Innerlijke weerstand

Moet je eens meekijken wat er gebeurt. Ter illustratie ‘mijn’ thema, doorslaap problemen. Maar vul hier gerust je eigen vorm van slachtofferschap in. Ik word dus vroeg wakker en de self-fulfilling prophecy begint. ‘Oei, oei; als ik nu toch maar weer in slaap kan komen!’ Dus niet. Het rusteloze woelen begint. Ik zie dat ik dit op deze manier mezelf aandoe en vind dat knap stom. Zelfverwijt. Het gevoel van machteloosheid groeit en slaat me in de boeien. Daar lig ik weer. Klaarwakker. En ik kan er niks aan doen. Zielig. Maar wat een prachtige gelegenheid om te oefenen.
Ik zie de neiging om er wat Cursus-teksten tegen aan te gooien om er zo snel mogelijk af te zijn en weer door te slapen, maar houd me nog even in. Want onder het dekbed ligt een levensgroot thema verborgen, stevig met de ogen dicht. Dat thema heet: slachtoffer. Ik voel de innerlijke weerstand tegen het zorgvuldig onderzoeken van dit gevoel. Het slachtoffer in me wil vooral klagen. ‘Wat een pech, wat doet de wereld mij toch aan, het overkomt me allemaal en ik kan er niks aan doen etc etc”. Ik moet mezelf echt dwingen om heel precies te kijken. Kijken en voelen. Natuurlijk weet ik verstandelijk al lang hoe de vork Cursus-technisch gezien in de steel steekt. Maar op één of andere manier weet ik dat ik eerst helemaal in de huid van het slachtoffer moet kruipen. De totale machteloosheid door en door ervaren. Totaal doordrongen worden van mijn bijgeloof: ik ben het zielige, machteloze slachtoffer van een wereld waar ik totaal geen invloed op heb. En nu zie ik mijn grote geloof in een ‘ik’ en in een boze buitenwereld. Ik wil het niet toegeven maar ik moet eerst bekennen hoezeer ik toch geloof in deze illusies. In deze projecties die ik zelf in het leven heb geroepen. Ook hier is eerlijkheid vereist. Niet te snel een niet-doorleefde Cursus-wijsheid er op plakken. Nee, het bijgeloof diep erkennen.
De illusie heeft alle aandacht gekregen waar deze om vroeg. En vanuit de machteloosheid vertrouw ik nu een Stem die me zegt: Liefde lost mij op tot Liefde. En heel rustig laat ik zo af en toe dit zinnetje weerklinken. En ik vertrouw Hem. En houd van Hem. Zo innig. Zo dankbaar. En Hij ís trouw. En in zijn trouw schenkt Hij mij Zijn diepe vrede. Teder.

WB295: Christus vraagt of Hij vandaag mijn ogen mag gebruiken om zo de wereld te verlossen. Hij vraagt dit geschenk, opdat Hij mij innerlijke vrede kan schenken, en alle panische angst en alle pijn wegnemen kan.

Werken met het Tekstboek

Het is aardig om je weer eens af te vragen waarom je eigenlijk met de Cursus bezig bent. Iedereen zal het op zijn eigen manier uitdrukken maar waarschijnlijk komt ‘om gelukkig te zijn en vrede te ervaren’ voor de meeste van ons dicht in de buurt. Niks mis mee. Omgekeerd vormt dan iedere gelegenheid waarin we ons niet gelukkig voelen een mogelijkheid om te oefenen en te leren. Gisteren noemde ik als voorbeeldje het ongewild niet kunnen slapen. Maar de cursus nodigt ons uit om te generaliseren. Vul elk gevoel of sensatie maar in waar we van af willen. Pijn, verdriet, angst, schuldgevoel, boosheid, irritatie, stress, gekwetstheid enzovoort.

