De toekomst (maar dan anders..)

futureDe werkboekles van vandaag gaat over de toekomst (194): Ik leg de toekomst in Gods Handen. De neiging bestaat om hier lichtvaardig en vooral mentaal mee in te stemmen. Voorbeeld: gisteren onderging mijn moeder een zware openhartoperatie. Dit brengt onzekerheid met zich mee en gevoelens van angst. Op zo’n moment kan het ons enige rust geven als we de besluiten de toekomst in Gods Handen te leggen waarbij we onbewust het woord “toekomst” als synoniem gebruiken voor “uitkomst”. Onder die uitkomst verstaan we dan een meetbare kwaliteit in tijd en ruimte; in mijn voorbeeld, een herstel van de gezondheid van mijn moeder in de komende periode.

We kunnen de werkboekles echter dieper laten doordringen dan genoemd mentaal niveau. Ook hiervan een voorbeeld. Ik werd wakker en lijk al snel in beslag genomen te worden door de eerste voorstellingen en fysieke- en emotionele indrukken die zich voordoen. Zo lijkt het alsof ik wat zorgelijke gedachten heb, daardoor een beetje angstig en zorgelijk ben, en me fysiek wat onuitgeslapen voel. Zo’n eerste indruk lijkt vanzelf en van buitenaf op me neer te dalen. Herken je die vanzelfsprekendheid waarmee zo’n heel beeld van wie je bent en wat je voelt je in beslag lijkt te nemen? Ik noem dit wel eens dat ik ongemerkt een conclusie trek over mezelf. “Zó ben ik, meen ik, en zó voel ik me”. Hetzelfde gebeurt in interactie met anderen. De automobilist die me snijdt is een vervelend testosteronbommetje in een aso-bak en ik ben een verontwaardigd slachtoffer van zijn gedrag.

Als je dit herkent, dus hoe gedachten / lichamelijke sensaties/gevoelens op je neer te lijken dalen, vraag ik je om dit totaalpakket te zien als een stempel dat je zelf drukt op de liefdevolle onbepaalde eenheid die je bent. Je kiest er dus voor de eenheid te bestempelen en daarmee er een stuk uit te hakken met alle betreffende sensaties. Met dit bestempelde stukje identificeer je jezelf vervolgens. Dit is een keuze om jezelf als beperkt en afgescheiden te zien.

Een andere metafoor die mij helpt is dat ik me voorstel als zat ik in een bol van warm licht. Niks aan de hand. Vervolgens kijk ik naar de binnenkant van de bol en besluit dit denkbeeldige plafond te beschilderen met allerlei sombere kleuren en met afbeeldingen van bedreigende anderen of met een fel rode kleur van een pijnlijk lichaam. Als ik dit stempel op mijn binnenste plafond gezet heb kijk ik ernaar en beeld me in dat het écht is. Daardoor voel ik me naar, duf, angstig, gespannen enzovoort. Het bevalt me niet hoe ik middels een conclusie of middels een verfkwast mezelf bestempeld en klein gemaakt heb. Ik neem het serieus en besluit vervolgens dat ik ervan af wil maar daar wel tijd voor nodig heb. Nu voel ik me rot en ik moet zogenaamd aan de slag om me straks weer wat beter, verlichter zo u wilt, te voelen. Maar in feite ben ik al te laat. Want eerst heb ik m’n eigen maaksels en conclusies écht verklaard en nu moet ik met veel moeite die echtheid weer gaan ontkennen. Wat is handiger?

Zodra ik de eerste neigingen zie om de eenheid te gaan bestempelen neem ik hiervoor de verantwoordelijkheid. Ik erken dat ik het zelf ben die ervoor dreigt te gaan kiezen me te beperken door een hele sfeer te gaan opbouwen. Dan bied ik al m’n intenties aan de Heilige Geest aan. Heer, ik neig ernaar een conclusie te trekken over wie ik ben, wie die ander is of hoe ik de situatie moet zien. Ik zie dat ik hiermee gelijk aan de slag wil gaan om alles te fixen om een fijnere conclusie te kunnen trekken en een rooskleuriger plaatje te kunnen schetsen. Ik zie dat ik eerst een klein ego-zelf wil maken en dan vanuit dit kleine-ego zelf meen te weten wat ik vervolgens moet doen en in actie te komen. Dit wil ik niet langer.

Onder dat kleine zelf, dat denkbeeldig kleine doenertje dat we in ons hoofd lokaliseren en die we ongemerkt als “ik” zien, ligt het grote Zelf dat we echt zijn. De Goddelijke liefde en eenheid. Dit grote Zelf kan zich ook manifesteren in de droom maar doet dat niet om de illusie van afscheiding te versterken. De grote Schilder werkt om onze verbinding met alles en iedereen te illustreren. Zijn Creatie geeft beelden van zachtheid, verbondenheid en liefde. Dat kleine ikje van ons hoeft alleen maar te erkennen dat het meent iets zelf te moeten doen om vervolgens de penseel los te laten en te geven aan de grote Schilder. Slechts deze kleine bereidheid is nodig om niet te geloven wat we zelf willen verven of net geverfd hebben maar te zeggen: Heer, hier is de kwast; verras, verbaas en verblijd me!

WB 194: Ik leg de toekomst in Gods Handen.

Je ervaart wat je gelooft; van geloof naar liefde.

geloof hoop en liefde

De waarheid is dat alles reeds volbracht is. Er is slechts eenheid en liefde en dat zijn wij als Zoon van God. Toch is dit niet onze perceptie. We ervaren onszelf als afgescheiden wezentjes in een wereld van tijd en ruimte. Wezentjes die hun best doen om genoemde liefde en eenheid weer te herinneren. De Cursus is een boek dat ons vanuit ons eigen wezen van eenheid en liefde gegeven is om ons rustig wakker te maken. Ze komt ons tegemoet op het niveau waarop wij ons menen te bevinden dus krijgen we oefeningen (zoals vergeving) zodat we leren dat grenzen denkbeeldig zijn, tijd en ruimte niet bestaan en oefeningen nooit nodig waren.

Over het ontstaan van de vergissing kunnen we nadenken maar dan vergeten we dat de “we” die gaat nadenken niet bestaat, dat nadenken als instrument reeds tot het domein van de vergissing behoort en dat we de vergissing dan überhaupt reeds als écht hebben aangenomen. Toch ontkomen we niet aan het gebruik van woorden, symbolen, taal en voorstellingen zoals het blauwe boek ons laat zien. Middels deze woorden kan er iets met ons geloof in afscheiding gebeuren. Het kan aan het wankelen worden gebracht. De bereidheid kan groeien om die “we” (en de hele vergissing) iets minder serieus te nemen en te gaan luisteren naar de Stem van de Heilige Geest die dan even symbool os voor de eenheid en liefde die we werkelijk zijn.

