Zachte Zon

Ik zit op de stoel met ogen gesloten. Gewoon zitten. En kijken. Lang hoef ik niet te wachten. De eerste beelden komen tevoorschijn. Beelden uit het verleden. Soms gewoon plaatjes. En aan sommige van deze plaatjes kleven gevoelens vast. Ik weet dat deze gevoelens me iets willen laten geloven over mezelf. Ik zou ze kunnen oppakken. Echt laten worden en er dan mee aan de slag gaan. Maar ik sta me toe ze gewoon aan me voorbij te laten trekken. De zon schijnt naar binnen en ik voel haar warmte op mijn gezicht. De beelden uit het verleden laten het er niet bij zitten. Ze organiseren zich en rennen vooruit naar de toekomst. ‘Je bent nog niet van ons af mannetje, we wachten je op!’. Dreigend heffen ze de vuistjes op. Het is goed jongens. Andere keer misschien. Ik hoor jullie en het is vast erg belangrijk wat jullie allemaal roepen. Maar ik zit zo heerlijk en er is niks aan de hand. Nu. En de warmte van de zon streelt me nog steeds liefdevol. Ik glimlach en geef me over aan de Zon. Aan de Liefde.

WB289: Vader, laat me niet naar een verleden kijken dat er niet is. Want U hebt me Uw eigen vervanging aangeboden, in een wereld in het nu die door het verleden onaangetast en vrij van zonde is gelaten. Hier komt een eind aan schuld. En hier word ik voorbereid op Uw laatste stap. Moet ik dan van U verlangen dat U nog langer wacht voordat Uw Zoon de lieflijkheid vindt die U als het eind van al zijn dromen en al zijn pijn hebt beschikt?

Ik ben niet beter of slechter dan jij

Deze Cursus vergt grote eerlijkheid. Een eerlijkheid tegenover onszelf. En voor het woord ‘eerlijkheid’ kun je ook ‘oplettendheid’ invullen of ‘waakzaamheid’. Ik denk hierbij aan onze neiging om ons beter te voelen dan de mensen die we tegenkomen. In feite moet ik het nog algemener zeggen; de neiging om ons ‘anders’ te voelen. Want je kunt jezelf ook slechter voelen. Het idee dat je superieur bent aan een ander of juist inferieur zijn twee kanten van dezelfde medaille. De medaille genaamd ‘afgescheidenheid’.

We moeten hierbij twee niveaus zorgvuldig uit elkaar houden. Want natuurlijk zien we binnen de illusoire wereld van de vorm waarin we menen te leven verschillen. We zien verschil tussen een vriendelijke buurvrouw die ons een bakje koffie aanbiedt en een gemaskerde man die met een koevoet onze deur probeert open te maken. Het kunnen maken van dit soort onderscheid hebben we nodig om de denkbeeldige tijd op aarde optimaal te kunnen benutten. Als ik het verschil tussen een afstapje en een afgrond niet zou zien zou ik niet lang de lessen die dit lichaam me biedt kunnen leren.

Nee, ik heb het nu over dat subtiele gevoel van inherent beter of slechter te zijn dan een ander als mens. Dit is geen morele zonde maar een onhandige vergissing. Een vergissing die je in jouw beleving de vrede van God kost. Kijk heel precies en oplettend naar je kleinste veroordeling van een ander. Het type veroordeling waarbij dat stiekeme gevoel van een beter (of slechter) ikje te zijn wat aanzwelt. Het is zo subtiel. Zelfs als je jezelf nu door dit te lezen wat slechter voelt dan is het al weer aan de gang. Meestal voelen we ons wat beter dan die ander. We brengen hierin ook dolgraag gradaties aan. We voelen ons als Cursus-studenten nog wel een beetje aan elkaar verwant. Een beetje van hetzelfde niveau. Hoewel we denken dat er broeders zijn die de plank nog wel behoorlijk misslaan. Dat kunnen ze in de vorm inderdaad doen maar ik heb het over de trots die dan bij ons aanzwelt.

En als je nog niet wakker bent dan gooi ik maar even de knuppel in het hoenderhok. Kijk maar eens wat ‘je suis Charlie’ bij je oproept en vergelijk dit eens met je reactie op ‘je suis Hitler’. Waarschijnlijk knallen er nu her en der wat stoppen door. Dit is te gespierde taal. Natuurlijk huilt je hart mee met slachtoffers van geweld en is er verdriet als je de agressie geëtaleerd ziet in de kranten en in de geschiedenisboekjes. Maar als we niet leren dat dit een spiegel is voor ons eigen gevoel van inferioriteit of superioriteit, als we niet zien dat we hierin zelf menen aangevallen te worden of aan te kunnen vallen, dan hebben we nog te leren. We kunnen niet met het gevoel dat we inherent anders zijn dan ook maar één van onze broeders vrede ervaren of werkelijk vrede brengen. Iedereen is uitgenodigd voor het feestmaal van onze Heer. De arme sloeber, de prostituee, de tollenaar, degene die ons verraadt en zelfs degene die ons aan het kruis nagelt. Ze vragen allemaal om liefde. We kunnen niemand buiten laten staan. En dus heb ik nog veelt leren.