De ervaringen die we hierin opdoen laten zich ook generaliseren. Want herken je deze algemene uitspraak: ‘Dit overkomt me en hoe ik ook mijn best doe, ik kom er maar niet vanaf’? Herkenbaar? Een beetje ‘the story of our lives’, zou ik haast zeggen. De hardnekkigheid waarmee de ellende aan ons vast lijkt te kleven. We hebben het idee dat we vast zitten, dat we geen vorderingen maken hoe goed we onze Werkboeklessen ook doen.
Ten eerste is het dan een troost dat de Cursus zegt dat wij onze vorderingen niet zelf kunnen inschatten. Als we denken dat we erg gevorderd zijn omdat het ons toevallig voor de wind gaat bestaat de kans dat we weinig leren. Omgekeerd kunnen we tijdens onze worstelingen denken dat we geen vooruitgang boeken en toch veel leren. Een troostrijke gedachte.
En ten tweede motiveert de ogenschijnlijke hardnekkigheid van negatieve ervaringen mij om het Tekstboek heel serieus te nemen. We vinden het vaak lastig en zijn in onze doe-cultuur eerder geneigd om te oefenen met Werkboeklessen. Tijdens dat oefenen lopen we tegen die schijnbare hardnekkigheid aan van de negatieve gevoelens. Maar het is vooral het Tekstboek waaruit we kunnen leren waarom het zo lastig is om ‘succes te boeken’.

In het Tekstboek lezen we over ons slachtofferschap. Waar komt het vandaan? Waarom is het zo hardnekkig? Tijdens de Werkboeklessen merk je dat die nare gevoelens hardnekkig zijn. Tijdens het bestuderen van het Tekstboek leer je hoe dit komt. En dit is niet een feitje wat grappig is om te weten. Nee, het is een waarheid die behulpzaam is. Die je de ogen kan openen tijdens het doen van Werkboeklessen en tijdens het worstelen met negatieve ervaringen. Jezus heeft niet voor niks de honderden bladzijden van het Tekstboek gedicteerd. In mijn beleving is het een absolute noodzaak om ook werk te maken van het Tekstboek. Het bestuderen hiervan is onderdeel van de training.

Ik hoop dat deze overdenking voor jullie allemaal een enorme open deur is. De cliché van de maand. In dat geval: sorry. Dan was dit stukje vooral voor mezelf bedoeld 😉.

Affirmaties; goed of fout?

Alleen de toonzetting van deze vraag zou je al alert moeten maken. Wie is het die grossiert in dit soort zwart-wit oordelen? Herken je hem? Niet de Heilige Geest, dat is zeker. De vraag kwam naar voren in een gedachtenwisseling over omgaan met wat wij omschrijven als negatieve gevoelens. Moet je die aangaan of niet? Mag je hier affirmaties inzetten bijvoorbeeld in de vorm van het herhalen van de Werkboekles?

Affirmaties zijn natuurlijk goed noch slecht. Of ze helpen om te leren hangt af van de vraag waartoe je ze gebruikt. Stel je bent heel bang. De angst is zo echt voor je dat je deze niet in de ogen wilt kijken. Je wilt het niet aangaan en je schreeuwt de affirmaties om de angst weg te duwen. Fout? Nee hoor, als je overweldigd dreigt te worden door iets waarvan je denkt dat het echt heel eng is dan is het begrijpelijk. Daar kun je gewoon liefdevol naar kijken. Het is echter in mijn ogen wel een liefdevol vragen van uitstel. Want je gelooft nog steeds dat de angst echt is. Het komt overeen met het nemen van een pijnstiller als je pijn hebt. Is dit slecht? Nee, wel een vorm van magie maar de Cursus is hier mild over. Als de angst te groot is om er doorheen te gaan en te ontdekken wat de angst bedekt, waar je echt bang voor bent dan is dat voorlopig oké.