Doordat ons geloof verandert gaan we anders in onze droomwereld staan en leven. Eén van de dingen die we leren is dat de Cursus zaken aardig op z’n kop zet. Binnen de droom zeggen we “eerst zien en dan geloven” maar de Cursus leert ons dat we juist zien wat we geloven. Doordat we in afscheiding geloven zien we een ego-zelf in een buitenwereld. Als we in liefde geloven dan vervagen de denkbeeldige grenzen en gaat liefde meer stromen.

Dit gezegd hebbende merk ik dat er in het omgaan met de symbolen uit de Cursus twee geloven lijken te ontstaan met elk een iets andere uitwerking op hoe ik me binnen de droom voel. Hier komen de versies met hun gevolgen:

Geloofsversie I: Alles wat ik meen te zien en te ervaren (de hele fysieke wereld) is nep, een droom. Het is een onzinnig maaksel waarom de Zoon van God vergat te lachen. Anders gezegd: het was niet de bedoeling.

Gevolgen van geloofsversie I: Er ontstaat een gevoel van afstand en van onthechting. Ik besef dat ik geloof dat vervelende anderen of pijn me kunnen raken maar dat dit gevoel bedoeld is om de illusie van afgescheidenheid te vergroten. Om de droom echt te maken.  Negatief effect van deze geloofsversie (in de betekenis van “denkbeeldig risico”) hierbij is dat het ego-zelf juist sterker wordt en alles als vanachter een glazen wand zit te bestuderen. Onthechting leidt tot liefdeloosheid en afstandelijkheid.

Geloofsversie II: Alles wat ik meen te zien en te ervaren (de hele fysieke wereld) is weliswaar nep maar oorspronkelijk bedoeld als een onschuldig spel van de Zoon van God waar vreugde aan te beleven is maar wat een beetje ontspoord is. We zijn gewoon wat te fanatiek geworden door het te serieus te nemen.

Gevolgen van geloofsversie II: Er ontstaat een gevoel van hoop en verbondenheid. Ik hoef niet te onthechten van de droom maar mag juist binnen de droom op zoek gaan naar verbinding en er zodoende weer een vreugdevol spel van maken. Ik mag leren dat ik een keuze heb om middels geloof in afscheiding nare ervaringen te krijgen binnen de droom of juist door te geloven in verbinding positieve ervaringen te krijgen binnen dezelfde droom. Ik mag de oneindige eenheid en liefde uitdrukken in tijdelijke vormen. Ook hier is een mogelijk “negatief” aspect: doordat ik de droom te serieus neem vervaagt de herinnering aan de waarheid van eenheid en liefde. Als ik bijvoorbeeld fanatiek ga streven naar een gezond lichaam dan vergeet ik dat het lichaam slechts een droombeeld is en dan neem ik het spel toch weer serieus. Toch mag ik het spel van genezing spelen en daar van genieten, zolang ik het maar zie zoals het is; een spel.

In waarheid speelt geloof geen rol en is alles liefde.  Op de denkbeeldige weg naar ontwaken ontkomen we er niet aan om te geloven. Wát we geloven kan het midden houden tussen genoemde geloofsversies. Dat geeft niet en is totaal onschuldig. Er is geen wáár geloof dat we aan zouden moeten hangen. Laten we die terugval niet toelaten. Maar laten we zien wat geloof met ons doet en dan dat geloof geloven dat ons helpt liefdevoller en vreugdevoller te worden. Ik heb geleerd dat geloof in onthechting me bitter, somber en eenzaam kan laten voelen. Ook heb ik geleerd dat geloven in de echtheid van de droom en eisen dat hierin positieve wendingen plaatsvinden me onvrij en daarmee ook ongelukkig maken.

Steeds meer leer ik dat het te serieus nemen van een beperkt geloof kan leiden tot verwarring en dat leven vanuit liefde in de droom leidt tot mededogen, zachtheid, vriendelijkheid, geduld en geluk. Nu gaat het denken over “wat waar is” over in een ervaren dat liefde waar is. Eenheid van hoofd en hart, van leren naar zien. Wonderlijk zacht en mooi.

Geniet of je bent fout!

mies op tafelIk kan me erover verbazen dat mijn lieve 16-jarige dochter met dit mooie weer gewoon binnen kan blijven zitten. In het weekend kan ze lekker ongegeneerd uitslapen en vervolgens in haar donkere slaapkamer nog een uurtje rommelen met haar iPAD. Ook ’s middags ligt ze graag binnen op de bank wat appjes te versturen en dingen te doen waar ik geen weet van heb maar die ze, gezien haar glimlach, wel leuk vindt. Ik gun haar graag haar vrijheid in hoe ze haar dag besteedt maar kan het soms niet laten om een hint te geven, zoals: “zo, ik ga nog even van het lekkere weer genieten”, of een andere oubollige opmerking. In het beste geval hoor ik “joe” of “oké” maar zie ik ze verder geen aanstalten maken om dat goede voorbeeld van me te volgen.

Dat verlangen van mij om te genieten van het mooie weer en buiten-zijn is echter wat dwangmatig geworden zoals blijkt uit mijn bemoeizucht. Vermoedelijk herhaal ik een onbewuste programmering van mijn eigen ouders die ons iets minder subtiel naar buiten schopten met de instructie om maar lekker buiten te gaan spelen. Vandaag merkte ik dat dit genieten van het mooie weer wat is doorgeslagen bij me. Op een dag als vandaag heb ik de tijd aan mezelf. Ik word gewoonlijk voor zessen wakker en keer me dan tot zeven uur nog maar een paar keer om want anders is die ochtend wel heel erg lang. Maar dan nog. Rustig ontbijten, beetje bladeren in de krant, douchen en het eerste kopje koffie en het is nog steeds pas half negen.