Maar wees welgemoed zou onze lieve Koos Janson zeggen. Want we leren waar we naar toe kunnen met onze gevoelens van afgescheidenheid. We mogen vragen om een andere blik. We mogen ‘onze zonde’, onze illusie van afgescheidenheid, eerlijk en open belijden. Heer ik zit tot over mijn oren gevangen in mijn oordeel over mijn broeders en zusters. Ik zie nu in dat ik hiermee mezelf beoordeel. Dat ik ten diepste U aanval die Liefde bent. Want U bent mijn broeder en als ik U daar niet wil zien zal ik U niet herkennen in mezelf. Hier ben ik Heer. Leer me kijken met Uw ogen. Ik kan het zelf niet opbrengen, deze klus voelt te groot. Maar ik wil zwijgen en vertrouwen. Op U, op Liefde.

WB 288: Vergeef mij dan, vandaag. En je zult weten dat je mij vergeven hebt als jij je broeder in het licht van heiligheid aanschouwt. Hij kan niet minder heilig zijn dan ik, en jij kunt niet heiliger zijn dan hij.

Goddelijke muziek

We ervaren dikwijls weinig keuze in wat ons overkomt. De stress van een drukke dag hangt als een zware wolk om ons heen. De sfeer van een nare relatie kleeft aan je vast. Lichamelijke klachten overkomen je gewoon. Je wordt gekweld door zelfkritiek. Je maakt je zorgen en voelt je bedrukt. En ga zo maar even door. De Cursus noemt dit slachtofferschap. We voelen ons het slachtoffer van zaken die we niet onder controle hebben. Die buiten onze macht liggen. En dat kan ons knap moedeloos maken.

En het helpt ook niet echt mee als je in de Cursus leest dat je hier zelf voor zou kiezen. Projectie, ammehoela. Het lukt me gewoon niet om anders te kiezen. Nu ga ik me hier ook nog eens schuldig over voelen. Allemaal ego, ik weet het maar ik kan niet anders.

En toch. Ik heb gemerkt dat vertrouwen op de Cursus simpelweg oefening vergt. Non-duale puristen vegen hier de vloer mee aan. ‘Je bent al Liefde en er is geen weg’. Klopt helemaal maar het helpt je niet verder. Je ziet het nu eenmaal niet. En hoe raar het ook klinkt; je moet trainen. De macht van de ego-gewoonte om jezelf slachtoffer te voelen is ogenschijnlijk heel sterk. Dat geloof je tenminste. Zelf kom je niet verder. Maar je kunt leren om je te laten helpen. Door de Heilige Geest. Die doet niets liever. Het is Zijn dagtaak. Maar hoe dan?
Met geduld, liefde en volhouden. Het helpt mij om eerst de negatieve gedachten en gevoelens aandacht te geven. Laat ze maar gewoon helemaal echt zijn. Voel het in je lijf. En herhaal dan zachtjes de Werkboekles in je hoofd. En merk maar eerlijk op dat deze tekst mijlenver van je ervaring lijkt af te staan. Ga er niet mee werken. Ga er niet mee knokken tegen je rot gevoel. Neem dat nare gevoel maar even niet meer zo serieus. Verwacht daar maar niets meer van. Je wil gewoon nu naar een andere Stem luisteren, ook al geloof je Deze nu nog helemaal niet.

Laat de Werkboekles klinken als een zacht muziekje. Niet om het geschreeuw van het ego te overstemmen. Nee, omdat je van deze muziek houdt. Omdat het aangenaam is om naar te luisteren. Herhaal de les niet driftig. Niet ongeduldig. Verwacht geen spectaculaire dingen in je lijf. Neem de tijd. Het is geen truc maar een zacht liedje van Liefde. En laat je maar gewoon wiegen. Doelloos. Liefdevol.

WB 287: Mijn doel bent U, mijn Vader. U alleen.

Lekker bewegen

Met plezier ren ik twee keer in de week een bescheiden rondje om toch een beetje in conditie te blijven. Voor dat je er erg in hebt, stel je dan als Cursus student vreemde vragen. ‘Ik geniet van de beweging en van het feit dat m’n lichaam in redelijke conditie is. Maar volgens de Cursus is dit lichaam slechts een illusie dus ben ik nu fout bezig?