Maar als je wilt kan het anders. Je voelt weer de angst. Maar je gaat niet te snel affirmaties schreeuwen. Deze keer ga je wat verder naar de angst toe. Je wilt ervan leren. Leren dat hij niet van buiten komt maar van binnen. Het is paradoxaal. Om er van af te komen moet je er naar toe gaan. En als je heel eerlijk bent en een beetje dapper dan hoor je inderdaad heel hard geschreeuw. Maar niet van de Heilige Geest. Maar van het ego. En je staat vlak voor zijn schreeuwende gelaat. Je ruikt de geur van angst van zijn adem. Je ziet zijn blinde paniek en voelt je lichaam reageren. Adrenaline, hartslag. Maar je doet geen stap maar besluit wel eens op te letten of je een zachtere Stem kunt horen. Het redelijke alternatief. En dan herhaal je eens een keer zachtjes de Werkboekles. Je kiest ernaar om naar het andere geluid te luisteren. Niet om zo snel mogelijk weg te rennen. Nee, om te ervaren dat je geen angst maar Liefde bent. Dat er niks gebeurd is en niks gebeurt. Geen verdringing maar vertrouwen. En Hij is trouw en spreekt altijd. Daar ben ik dankbaar voor.

WB 293: Vader, laat Uw heilige wereld vandaag niet aan mijn blik ontsnappen. En laat evenmin mijn oren doof zijn voor alle dankliederen die de wereld zingt onder de klanken van de angst. Er is een werkelijke wereld die door het heden wordt behoed voor alle vroegere vergissingen. En ik wil vandaag alleen deze wereld voor mijn ogen zien.

Hoe gaat dit aflopen?

Hoe vaak stellen we ons niet deze vraag? Hoe loopt het af met de ellende in de wereld? Hoe zal het verder gaan met mijn zieke partner of kind? Direct hieraan vastgekoppeld zit de twijfel of we het wel goed doen. Hoe kan ik ervoor zorgen dat het goed afloopt? Moet ik wel of niet verder gaan met deze relatie? Doe ik er goed aan om bij hem in te trekken? Wat haal ik mezelf op de hals? Moet ik die nieuwe baan wel aannemen? Je weet wel wat je hebt maar niet wat je krijgt. Deze lijst met twijfel en onzekerheid is eindeloos lang. Het aantal voorbeelden is legio.

En met ‘legio’ (vele) worden ook onze afgoden aangeduid. Situaties in de denkbeeldige buitenwereld waarvan we denken afhankelijk te zijn voor ons geluk. Die ons in onze perceptie kunnen maken of breken. Dit is bijgeloof. Vat dit niet verkeerd op. Bovenstaande vragen moeten gewoon serieus genomen worden in ons dagelijks leven, hoe denkbeeldig dit ook mag zijn. Het is niet goed of fout om hier je voorkeuren te volgen en zaken goed te overdenken en te doorvoelen. Maar het is een enorme geruststelling om te mogen leren dat ons geluk er niet vanaf hangt. En deze uitspraak roept veel vragen op. Verontwaardiging zelfs, als je diepe ellende meemaakt of ziet. Maar het is niet makkelijk bedoeld. Geen toverformule. Geen ontkenning van ‘de modder’ waar ik gisteren over schreef.

De Cursus biedt hoop. Een zekerheid die niet van deze wereld is. Die niet van ons afhangt. Ze wijst er namelijk op dat de goede afloop er nu al is. Recht voor onze neus. Het is al volbracht omdat er niets te volbrengen viel. We zijn nooit weggeweest uit de Liefde die we zijn. We hebben er ons geprobeerd uit weg te denken. En daar zijn we goed in. We bedenken legio manieren om ons in de problemen te denken. Zo maken we het leven zo ingewikkeld mogelijk. Om de vrede en het geluk te wikkelen in donkere doeken van pijn, angst en bezorgdheid. MaarJezus zegt ons in de Cursus: ‘ Een gelukkige afloop staat voor alles vast’. Zelfs als in onze ogen alles fout lijkt te gaan. Wat willen we zien? Wat willen we geloven en welke stem vertrouwen we? De angstige stem van ons ego of de Stem van Liefde? De Cursus belooft ons geluk. Niet later, maar nu. Niet als denkbeeld. Nee, we mogen onze zorgen en angsten bij Hem brengen en nu vergeving en vrede ervaren. Want Gods Wil geschiedt. Nu.