Menig werkende zal dit wegwuiven als een luxeprobleem maar ik mis toch wel de vanzelfsprekendheid waarmee een dag werd ingevuld toen ik nog een baan had. Iets dergelijks herinner ik me van wintersport. Een ideale vakantie voor wie weinig idee heeft hoe je een vrije dag moet doorbrengen. Je gaat immers gewoon skiën en daarna ben je moe en ga je douchen, eten etc. Terug naar mijn buiten-moeten-zijn-obsessie. Hier geef ik gewoonlijk gedachteloos gehoor aan door buiten te gaan lezen, wandelen, fietsen, zwemmen, motorrijden en andere leuke dingen. Vanmorgen werd ik echter snel uit de tuin verjaagd door de herrie door werkzaamheden aan de dakkapel van de overburen. Naar binnen dus en raam en deur maar even sluiten. Maar dan? Met een sluimerend schuldgevoel binnen iets gaan doen of buiten zoeken naar een rustiger oord? Pas op dit moment merkte ik de onvrijheid op. De programmering kwam helderder in beeld:

“Ik geloof dat ik een fout kan maken bij het besteden van een vrije dag. Dat ik een stomme keuze kan maken waardoor ik niet uit de dag haal wat erin zit. Dat ik kansen om te genieten mis. Binnen zitten kun je in de winter nog volop, je moet nu naar buiten en genieten!”.

Zoiets. Het helpt om eerst te relativeren op niveau II. Dan kan ik vaststellen dat ik vanuit m’n hoofd zit te bedenken wat ik leuk zou moeten vinden, hierbij vermoedelijk beïnvloed door oude programmeringen. Als ik m’n gevoel laat spreken en ik bijvoorbeeld gewoon de tv zou aanzetten dan spreekt de geest van mijn ouders mij toe zoals ik liefst ook mijn dochter zou toespreken. “Zonde” om zo’n mooie dag binnen te zitten als je de kans hebt om naar buiten te gaan.

Dan niveau II. Er is niks mis met genieten en zoeken naar genot maar uiteindelijk heeft het vinden hiervan me nooit duurzaam vrede geschonken. Het is heerlijk om op te warmen in de zon en af te koelen in de zee, om de witte hellingen af te glijden of om te genieten van versnelling van m’n motor. Hetzelfde geldt voor de geluiden en geuren van de natuur en voor de nieuwe indrukken die je kunt opdoen tijdens exotische vakanties. Vooral blijven doen en van genieten. Het is echter een illusie als ik meen dat ik hierin foute keuzes kan maken en dat ik daardoor ongelukkig zou kunnen worden. Zelfs in iets heerlijks als het vorm geven aan vrije tijd lukt het me om schuldgevoelens te laten binnensijpelen. Het is een mooie oefening voor me. Geen planning maken voor de dag om deze optimaal te benutten en er zoveel mogelijk genot uit te peuren. Maar gewoon van moment tot moment zien wat zich aandient en opkomende schuldgevoelens te zien voor wat ze zijn; mijn keuze. Ik kies ervoor om een raster van schuld te leggen over onschuldig “zijn”. Ik meen dat binnen dit onschuldige en eenvoudige “zijn” daden mogelijk zijn die verkeerd of juist goed zijn. Binnen blijven zitten zou fout zijn en degene die dit doet, dochter maar vooral ikzelf, stom en schuldig. Dus zit ik even binnen en laat de gevoelens opkomen. En dan is er de keuze. Neem ik dat schuldgevoel serieus om zo mijn geloof in afgescheidenheid te koesteren of durf ik ongegeneerd te laten gebeuren wat gebeurt, zelfs als ik daarbij kansen op fantastisch buiten-genot rustig voorbij laat gaan? Nu komt er wat ruimte. Ik zit wat binnen en als ik naar buiten loop tref ik daar mijn wijze lerares aan. Boven op tafel. Buiten, dat dan weer wel..

Nep-profeten?

BrianIn het stukje “Nieuw Perspectief” schreef ik over de irritatie die ik soms voel als in Facebook discussies door sommige broeders en zusters steevast gereageerd wordt door aan de denkbeeldige vorm voorbij te gaan en direct te reageren met een Niveau I uitspraak in de trend van “alles is illusie dus maak je maar niet druk”. Zoals toen geschreven dien ik die projectie terug te nemen. Iets meer hierover.

Binnen onze droomwereld (Niveau II) menen we dat er leraren zijn die werkelijk het licht gezien hebben en mensen die menen het licht gezien te hebben en zichzelf aanprijzen als belangrijke leraar. We doen ons best om het onderscheid te maken tussen werkelijk verlichte mensen en losgeslagen dwazen. Als we zo’n ontspoorde broeder of zuster aangehoord hebben lukt het ons soms om op een Niveau II manier hen te vergeven. We kunnen bijvoorbeeld meewarig zwijgen en ervan uitgaan dat dit gewoon een beginfase is waar ze doorheen gaan. Zelfs als ze de waarheid nog niet geheel doorleven kan het hen wellicht helpen om deze te pas en te onpas uit te kramen. Laat ze maar gewoon hun ding doen, het komt wel goed met ze.

Toch is dit nog niet het terugnemen van de projectie wat onze eigenlijke les is in de omgang met leraren of vermeende leraren. Onze les bestaat primair uit het zien wat er gebeurt in onze denkgeest. Hierin zijn twee mogelijkheden: ervaren we liefde of neigen we naar oordeel en aanval? Zodra er een oordeel in onze denkgeest verschijnt kunnen we van één ding echt zeker zijn; wij vergissen ons. Hier moeten we heel oplettend zijn. Het kan namelijk heel goed zijn dat we vinden dat wat onze broeder zegt weinig hout snijdt. Of misschien snijdt het voor ons op dit moment wel teveel hout. Daar gaat het niet om. Waar het om gaat is of wij het oordeel koesteren over een denkbeeldige broeder om daarmee voor onszelf de afscheiding echt te maken. Dat vergt oplettendheid. Zelfs als we niet reageren of ogenschijnlijk mild reageren kan het vergif van het oordeel onze hele denkgeest zuur maken.

Tegen het herkennen en erkennen hiervan bestaat weerstand. Want zodra we de verzuring zien kunnen we ervoor kiezen om de afscheiding niet langer te koesteren. We voelen de neiging en de verharding vanbinnen en besluiten dat we hier genoeg van hebben. Dit is een bedreiging voor ons ego. Zo kan de meest verdwaasde zelfverklaarde leraar voor ons echt de beste leraar worden die we nu nodig hebben. We hoeven hem niet naar de mond te praten. De uitnodiging is om in hem onze heilige broeder te herkennen. Zolang we in iemand die we ontmoeten, hoe onontwikkeld / grof / minderwaardig /opgeblazen enzovoort deze ook op ons overkomt, niet onze broeder zien en onszelf herkennen hebben we te vergeven en te leren. We zien ons oordeel opkomen en ervaren wat dit met ons doet en besluiten dat we dit niet meer willen. Hier staat echt onze leraar die ons de zegen van God kan geven mits wij bereid zijn die zegen door ons heen naar hem te laten stromen. Dit is werkelijk van een anderen orde.

