden dan blijkt de wond dikwijls verre van genezen. Opgekropte pijn kan in alle hevigheid naar boven komen en oudere volwassenen kunnen hartverscheurend huilen als ze ‘terug gaan in de tijd’.

Nee, de tijd is niet onze natuurlijke vriend. Integendeel. De tijd is een belangrijk onderdeel van de illusie. Het is een projectie die we zelf verzonnen hebben met een heel duidelijk doel. Het ego smult van een uitspraak als ‘gedane zaken nemen geen keer’. Het vindt het heerlijk als onze denkbeeldige zonden in het steen van de tijd gekerfd worden. Het vindt het prachtig als we achtervolgd worden door ons zogenaamde verleden. Als we vervuld worden met gevoelens van machteloosheid. Van onveranderlijkheid. Liefst combineert het ego dit met een angstaanjagende en onvermijdbare toekomst. Wat hangt ons allemaal boven het hoofd aan ellende? Oorlog, milieurampen, persoonlijke ellende en natuurlijk de onafwendbare dood.

En zo vormen we dan het angstige beleg van de nare sandwich genaamd ‘tijd’. We spartelen om aan de omknelling te komen maar ‘de gedane zaken’ en ‘de onvermijdbare toekomst’ houden ons stevig vastgeklemd. Hier proberen we dan maar het beste van te maken. Als we mazzel hebben komen we onze 80 levensjaren zonder al te veel ellende door waarna we min of meer tevreden het moede hoofd neer kunnen leggen. Het ego staat nu op de bank en applaudisseert luid. Yes, zo wil het dat we ons voelen!

Maar waartoe wil ons ego dit zo graag? Kijk maar eens goed wat het met je doet als je bovenstaand verhaal over verleden en toekomst gelooft. Zie hoe het je gevoel van afgescheidenheid bevestigt.  Je voelt je klein en een strijder tegen het leven. Het is interessant om eens voorzichtig te zagen aan deze belangrijke poot van de stoel van ons ego. Dat kun je als mentale oefening vrij gemakkelijk doen. Want als we nuchter de blik naar binnen slaan dan moeten we al snel erkennen dat verleden en toekomst inderdaad niet bestaan. Ons geheugen is niets anders dan beelden die we ons NU herinneren. De toekomst is niets anders dan beelden die we ons NU verbeelden. En beelden zijn maar beelden. Afgoden die we kunnen geloven, of niet..

Maar ik wil je uitnodigen om dit niet uitsluitend als oppervlakkig gedachtenexperiment uit te voeren. Laat die beelden uit verleden en toekomst maar eens verschijnen. En ja, dat kan pijn doen of angst veroorzaken. En ja, het kan heel behulpzaam te zijn om dit te samen te doen met iemand die je hierin kan begeleiden. Als we het namelijk alleen doen bestaat de verleiding dat we de beelden zo serieus nemen dat we voortijdig afhaken en er van weg rennen. We menen dan dat onze pijn en angstgevoelens echt zijn en daarom zo snel mogelijk ontweken moeten worden.

Als kind woonde ik op een woonboot die aan het einde van een donkere dijk lag. Als ik ’s avonds over de onverlichte dijk terug liep naar de boot was ik bang. Ik hoorde het riet wuiven in het donker en het zwarte water klotsen tegen de wal. ‘Ik ben niet bang, ik ben niet bang, ik ben niet bang’, hield ik mezelf voor. De schreeuw van een reiger was voldoende om mijn hartslag te verdriedubbelen en me een sprong van schrik te laten maken. Ik was wel bang. Heel bang.

Dus voel die pijn uit het verleden en die angst voor de toekomst en ‘beleid’ dat je erin gelooft. ‘Ja, ik denk dat ik voor het leven gekwetst ben. Ja, ik ben doodsbang voor ziekte en de dood’. Erken het, voel het. En erken dan wat deze gevoelens je lijken te bieden. Ondanks het feit dat je het rot gevoelens vindt bieden ze je toch iets. Namelijk het gevoel dat je bestaat. Dat je heel erg bestaat, in al je afgescheidenheid. En dan, met dank wederom aan Byron Katie, wie zou je zijn zonder die pijn en zonder die angst? Zie, een heel klein beetje hoe spannend het is om deze nare gevoelens heel voorzichtig te betwijfelen.

Vervolgens is het moment daar niet met het ego naar de tijd te kijken maar met de Heilige Geest. Het is NU tijd om met je gevoelens van pijn, angst en gezonde twijfel naar Hem te gaan. Naar de Liefde. Kijk Heer, ik heb pijn. Ik ben zo bang. Ik zie dat ik gek genoeg vasthoud aan deze gevoelens en dat ik niet de kracht heb om ze los te laten. Hier ben ik heer. Ik leg al deze gevoelens in Uw handen. Geef me Uw blik hierop. De blik van vergeving. Geef me Uw kracht. Niet om echte ellende te overwinnen maar om er niet langer in te geloven. Ik wil mijn blik richten op U, op de Liefde. Dank U dat Uw Wil al is geschied. Dat ik zeker in Uw armen land als ik me toevertrouw aan U.

Les 214: Ik leg de toekomst in Gods Handen.