WB 292: We danken U, Vader, dat U er borg voor staat dat alles uiteindelijk slechts een gelukkige afloop kent. Help ons die niet te hinderen en aldus het goede eindresultaat uit te stellen dat U ons hebt beloofd voor elk probleem dat wij kunnen zien, voor elke beproeving die we denken nog steeds het hoofd te moeten bieden.

Met je poten in de modder

De metafysica van de Cursus laat er geen twijfel over bestaan. Onze ellende is ingebeeld. Een truc van het ego, geworteld in schuldgevoel en angst. Slachtofferschap om ons afgescheiden te voelen van de Liefde. En dan kijk je naar het journaal. Bomaanslag, neergestort vliegtuig en neergestoken mensen in Israel. Laat ik voor mezelf spreken. Ik moet oppassen. Oppassen dat ik de Cursus niet gebruik als een stevige borrel. Om mezelf te benevelen met mooie passages over vrede en geluk. Ken Wapnick zegt het zo treffend: “Therefore, before you can truly see holiness around you, you first must realize how angry, despairing and upset you are by what goes on in the world’.

Dus als ik beelden zie van een vader die het lichaampje van zijn geknakte dochtertje draagt dan mag ik huilen. Dan mag ik zijn verdriet voelen. Ik mag, nee moet, meevoelen met vluchtelingen. Met nabestaanden. En zo ‘buiten’, zo ‘binnen’. Transformatie is in mijn ervaring onmogelijk zonder eerst de gevoelens aan te gaan. Ze in al hun nepheid totaal echt te laten zijn. Totaal. Met je poten in de modder. Dan pas heb je iets aan te bieden op het altaar en weet je dat je het zelf niet kunt. Je geeft het op en richt je ogen op Hem. Dan pas kan het verscheurde lichaam brood des levens worden. Dan pas verandert bloed in wijn. Echte vergeving, een echt wonder.

WB291: De visie van Christus kijkt vandaag met mijn ogen. Zijn blik laat me zien dat alles vergeven en in vrede is, en biedt deze zelfde visie aan de wereld aan. En ik neem deze visie aan in haar naam, zowel voor mezelf als voor de wereld. Wat een lieflijkheid zien we vandaag! Wat een heiligheid zien we om ons heen! En het is ons gegeven in te zien dat het een heiligheid is waarin wij delen: het is de Heiligheid van God Zelf.

Niet alleen

Als je worstelt tegen de pijn en vecht tegen slapeloosheid en verdriet. Als de berg shit gewoon even te groot is en de machteloosheid je aanvliegt. Als die woorden van de Cursus zo ver weg lijken. Als je er gewoon niet bij meer bij kan. Als de cijfers op je wekkerradio het enige lichtpuntje in je leven lijken te zijn. Weet dan; je bent niet alleen.

Hij hing daar aan het kruis. Doorboord met spijkers en doornen. ‘Ach, Hij kan toch niet lijden’, lachten de wijsneuzen aan de voet van het kruis. ‘Houd vol’, riep nog een grapjas. ‘Je bent niet dat lichaam’, probeerde een ander. Maar Jezus riep de woorden die hij van ons niet meer zeggen mag. ‘Mijn God, mijn God; waarom hebt U me verlaten’. En daarmee raakt Hij me dieper dan elke Cursus-leraar. Hij raakt me tot in het hart van mijn mens-zijn. Hoe denkbeeldig dat ook mag zijn volgens alle schriftgeleerden. Want dankzij Zijn doodskreet mag ik weten; ik ben niet alleen.

En ik slaak dezelfde doodskreet van smart en pijn. En na de stilte, waarin de zon weg lijkt te zijn en het duister ondoordringbaar lijkt, kan ik nog maar heel zacht fluisteren. In Uw handen beveel ik mijn geest.