Mogen we dan helemaal niet reageren of corrigeren? Hiermee hebben we het over de vorm die door ons heen binnen de droom gemanifesteerd zal worden. Als we ons laten adviseren door het ego zal er een bekende vorm verschijnen. Het kan een keihard oordeel zijn, hoon, besmuikt lachen of opgekropte irritatie. Het frisse van de andere optie waarbij we ons laten adviseren door de Heilige Geest is dat we niet kunnen voorspellen hoe deze vorm eruit zal zien. Zodra we echter het gif van het oordeel uit onze bron hebben laten halen weten we dat we zuiver water zullen schenken. Hierin hebben we, heb ik, nog veel te leren.

WB 180 (170): Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij

God is louter Liefde, en dus ben ik dat ook.

Nieuw perspectief

nieuw perspectiefIk kan me soms wat irriteren als in Facebook-conversaties een broeder of zuster de gedachtewisseling onderbreekt door, liefst in halleluja stemming, te roepen dat iedereen zich om niks druk maakt omdat alles toch maar een droom is en dus niet echt. Zo’n gevoel van irritatie is altijd behulpzaam omdat er een les ligt te wachten. Die les is echter voor mij bedoeld en niet voor m’n lieve medestudent. Als ik boosheid ervaar dan koester ik onbewust een beeld dat ik niet los wil laten. Niemand kan mij irriteren maar ik kan er onbewust voor gekozen hebben om irritatie te willen ervaren. Er is onderzoek te doen en gisteren hielp de Heilige Geest me hier mee op bekende ludieke wijze. Eén van Zijn standaardgrappen de laatste tijd is dat Hij me laat zien wat er niet staat in de werkboeklessen. Gisteren was dat (177):

  • Er is geen dood. De Zoon van God zal ooit vrij zijn.
  • Straks zijn we één met Hem die onze Oorsprong is.
  • Overkoepelend: God is louter Liefde, en dus word ik dat ook.

Herken je de neiging om de werkboekles als ideaalbeeld te zien waarnaar je aan het toewerken bent? Dan is het nogal wiedes dat ik irritatie ervaar als iemand mijn noeste inspanningen in een discussie van tafel veegt door te zeggen: maak je niet druk, Trump bestaat niet. Of, wees niet bang, liefde is wat je bent.

Diverse leraren, ook in Cursus-setting, nodigen ons uit om die kwantumstap te wagen. Momenteel herlees ik A Course of Love. Een soort vervolg op de Cursus, in mijn ogen. Ook hierin word ik uitgenodigd om mezelf te zien als Zelf met nog wat sliertjes van mijn ego-zelf om me heen die vast en zeker aan het oplossen zijn. Dat is een geheel ander uitgangspunt dan stellen dat je een worstelend ego-zelf bent op weg naar verlossing. Het lijkt een woordenspelletje maar dat is het zeker niet. Doorvoel het verschil maar eens en zet dan werkboekles 177 weer in de tegenwoordige tijd: ik ben vrij, ik ben één en ik ben Liefde! Dus dank enthousiaste broeders en zusters voor de les die jullie aanreiken!

Dat gezegd hebbende. Er kunnen wel wat aandachtspuntjes geplaatst worden bij het parachuteren van de samenvatting van de Cursus in elke discussie. Jezus had de Cursus kunnen beperken tot Inleiding 2. Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat. Hierin ligt de vrede van God. Dat doet Hij gelukkig niet. Er volgt een dik blauw boek. Dit gegeven breng ik graag onder de aandacht als we overenthousiast en blij deze Niveau I werkelijkheid gebruiken om elk Niveau II gesprek in de kiem te smoren. Want wat is er aan de hand?

De 1300+ pagina’s zijn ons gegeven juist omdat we die Niveau I werkelijkheid niet meer direct tot ons durven laten komen. We kiezen voor afgescheidenheid en angst. Dat is onnodig, dat is zeker waar, maar je schudt een slapend kind niet wild door elkaar onder het uitroepen van “NIKS VAN WAAR, JE DROOMT!!!”. Nee, Jezus komt ons tegemoet met vergevingsoefeningen die Hij ons geduldig uitlegt in de Cursus. Hij leert ons waartoe wij ons verzetten tegen die eenvoudige boodschap over onze identiteit. Ik noem dit onze geheime agenda, het verlangen om schuld te koesteren in onszelf of geprojecteerd op anderen. Dat is ook mijn kanttekening bij het gebruik van positieve affirmaties. Werkboekles 177 is heerlijk om te gebruiken als affirmatie. Vooral doen en ervan genieten. Maar als je wilt ontdekken waarom je de les telkens weer nodig hebt dan is het toch handig om ook eens het Tekstboek door te nemen. Hierin worden onze geheime motieven naar het licht gebracht waar ze vergeven kunnen worden.

Tenslotte twee opmerkingen die ik zal adresseren aan mezelf om niemand voor het hoofd te stoten. Mocht iemand deze schoen ook passen; voel je vrij om hem ook aan te trekken.

  1. Roep ik slechts dat alles illusie is en dat ik liefde ben of is dit voor mij een manier om te dissociëren van wat ik om me heen meen te zien?
  2. Meen ik dat ik een dieper inzicht heb dan anderen en voel ik me daardoor speciaal en verheven? Laat ik me dan WB 177 (164) herinneren:

Nu zijn we één met Hem die onze Oorsprong is.

Meester Trump

meester trump

Hoe lang blijft die gek nog aan de macht? Dat vroeg ik me af toen ik Trump zag spreken over Mexicaanse vluchtelingen. Hij deed daarbij een poging om te rechtvaardigen dat kinderen van hun ouders gescheiden werden. Het was maar voorlopig en de kinderen werden verder humanitair begeleid. Huh? Liefst zie ik Trump als een soort misplaatste grap, een verdwaalde gek. Totdat ik besef dat hij gekozen is door de bevolking van de Verenigde Staten. Hij kreeg, pak hem beet, ongeveer de helft van de stemmen. Dus dat betekent dat hij zo’n 150 miljoen Amerikanen vertegenwoordigt. Eigenlijk wat minder want de niet-stemgerechtigden moeten hier nog af maar in elk geval geldt dat veel, heel veel bewoners uit een geciviliseerd land deze blaaskaak wel oké vinden. Ongelofelijk!