Mij helpt het om te beginnen bij het feit dat er helemaal geen lichaam is dat rondloopt in een evenzo denkbeeldige wereld. Zowel lichaam als wereld zijn noch goed noch fout. Ze zijn gewoon ‘niet’. Ons ego projecteert lichaam en wereld vrolijk naar buiten in de hoop dat wij het serieus gaan nemen. Het gaat dus helemaal niet om het werken aan je conditie maar om de betekenis die je eraan verleent. Het gaat overigens in de Cursus nooit om het gedrag zelf. Het gaat altijd over het waartoe. Dus waartoe ben ik zo druk met m’n lichaam? Waar gebruik ik dit hele sportgebeuren voor?

Het kan zijn omdat ik er helemaal van overtuigd bent dat ik samenval met m’n lijf. Dat ik die goede conditie zonder meer nodig meen te hebben om gelukkig te zijn. Dat ik erg ongelukkig word als m’n lichaam hapert omdat ik denk dat ik hierdoor werkelijk geraakt word. Ik heb dan een afgod gemaakt van mijn lijf en van gezondheid. Is dit dan fout? Nee hoor, we laten de schuldvraag lekker rusten. De overtuiging is hoogstens wat onhandig. Of, wat positiever gesteld, een gelegenheid om te leren. Meestal maken wij van dit ‘leren’ pas serieus werk als het lichaam ziek wordt. Maar je kunt ook prima leren van een gezond lichaam waarvan je heerlijk loopt te genieten. Dat zijn we alleen niet zo gewend.

Hetzelfde merk ik bij speciale haat relaties versus liefdesrelaties. We werken nu eenmaal liever aan negatieve gevoelens met als verborgen agenda om er zo snel mogelijk af te komen. Maar je kunt ook gevoelens die wij positief noemen opmerken en zien dat je geloof erin net zozeer je gevoel van afgescheidenheid bevestigt. Of dat nu de speciale liefdesrelatie met ons eigen sportende lichaam betreft of het genieten van andere zaken in de wereld. Niks mis met ‘positieve’ gevoelens want ook deze vormen mooi oefenmateriaal omdat je ze kunt overgeven aan de Heilige Geest. Niet omdat ze slecht zijn. Niet om er zo snel mogelijk vanaf te komen. Maar om te leren dat we geen afgescheiden mensjes zijn die pijn OF plezier willen ervaren om deze illusie overeind te houden. En dat is vrijheid. Als we ons over denkbeeldige positieve ervaringen schuldig voelen dan hebben we altijd het ego aan de lijn. God beschuldigt nooit. Hij is Liefde. En wij ook.

WB286: De stilte van de Hemel omhult vandaag mijn hart.

Wat denkt hij wel!

Ik zal jullie niet vermoeien met de details. Een zakenpartner houdt me eerst een half jaar aan het lijntje met schone beloften en confronteert me vervolgens met een belachelijk offerte. Totaal onredelijk, vind ik. En dan gaat het snel. Hij heeft me bedrogen, hoe kan hij me zo bedriegen en voor de gek houden, wat denkt hij wel? Ik ben het slachtoffer en hij is de dader. Mijn boosheid voelt gerechtvaardigd en ik bereid me voor om eens een giftige mail te sturen. Ik wil de aanval inzetten en de dader straffen.

En wat ben ik dan blij met de Cursus. Het consequente oefenen begint toch z’n vruchten af te werpen. Want sneller dan ik van mezelf gewend ben besluit ik toch maar eens naar die zachtere Stem te luisteren. Die zegt me dat ik er voor kies om me zo boos te voelen en dat er een andere optie bestaat. Natuurlijk ga ik niet direct overstag. ‘Het is toch ook een rotstreek?’, hoor ik mezelf nog roepen. Heel zacht klinkt die Stem weer: ‘wat je ziet als een aanval is een roep om hulp’. Eerst klinkt het als een truc. Een bezweringsformule of affirmatie om te bedekken wat je eigenlijk toch wel gelooft. Maar het raam van vergeving is op een kiertje gezet. Ik zie en voel mijn gehechtheid aan de boosheid en aan het slachtoffer zijn. Maar ik voed het niet langer. Ik adem de frisse lucht in van de vergeving die door het raampje naar binnen stroomt. De giftige rook van mijn boosheid wordt minder. De Stem wordt niet langer alleen gehoord door mijn verstand maar dringt nu ook echt door tot mijn hart.

Ik ben dankbaar dat ik mag merken dat de Liefde er altijd is. En dat de snelheid waarmee we dit mogen ervaren niet van Hem afhangt maar van ons. Ik ben dankbaar voor de Cursus. Dat deze werkt. Dat onze pijnlijke gewoonte om niet te luisteren naar de HG door geduldig oefenen en doen van de werkboeklessen minder hardnekkig wordt. En voor de duidelijkheid. Ik schrijf een mail maar de pen is niet langer gedoopt in de inkt van haat.