Onze illusie

Ik geloof de gedachte dat ik me heb los gedacht uit de Liefde. Dat het me echt gelukt is. Ik heb de Liefde verscheurd, gekruisigd om los te zijn. Ik te zijn. Ik geloof dat verscheuren van Liefde genaamd God mogelijk is. Ik ben schuldig aan iets heel ergs en Hij zal dit niet over zijn kant laten gaan. Hij wil me terugpakken en wegvagen. ‘Sterven’ noem ik dat en ik ben hier bang voor. Bang om te verdwijnen, bang voor de dood. Gek word ik van deze altijd aanwezige dreiging. Deze dreiging van God, van de Liefde waar ik me meen uit te hebben weggedacht. Toen ik vergat te lachen om dat kleine dwaze idee. ‘Houd van me God!’, schreeuw ik nu uit. ‘Houd van me en laat me leven!’

De dreiging voelt te groot en ik ren naar buiten. Weg van deze God. Weg van de Liefde. Maar er is geen buiten. Weglopen van de eenheid is niet mogelijk. Dat kan ik alleen maar bedenken en dan geloven. Dus denk ik een wereld. Een wereld met kleine goden, genaamd mensen die me ook kunnen doden en ook kunnen beminnen. Net als God. Ik denk echt dat ze er zijn. Dat ze er zijn los van mij. En om het zo echt mogelijk te laten lijken bedenk ik mijn lichaam met zintuigen. Ogen om me te laten geloven dat er iets buiten me te zien is. En oren, neus, smaak en tastzin om me laten geloven dat er dingen buiten zijn om te horen, ruiken, proeven en voelen. Ik heb ze bedacht als getuigen en geloof grif wat ze me daarna vertellen. Ik geloof dat ik iets kan doen en dat me iets aangedaan kan worden. Dat ik kan aanvallen zoals ik God denk te hebben aangevallen. Dat ik slachtoffer kan zijn van mensen zoals ik denk dat God mij wil slachtofferen in Zijn vermeende boosheid. Dat ik zó echt ben dat ik kan sterven.

Maar als God nu eens niet boosaardig is? Als Liefde niet wil dat ik sterf maar dat ik leef? Als alle pijn en dreiging, elke nietige gedachte en elk gevoel onschuldig zijn? Als ik mijn geloof erin naar de Liefde mag brengen en het aanbieden met open handen? Kijk Liefde, dit geloof ik allemaal. Kijk met me mee en laat me niet bang zijn als ik het allemaal aan U geef. Laat me niet bang zijn voor de ontspanning, voor de vrede, voor U. Ik kan U vertrouwen. Laat me zo alles vergeven; geven aan U waardoor het wordt wat het al is. Niets. Het verdwijnt in Uw licht. Ik voel Uw weldadige warmte en Liefde en laat me daarin vol vertrouwen verdwijnen.

WB290:
Tenzij ik kijk naar wat er niet is, is mijn geluk in het nu al wat ik zie. Ogen die beginnen open te gaan, zien ten langen leste. En ik wil graag dat nog deze dag de visie van Christus tot mij komt. Wat ik waarneem zonder Gods eigen Correctie van het zicht dat ik heb gemaakt, is angstaanjagend en pijnlijk om aan te zien. Maar ik wil niet toestaan dat mijn denkgeest nog een ogenblik langer wordt misleid door het geloof dat de droom die ik gemaakt heb werkelijk is. Dit is de dag waarop ik mijn geluk in het nu zoek en naar niets anders kijk dan waarnaar ik zoek.

Zachte Zon

Ik zit op de stoel met ogen gesloten. Gewoon zitten. En kijken. Lang hoef ik niet te wachten. De eerste beelden komen tevoorschijn. Beelden uit het verleden. Soms gewoon plaatjes. En aan sommige van deze plaatjes kleven gevoelens vast. Ik weet dat deze gevoelens me iets willen laten geloven over mezelf. Ik zou ze kunnen oppakken. Echt laten worden en er dan mee aan de slag gaan. Maar ik sta me toe ze gewoon aan me voorbij te laten trekken. De zon schijnt naar binnen en ik voel haar warmte op mijn gezicht. De beelden uit het verleden laten het er niet bij zitten. Ze organiseren zich en rennen vooruit naar de toekomst. ‘Je bent nog niet van ons af mannetje, we wachten je op!’. Dreigend heffen ze de vuistjes op. Het is goed jongens. Andere keer misschien. Ik hoor jullie en het is vast erg belangrijk wat jullie allemaal roepen. Maar ik zit zo heerlijk en er is niks aan de hand. Nu. En de warmte van de zon streelt me nog steeds liefdevol. Ik glimlach en geef me over aan de Zon. Aan de Liefde.