Dit leek een schokkend inzicht te zijn totdat ik het nog wat breder trok. Trump illustreert ego-krachten, niet alleen van hemzelf, niet alleen van de helft van de Amerikaanse stemgerechtigden maar van ons allemaal en, slik, ook van mij. Hij is een vergrotende spiegel die onze innerlijke strijd laat zien tussen twee krachten; de kracht van afscheiding (ieder en vooral Amerika voor zich) en de kracht van verbinding (laten we toch samenwerken op zoveel mogelijk gebieden als milieu, handel, mensenrechten enzovoorts). We zien op het wereldtoneel de uitvergroting van dit ogenschijnlijke gevecht.

Hoezo ogenschijnlijk? Omdat een woord als ‘gevecht’ ons geen stap verder helpt en een koekje van hetzelfde verzuurde ego-deeg is. Moeten we dan de afscheidingskrachten maar gewoon laten gebeuren? Mogen we niet onze verontwaardiging uitspreken en in verzet komen? Dat beweer ik niet. We hoeven niet met de handen op de rug zwaarmoedig te gaan zitten zuchten en we hoeven ook niet onszelf een onverschilligheid aan te meten waarvan we menen dat dit overeenstemt met wat de Cursus ons probeert te leren. We mogen binnen de nachtmerrie gewoon in actie komen maar het is wel de uitnodiging om dit niet te doen vanuit een veroordelende denkgeest die geloof hecht aan aanval en verdediging.

Want wat we zo uitvergroot zien is niet het gevecht tussen goed en kwaad. We zien ons eigen ego-wens tot afscheiding en als we hierop reageren met een vechtersmentaliteit dan versterken we de illusie van afscheiding slechts. Dan krijgen we nieuwe oorlogen waarbij we geloven dat “God is met ons” geldt. Nee, God en de Liefde vechten niet. Jezus, onze oudere broer en voorbeeld, vocht niet toen hij gearresteerd werd. De uitnodiging aan ons adres is om te zien hoe die ego-krachten ook in onze denkgeest werken. Wij zijn niet bang dat Mexicanen ons land overspoelen. Maar wat als de boten met vluchtelingen uit Afrika nu eens doorvaren en met duizenden donkere Moslimbroeders in onze havens aankomen? Een AZC bij ons om de hoek wellicht? Het voorbeeld van de bedreiging van onze materiele welvaart is slechts een uiting van een dieper gelegen kwestie. Uiteindelijk gaat het allemaal terug naar het geloof in afscheiding en het daarmee ontstane gevoel van kwetsbaarheid en angst voor de dood.

Wij menen veel geld nodig te hebben om comfortabel te blijven leven en willen dit niet delen met vluchtelingen. Wij geloven in een toename van agressie waarbij we in “Opsporing verzocht” zien dat de vermoedelijke daders te vaak een donkere huidskleur hebben. Moeten we dit naïef naast ons neerleggen? Moeten we, zoals mijn oma het vroeger zei, onze portemonnee maar aan de deurknop hangen? Zie je hoe makkelijk die overgang gemaakt wordt van verontwaardiging en bewogenheid naar piekeren over wat we dan wel moeten doen en de daarbij opkomende angstgevoelens? Hierin zijn we dus totaal vergelijkbaar met wat Trump ons laat zien. Ons ego haast zich nu om te zeggen dat wij ook wel een beetje reageren vanuit angst maar dat wij niet zo bot en asociaal zijn als Trump. Pieuw, gelukkig, ons onschuldig en welwillend gelaat is weer gered.

Laten we helder zijn. Wij identificeren ons met ons lichaam, wij menen dat we kwetsbaar zijn, wij zijn bang en wij handelen oh zo vaak vanuit deze angst. Maar wat dan? Dan geldt telkens weer dat de Cursus ons geen handvatten biedt voor wat we zogenaamd concreet, dus in onze droom, moeten doen. Is dit een flauwe manier om me ervan af te maken? Een sleetse cliché? Allerminst, want de Cursus leert ons wel degelijk zeer precies wat we moeten doen. We moeten onze eigen angsten herkennen in die van wat we buiten ons menen te zien. Dank hiervoor broeder Trump! En dan vraagt Jezus ons om opnieuw te kiezen. Wat willen we geloven? Willen we geloven dat we een klein en kwetsbaar zelf zijn of willen we geloven dat we liefde zijn? De macht om te beslissen is aan mij (152).We mogen wat we zien naar het licht brengen en het leren zien als een uiting van liefde of een roep om liefde. Alle dingen zijn een weerklank van de Stem namens God (151). En dan, als de eenheid herinnerd wordt, mogen we de liefde laten stromen tot in onze droom aan toe. Hoe ziet dat er dan uit? Dat weten we niet van tevoren. Misschien gooien we liefdevol de tafels van de verkopers in de tempel ondersteboven. Wie zal het zeggen? Maar pas als we onze ware Identiteit leren herkennen en die van Trump kan er iets nieuws en moois herinnerd worden.

WB 171: God is louter Liefde, en dus ben ik dat ook.

En bedankt!

release-illusionsVroeg in de middag rijd ik in de auto met mijn vrouw door Hoofddorp. Twee fietsers willen de staat oversteken en de voorste, een lange man, besluit dat ik hem maar voorrang moet geven. Hij ziet me aankomen maar wil niet remmen en rijdt langzaam maar dwingend alvast een stukje mijn rijbaan op. Er komt woede in me omhoog en ik weet dat hij uiteindelijk zal remmen als ik gewoon doorrijd. En dat doe ik dan ook. Terwijl ik langs hem rijdt roept hij me door het open raam nog een cynisch “en bedankt!” toe. Ik weet een ordinair gebaar nog net te onderdrukken en vervolg mijn weg.

“Ik zou geremd hebben”, voegt m’n vrouw nog even fijntjes toe. Ik voel me gecorrigeerd en antwoord dat ik altijd de eerste ben om iemand die bijvoorbeeld achteruit de carport verlaat voorrang te bieden maar dat je deze vorm van voorrang kan krijgen niet moet willen afdwingen. Dat roept de door mij vertoonde wraaklustige gedachten en handelingen op.

Een klein lichtpuntje. Er zat gisteren minder dan één minuut tussen mijn norse doorduwen en het besef dat ik een vergevingsles had aangereikt gekregen. Ik zal deze ter lering en vermaak voor je uitschrijven:

  • Eerste reactie was dus: wat een arrogante zak zeg, hij douwt hem er gewoon voor, dat pik ik niet!
  • Ik laat niet over me lopen zeg, wat denkt hij wel!
  • Oeps, ik zie in die ander een eikel en besef nu dat ik vergevingswerk zou moeten doen..
  • Ja maar hij is toch fout? Ik creëer ook gewoon een gevaarlijke situatie voor achterop komend verkeer als ik afwijk van de verkeersregels door onverwacht te gaan remmen.
  • Kan zijn, maar echt heel aardig was dit niet Simon. Je valt me wel tegen en je valt ook je vrouw tegen. Erg liefdevol ben je toch niet en er hoeft maar een kleinigheid te gebeuren en het laagje vernis brokkelt af. Je bent gewoon zélf een agressief ventje.
  • Ja Simon, zo zit het. Je had vriendelijk voorrang moeten geven en laten zien dat je nu boven dit soort situaties staat. Dat je rijper en wijzer bent geworden. Je bent schuldig.

Deze interne communicatie noem ik het zwartepieten met schuldgevoelens. Ken je dat kaartspel zwartepieten nog? Het is een spel waarbij het de bedoeling is dat uiteindelijk één van de spelers blijft zitten met die kaart waarop een boosaardige schoorsteenveger staat afgebeeld. Hij of zij heeft verloren, is de klos, de schuldige. Dit is wat gebeurt in onze wereld. Het programma “de rijdende rechter” is er een mooi voorbeeld van. Je wikt en weegt de argumenten, houdt deze tegen de regelgeving aan en bepaald dan wie gelijk heeft en daarmee onschuldig is. Deze manier van denken lijkt normaal en onafwendbaar. Maar het is twee dimensionaal droomdenken. Ik mag leren vergeven.

  • Ik ervaar geen vrede maar boosheid en dus is er iets aan de hand.
  • Wil ik gelijk hebben of vrede ervaren?
  • Nu volgt de weerstand tegen vergeven. Nu blijkt dat ik gelijk wil hebben want het ego protesteert als een hangende grammofoonplaat: “maar hij was toch ook fout etc”.
  • Dan een kwantumsprong naar de derde dimensie, naar boven het slagveld. Ideeën verlaten hun bron niet, dit hele tafereel speelt zich af in de denkgeest.
  • In deze denkgeest heeft een keuze voor afscheiding plaatsgevonden. Een keuze voor een denkbeeldige ander die mij zogenaamd aanvalt en een denkbeeldig ikje dat zich nu moet verdedigen.
  • Dit is niet waar. Ik ben de dromer en zet dit in scene met een verborgen agenda. Ik koester dit denkbeeldige gevecht en dit zwartepieten met schuldgevoelens.
  • Ik zie nu mijn verslaving aan dit spel en de hardnekkigheid om eraan vast te houden.
  • Het ego slaat weer toe: Leuk bedacht, maar nu is het te laat. Het kwaad is geschied!
  • De Heilige Geest: nee dus, je projecteert nu tijd om een zogenaamd bestaand en gefixeerd verleden te maken waardoor je de schuld echt en onvergefelijk wilt maken. Je mag nu in die ene denkgeest de vergevende gedachte toelaten.
  • Ik strek me uit naar Hem en breng de twee beelden uit die ene droom naar het licht. De lange boze man en de boze bestuurder van de auto. Ze zijn één in hun boosheid, in hun gevecht, in hun verwarring.
  • Dan kies ik opnieuw. NEE, zeg ik tegen het schuldspel. Dit wil ik niet. Ik kies voor uw liefde want ik wil vrede ervaren.
  • Dit voelt raar en haast ongepast. Ik zie nu de weerstand maar er breekt een kleine glimlach bij me door. Ik zie de hulpeloosheid van het ego als ik luister naar die zachte Stem. Jawel, het stribbelt nog wat tegen. Maar ik weet wat de uitkomst gaat worden.
  • En nu, echt bedankt! Want de uitkomst is zo zeker als God.

Les 170: Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij.

Bijbel en Cursus

bijbel en ecimIn het Nieuwe Testament wordt over Jezus geschreven en in de Cursus wordt door Jezus gesproken. Dat is een verschil. Een groot verschil. Natuurlijk schreven de auteurs van de Bijbel vanuit inspiratie en hun woorden hebben miljoenen geïnspireerd. Maar de boodschap van liefde wordt helaas vertroebeld door uitingen van angst, schuld en zonde afkomstig vanuit geloof in afgescheidenheid. De auteurs luisteren, net als de discipelen en wij, naar de stem van het ego als we willen spreken over God. Dan treedt onherroepelijk projectie op. Als we geloven in eigen afgescheidenheid dan projecteren we vanuit de angst die hiermee gepaard gaat aanvalsgedachten op anderen. We menen dat God tegen ons is en slaan daarom net zoals Kain onze broeder Abel de hersens in. In deze nachtmerrie van afscheiding, zonde, schuld, angst en aanval projecteren we onze kenmerken van afgescheidenheid op God, op de Liefde die we zijn. Nu hebben we plotseling te maken met een God die net als ons ego gelooft in zonde, schuld, vergelding en wraak. Nu moet er bloed vloeien. Van offerdieren, van andere volken en uiteindelijk zogenaamd van het lam van God, Jezus.

Vanuit ons geloof in afgescheidenheid zijn we onze directe communicatie met de liefde die we zijn kwijtgeraakt. Er bestaat nog wel een vage herinnering aan een betere situatie maar we hebben geen flauw idee hoe hiermee in contact te komen. Geheel in lijn met ons geloof in dualiteit is de hemel niet hier en nu maar ergens anders en na de dood. Of, in niet-Bijbels termen, de waarheid is er nu nog niet maar verlichting moet bereikt worden. We zwemmen in een zee van liefde maar beseffen het niet en we willen iets of iemand naar de weg vragen. Omdat we in boeken als de Bijbel iets proeven van deze liefde verklaren we ze Heilig en gaan we ze van kaft tot kaft letterlijk nemen. Hiermee adopteren we, naast mooie teksten, de ego-nachtmerrie van onze voorouders. Steeds meer snappen we dat de gemengde boodschap van liefde en vergelding niet klopt maar zolang we ons gebonden voelen aan de geërfde shit uit het verleden komen we niet verder dan theologische gedrochten waar iedere liefde uit weggestroomd is. We willen zwemmen in een zonovergoten warm meertje maar we weigeren hierbij om ons harnas van haat uit te trekken.