WB289: Vader, laat me niet naar een verleden kijken dat er niet is. Want U hebt me Uw eigen vervanging aangeboden, in een wereld in het nu die door het verleden onaangetast en vrij van zonde is gelaten. Hier komt een eind aan schuld. En hier word ik voorbereid op Uw laatste stap. Moet ik dan van U verlangen dat U nog langer wacht voordat Uw Zoon de lieflijkheid vindt die U als het eind van al zijn dromen en al zijn pijn hebt beschikt?

Ik ben niet beter of slechter dan jij

Deze Cursus vergt grote eerlijkheid. Een eerlijkheid tegenover onszelf. En voor het woord ‘eerlijkheid’ kun je ook ‘oplettendheid’ invullen of ‘waakzaamheid’. Ik denk hierbij aan onze neiging om ons beter te voelen dan de mensen die we tegenkomen. In feite moet ik het nog algemener zeggen; de neiging om ons ‘anders’ te voelen. Want je kunt jezelf ook slechter voelen. Het idee dat je superieur bent aan een ander of juist inferieur zijn twee kanten van dezelfde medaille. De medaille genaamd ‘afgescheidenheid’.

We moeten hierbij twee niveaus zorgvuldig uit elkaar houden. Want natuurlijk zien we binnen de illusoire wereld van de vorm waarin we menen te leven verschillen. We zien verschil tussen een vriendelijke buurvrouw die ons een bakje koffie aanbiedt en een gemaskerde man die met een koevoet onze deur probeert open te maken. Het kunnen maken van dit soort onderscheid hebben we nodig om de denkbeeldige tijd op aarde optimaal te kunnen benutten. Als ik het verschil tussen een afstapje en een afgrond niet zou zien zou ik niet lang de lessen die dit lichaam me biedt kunnen leren.

Nee, ik heb het nu over dat subtiele gevoel van inherent beter of slechter te zijn dan een ander als mens. Dit is geen morele zonde maar een onhandige vergissing. Een vergissing die je in jouw beleving de vrede van God kost. Kijk heel precies en oplettend naar je kleinste veroordeling van een ander. Het type veroordeling waarbij dat stiekeme gevoel van een beter (of slechter) ikje te zijn wat aanzwelt. Het is zo subtiel. Zelfs als je jezelf nu door dit te lezen wat slechter voelt dan is het al weer aan de gang. Meestal voelen we ons wat beter dan die ander. We brengen hierin ook dolgraag gradaties aan. We voelen ons als Cursus-studenten nog wel een beetje aan elkaar verwant. Een beetje van hetzelfde niveau. Hoewel we denken dat er broeders zijn die de plank nog wel behoorlijk misslaan. Dat kunnen ze in de vorm inderdaad doen maar ik heb het over de trots die dan bij ons aanzwelt.

En als je nog niet wakker bent dan gooi ik maar even de knuppel in het hoenderhok. Kijk maar eens wat ‘je suis Charlie’ bij je oproept en vergelijk dit eens met je reactie op ‘je suis Hitler’. Waarschijnlijk knallen er nu her en der wat stoppen door. Dit is te gespierde taal. Natuurlijk huilt je hart mee met slachtoffers van geweld en is er verdriet als je de agressie geëtaleerd ziet in de kranten en in de geschiedenisboekjes. Maar als we niet leren dat dit een spiegel is voor ons eigen gevoel van inferioriteit of superioriteit, als we niet zien dat we hierin zelf menen aangevallen te worden of aan te kunnen vallen, dan hebben we nog te leren. We kunnen niet met het gevoel dat we inherent anders zijn dan ook maar één van onze broeders vrede ervaren of werkelijk vrede brengen. Iedereen is uitgenodigd voor het feestmaal van onze Heer. De arme sloeber, de prostituee, de tollenaar, degene die ons verraadt en zelfs degene die ons aan het kruis nagelt. Ze vragen allemaal om liefde. We kunnen niemand buiten laten staan. En dus heb ik nog veelt leren.