Wat dan? Laten we ook als Christen gaan staan op de kernboodschap van Jezus. Daarbij mogen, nee moeten we uitgaan van ons geloof in zonde. Want dit geloof betreft niet alleen Christenen maar ons allemaal. We voelen ons allemaal afgesneden van thuis en niet senang. Wellicht schrijven Christenen dit vooral toe aan daden die ze negatief labelen en is het bij de meeste niet-Christenen een vager gevoel van onbehagen. Het doet er niet toe zolang we het waanidee van straf maar even kunnen laten voor wat het is. Want zodra we ons geïsoleerd en afgescheiden voelen mogen we ons richten tot onze verlosser. Jawel, verlosser. Hierbij maakt het vooralsnog weinig uit of je het accent hierbij legt op een historische Jezus, op een spirituele Christus of op een hoger Zelf. Ons gezamenlijke startpunt is dat we ons niet meer thuis voelen en ons openstellen voor leiding van het Geheel (Liefde, God). Voel je maar even moreel schuldig als je dat wilt. Of voel je slechts verdwaald. Belangrijkste is dat je snapt dat je jet zelf even niet meer weet en dat je streeft naar verbondenheid met je broeders en, als je het al kunt opbrengen, met dat Geheel, God of Liefde. Maar naastenliefde volstaat als je het liefhebben van God nog een brug te ver vindt.

Herinner je het beeld van de voetwassing uit de Bijbel. Petrus wil het zelf doen net zoals wij allemaal zelf door goede daden of het juiste conceptuele geloof de hemel of verlichting willen bereiken. Maar nee, Jezus moet het doen. Een historische Jezus waar je in moet geloven? Nee, geloof slechts dit: als je je openstelt voor de kracht van Liefde dan gebeurt het wonder. Hoe, wanneer, waarom en dan?? Bijbel en Cursus wijzen op dezelfde weg. In contact met onze medemensen willen wij vanuit ons ego kiezen voor aanval en verdediging. Zie het gebeuren (dit is je keuze voor afscheiding, zonde, die je bang en eenzaam maakt). En dan? Dan zwijg je en laat je Jezus (Liefde, God, de Heilige Geest, je hogere Zelf) het werk doen en je verlossen.

Lieve broeders en zusters; dat demonstreerde onze geliefde broeder Jezus toen hij zich liet geselen en kruisigen. De liefde liet zich kruisigen omdat ze wist dat ze niet afgescheiden was en niet gedood kon worden. De liefde wilde de soldaten en de schreeuwende massa niet bevestigen in hun waanbeeld van aanval en dood. De liefde toonde in een extreem voorbeeld de absolute Goddelijke macht van Liefde. Ze toonde de onsterfelijkheid, de grenzeloosheid en het eeuwige leven. Halleluja, God is oneindig groot en genadig, en dit is onze Vader ons Thuis.

Les 164: Nu zijn we één met Hem die onze Oorsprong is.

Vergeetachtig

vergeetachtigSinds enkele maanden ga ik soms op bezoek bij een oudere, wat eenzame man. Ik noem hem nu maar even Max. Max is goed opgeleid en behoorlijk taalvaardig. Maar hij is ook behoorlijk vergeetachtig. Verder heeft hij een fiks lichamelijk probleem waarvoor hij geopereerd moet worden. Toen ik kennis maakte met Max vertelde hij me wat hij zo rondom de komende operatie had meegemaakt in het ziekenhuis. Hij schetste een beeld van artsen die hem niet serieus namen en óver hem spraken in plaats van mét hem. Zo hadden ze niet aan hem zelf verteld over de zware operatie die hem te wachten stond maar had hij dat in de wandelgangen van het ziekenhuis moeten opvangen. Zijn specialist was zeer slecht voorbereid want deze beweerde dat Max al voor de derde keer op bezoek was terwijl Max 100% zeker wist dat het pas de tweede keer was.

Toen ik vorige week bij Max thuis op bezoek ging lag hij ziek op zijn slaapkamer. Een hulp in de huishouding liet me binnen en ik trof Max dommelend in bed aan. Toen Max wakker werd vertelde hij me dat hij teleurgesteld was in zijn onderhuurder. Deze vriendelijke man helpt mee als een soort mantelzorger. Wat was er gebeurd? De onderhuurder was vandaag zomaar naar zijn werk vertrokken en had niet eens de moeite genomen om even gedag te komen zeggen bij Max.

Bij mijn eerste bezoek aan Max bedacht ik dat hij het wel heel erg slecht getroffen had met zijn negatieve ervaringen in het medisch circuit. Na het boze verhaal over de onderhuurder kwam een andere, wellicht meer voor de hand liggende, versie van de gebeurtenissen bij me naar boven. Alles wat Max me verteld had over de grote boze buitenwereld waarin hij zo slecht behandeld wordt is ook te verklaren vanuit de vergeetachtigheid van hem. Was hem echt niet direct en duidelijk uitleg gegeven over zijn ziekte? Was hij zelf één van de drie bezoeken vergeten? Was de onderhuurder wél langs geweest maar had hij liefdevol om de hoek van de slaapkamer gekeken en Max daar slapend aangetroffen?

Aan dit alles moest ik vandaag denken bij het lezen van de werkboekles (162): Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Ik merk dat ik bij het lezen van zo’n tekst snel en onbewust reageer met zoiets als: “mooie tekst, mij bekend” om daarna over te gaan tot de orde van de dag. Binnen deze zogenaamde orde neem ik vervolgens alles serieus waarvan ik meen dat het me overkomt. Zo ligt op dit moment mijn moeder in het ziekenhuis met hartklachten. Het is niet de eerste keer maar ze is nu 82 jaar en op een gegeven moment is het, triest genoeg, toch een keer afgelopen. Ik kijk naar haar grijze koppie en oude huid zoals ze daar in dat ziekenhuis bed ligt, het raakt me en ik raak bewogen over de tijdelijkheid van ons bestaan. Dit zie ik duidelijk met eigen ogen en ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan wat ik zie. Net zomin als Max dat heeft.

Maar wat ik zie is niet waar. Max trekt mogelijk de verkeerde conclusie omdat hij vergeetachtig is geworden. Hij ziet een wereld die zich tegen hem heeft gekeerd en reageert vervolgens met angst, boosheid, beschuldigingen en verdriet. Hoe kunnen anderen hem dit toch alles aandoen? Max twijfelt aan alles behalve aan één ding; aan zichzelf. Zo ook met mij. Ik meen dat ons van alles overkomt op deze echte wereld. Ik meen dat ik als tijdelijk en afgescheiden individu leef. Ik meen dat we ziek kunnen worden als ik het zieke lichaam van Max en dat van mijn moeder zie. Ik denk dat we sterfelijk zijn. Ik denk tenslotte dat Max in de war is en ik niet.

Maar wat een vergissing. Zowel Max als ik zijn vergeetachtig. Ook ik ben vergeten wie ik ben en neem vervolgens dat wat ik meen waar te nemen net zo serieus als Max. Zo geloof ik dat ik leef in een afgescheiden lichaam dat ziek kan worden en sterven. Zo vrees ik dat het fout kan gaan met mijn moeder. En natuurlijk mag ik de gevoelens hebben en daarnaar handelen zoals ik deze ervaar in mijn droom. Maar laat ik niet vergeten dat mijn ogen mij bedriegen, juist omdat ik de waarheid vergeten ben. Ik zie slechts dat wat ik vanuit mijn geloof in afgescheidenheid en de daarbij behorende angst projecteer: een nachtmerrie. Ik wil me echter nu steeds meer openstellen voor een andere blik, een herinnering. Ik hoor mezelf nog aan Max vragen: “kan er ook een andere verklaring zijn voor wat die ander doet, kun je het ook anders bezien?”. Deze vraag mag ik mezelf voorhouden en daarbij weten dat er een antwoord komt. Liefde kijkt naar mij en ik mag leren om door de ogen van liefde naar Max en mijn moeder te kijken. Alleen zo kan ik herinneren wie we werkelijk zijn.

WB 162: Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

 

Angst en bezorgdheid

Head In The CloudsWerkboekles 160 gaat over angst: Ik ben thuis. Angst is hier de vreemdeling. Als ik me hier een voorstelling van maak dan komt er een beeld naar boven waarbij iemand m’n huis binnendringt en ongewenst plaatsneemt op de bank. Deze duistere figuur doet alsof hij hier thuis is en verziekt de sfeer door zijn aanwezigheid. Toch is me dit beeld te beperkt, te zeer afgebakend. Natuurlijk ben ik wel eens bang voor een specifiek iets of voorval. Gewoonlijk is de angst die ik ervaar echter minder afgebakend en diffuser. Er is dan eerder sprake van een donkere sfeer, een vaag gevoel van onbehagen. Soms lukt het om middels wat onderzoek dan toch te komen tot een wat concretere aanleiding maar dikwijls ook niet.

Wat is er dan wel aan de hand? Het lijkt een soort basaal gevoel van onveiligheid te zijn. Een geloof in kwetsbaarheid. Binnen de psychologie wordt gesproken over een groep van persoonlijkheidsstoornissen (cluster C) waarbij dit angstige aspect een rode draad vormt. Een paar procent van de bevolking zou hier last van hebben. Ik vermoed dat het verder gaat dan dat. Zolang we geloof hechten aan de illusie van afgescheidenheid zal er sprake zijn van angst. Wellicht geldt deze oerangst voor alle mensen en verschillen we slechts in bewustzijn ervan afhankelijk van de mate waarin we onszelf van de angst weten af te leiden met behulp van activiteiten in ons alledaagse droomleven.

Zelf behoor ik helaas tot het zorgelijke droomtype. Het is niet zo dat ik hele dagen thuis bang zit te kniezen maar waar anderen bij bijvoorbeeld een geplande vakantie zich vooral verheugen op de leuke aspecten, zie ik hiernaast ook veel mogelijke problemen. Mijn neiging is om bij het aangaan van nieuwe situaties te zoeken naar zekerheid door het inwinnen van informatie over de verbeelde toekomst en het nemen van voorzorgsmaatregelen. Dit is een typische droomaanpak. Mijn uitgangspunt is dat de diffuse dreiging die ik ervaar werkelijk is en dat ik ook iets zinvols kan doen om het dreigingsniveau te verlagen.

Zoals gezegd past het beeld van een vreemdeling in mijn woonkamer niet helemaal bij dit gevoel. Het voelt minder grijpbaar dan dat. Het is meer een donkere wolk die om mijn hoofd heen hangt. Het is een zorgelijke sfeer die met me mee kan reizen waarheen ik ook ga. Het lijkt erop alsof deze donkere wolk me overkomt. Ik kan me tenminste niet herinneren dat ik er om gevraagd heb. Wat zou de Cursus hiervan zeggen?

Als eerste handvat is daar het geloof in slachtofferschap. Zoals gezegd lijkt de donkere sfeer me ongevraagd te overkomen. Zodra ik dát geloof kan ik niet veel anders doen dan genoemde droommaatregelen nemen zoals plannen en voorbereiden, maar ik weet natuurlijk ook wel dat dit slechts dweilen is met de kraan open. Ik moet serieus de optie overwegen dat ik geen slachtoffer ben van de wereld die ik zie. Heb ik er dan toch zelf om gevraagd? Ben ik nu een stomme zwakke sukkel? Nee, ik heb er onbewust voor gekozen om me kwetsbaar te voelen. Want daarmee kom ik bij het tweede handvat. De kernboodschap van de Cursus is dat wij ervoor gekozen hebben te geloven in afscheiding. We hebben de eenheid, God, de deur proberen te wijzen om dit gevoel van afgescheidenheid te koesteren. Hoe raar is dat; ik steek mijn hoofd in een zwarte wolk. Ik wil me bedreigd kunnen voelen omdat dit me een paradoxaal gevoel van afgescheidenheid oplevert, zelfs als dit voelt als zwakte. Immers, iemand die bedreigd kan worden lijkt echt te bestaan. Want hoe zou het zijn als ik de dreiging eens niet serieus zou nemen? Met een specifieke kwestie is dat wat gemakkelijker voor te stellen. Zo maak ik me altijd wat ongerust over de financiële aspecten van dit droomleven. Er lijken zich op dit gebied bedreigingen af te spelen. Wat als ik deze eens niet geloof? Dat voelt haast ongepast. Eng maar gek genoeg ook wel bevrijdend.

Maar dan die diffuse donkere wolk. Er daagt een vreemd besef. Ik hoef zelfs dat generieke gevoel van dreiging en onbehagen niet serieus te nemen. Dit is eng. Ik wapper wat met mijn handen door de wolk om deze weg te jagen maar vind hierbij weinig houvast. Maar moet ik dit wel doen? Kan ik dit wel doen als ik het bijgeloof koester dat de wolk mij iets oplevert?

Met mijn hoofd in het donker denk ik nu aan de Zon en aan de Wind. Heer, ik wil niet bang in het donker zitten zonder U. Hier is mijn duistere wolk Vader, ik heb deze bedacht maar wil hem niet meer. Laat me Uw licht en heiligheid zien Heer. Ik wil rusten in U.

Waar zoekt hij nu naar? 2Wat kan hij vinden? 3Wie zichzelf een vreemde is, kan geen thuis vinden waar hij ook zoekt want hij heeft zijn terugkeer onmogelijk gemaakt. 4Hij is de weg kwijt tenzij een wonder hem op het spoor komt en hem toont dat hij nu geen vreemdeling is. 5Het wonder zal komen.