Maar wees welgemoed zou onze lieve Koos Janson zeggen. Want we leren waar we naar toe kunnen met onze gevoelens van afgescheidenheid. We mogen vragen om een andere blik. We mogen ‘onze zonde’, onze illusie van afgescheidenheid, eerlijk en open belijden. Heer ik zit tot over mijn oren gevangen in mijn oordeel over mijn broeders en zusters. Ik zie nu in dat ik hiermee mezelf beoordeel. Dat ik ten diepste U aanval die Liefde bent. Want U bent mijn broeder en als ik U daar niet wil zien zal ik U niet herkennen in mezelf. Hier ben ik Heer. Leer me kijken met Uw ogen. Ik kan het zelf niet opbrengen, deze klus voelt te groot. Maar ik wil zwijgen en vertrouwen. Op U, op Liefde.

WB 288: Vergeef mij dan, vandaag. En je zult weten dat je mij vergeven hebt als jij je broeder in het licht van heiligheid aanschouwt. Hij kan niet minder heilig zijn dan ik, en jij kunt niet heiliger zijn dan hij.

Goddelijke muziek

We ervaren dikwijls weinig keuze in wat ons overkomt. De stress van een drukke dag hangt als een zware wolk om ons heen. De sfeer van een nare relatie kleeft aan je vast. Lichamelijke klachten overkomen je gewoon. Je wordt gekweld door zelfkritiek. Je maakt je zorgen en voelt je bedrukt. En ga zo maar even door. De Cursus noemt dit slachtofferschap. We voelen ons het slachtoffer van zaken die we niet onder controle hebben. Die buiten onze macht liggen. En dat kan ons knap moedeloos maken.

En het helpt ook niet echt mee als je in de Cursus leest dat je hier zelf voor zou kiezen. Projectie, ammehoela. Het lukt me gewoon niet om anders te kiezen. Nu ga ik me hier ook nog eens schuldig over voelen. Allemaal ego, ik weet het maar ik kan niet anders.

En toch. Ik heb gemerkt dat vertrouwen op de Cursus simpelweg oefening vergt. Non-duale puristen vegen hier de vloer mee aan. ‘Je bent al Liefde en er is geen weg’. Klopt helemaal maar het helpt je niet verder. Je ziet het nu eenmaal niet. En hoe raar het ook klinkt; je moet trainen. De macht van de ego-gewoonte om jezelf slachtoffer te voelen is ogenschijnlijk heel sterk. Dat geloof je tenminste. Zelf kom je niet verder. Maar je kunt leren om je te laten helpen. Door de Heilige Geest. Die doet niets liever. Het is Zijn dagtaak. Maar hoe dan?
Met geduld, liefde en volhouden. Het helpt mij om eerst de negatieve gedachten en gevoelens aandacht te geven. Laat ze maar gewoon helemaal echt zijn. Voel het in je lijf. En herhaal dan zachtjes de Werkboekles in je hoofd. En merk maar eerlijk op dat deze tekst mijlenver van je ervaring lijkt af te staan. Ga er niet mee werken. Ga er niet mee knokken tegen je rot gevoel. Neem dat nare gevoel maar even niet meer zo serieus. Verwacht daar maar niets meer van. Je wil gewoon nu naar een andere Stem luisteren, ook al geloof je Deze nu nog helemaal niet.

Laat de Werkboekles klinken als een zacht muziekje. Niet om het geschreeuw van het ego te overstemmen. Nee, omdat je van deze muziek houdt. Omdat het aangenaam is om naar te luisteren. Herhaal de les niet driftig. Niet ongeduldig. Verwacht geen spectaculaire dingen in je lijf. Neem de tijd. Het is geen truc maar een zacht liedje van Liefde. En laat je maar gewoon wiegen. Doelloos. Liefdevol.

WB 287: Mijn doel bent U, mijn Vader. U alleen.