WB285: Want welk nut zou pijn voor mij hebben, aan welk doel zou mijn lijden beantwoorden en welk voordeel zou verdriet en verlies mij opleveren, als de waanzin me vandaag verlaat en ik in plaats daarvan mijn heiligheid aanvaard?

Doe ik het wel goed?

Ik wil het zo graag goed doen. Als je dit eens rustig tot je door laat dringen dan proef je dat er angst doorklinkt. Angst om het fout te doen. Want wat verbeeld ik mezelf als ik het niet goed zou doen? Dan lijken er even twee antwoorden te zijn. Het eerste antwoord lijkt wat meer gericht op de buitenwereld. Het klinkt een beetje als ‘dan stel ik anderen teleur’ of ‘dan worden anderen boos op me’. Het tweede antwoord lijkt van binnenuit te komen. ‘Dan stel ik mezelf teleur’ of ‘dan word ik kwaad op mezelf’. Maar van binnen of van buiten, dat maakt niet uit.

Want nu begint het schuldgevoel door te klinken. Ik ben slecht bezig als ik het fout doe. Ik zou me moeten schamen en verdien straf. Anderen of ikzelf veroordelen me. Foei Simon, slecht gedaan. Dat valt me van je tegen. Of, als medestudenten onder elkaar, je handelt nog wel erg veel vanuit je ego. Dat hoort natuurlijk niet. Je hebt nog heel wat te leren jongen. Spijt hoort hier ook bij. Shit, hoe kon ik dat nu zeggen, schrijven of doen? Ik heb een vreselijke fout begaan.

En dan de grote onzichtbare in het geheel. De zonde. Het diepe geloof dat er een ikje bestaat. Dat er daadwerkelijk zo iemand als Simon rondloopt die iets niet goed zou kunnen doen. Of, iets subtieler, die het juist heel goed zou kunnen doen. Iemand die straf of lofprijzing zou kunnen verdienen. Dit is de grote aanname. Maar er is niemand die gestraft kan worden of het compliment in ontvangst nemen. En dat is opletten geblazen. Dus niet: Simon is verheven boven dingen fout of goed kunnen doen. Maar wel: Simon bestaat niet als afgescheiden figuurtje.

Ik heb dus het geloof omarmd dat ik wel besta. Dat ik afgescheiden ben en het leven heb gestolen van God. Dus denk ik dat ik gezondigd heb en daadoor schuldig ben. Dat ik eigenlijk gestraft moet worden tenzij ik mijn uiterste best doe. Ik moet gestraft worden door God, door anderen of door mijzelf. Doet er niet toe. Zolang het mij maar helpt om me echt afgescheiden te kunnen voelen. Maar wie ben ik zonder de aanname dat ik het fout of goed kan doen (met dank aan Byron Katie)? Wie ben ik dan? Durf ik dit geloof los te laten of word ik dan een beetje bang voor de bedreigende vrijheid? Dat mag zomaar niet, het is hoogmoed, Godslastering, waanzin, dat mag je niet doen. Dat mag niemand doen. Iedereen moet verantwoordelijkheid dragen. Binnen de illusie: jawel. In werkelijkheid: ‘iedereen’ bestaat niet en er is ook niet ‘iets’ dat gedragen kan worden.

Kunnen we voelen wat er gebeurt als we dat geloof in verantwoordelijkheid los willen laten? Zien we het ego in paniek raken, zijn houvast verliezen? Tijd voor hulp en vergeving. Geen vergeving van een morele zonde. Maar luisteren naar een zachte Stem die me zegt: ‘je hebt helemaal niets gedaan, wees niet bang want je bent louter Liefde’

WB 284: Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.

Mini-stapjes

Goedemorgen allemaal. De nieuwe week staat voor ons klaar en we gaan er weer eens stevig tegen aan. En als trouwe studenten van de Cursus denken we hierbij niet uitsluitend aan onze dagelijkse activiteiten in de denkbeeldige wereld. Nee, onze missie is vooral om met de Cursus aan de gang te gaan. Ik wil mijn Werkboekles goed doen. Ik wil vergeving oefenen. Ik wil andere niet zien als aanvallers en ik wil leren dat wat ik meen buiten me te zien slechts een illusie is.

En daar is niets mis mee en daar hebben we God zij dank deze Cursus ook voor gekregen.

Maar toch is het goed om oog te hebben voor die ik ik ik die zo ongemerkt in bovenstaande zinnen is binnengeslopen. Het is de wortel van alle illusie, het geloof in een afgescheiden ik. En juist dit worteltje heeft het plan eens stevig aan de bak te gaan. En dat ik-figuurtje dat maakt natuurlijk ook zogenaamd vorderingen. Hé, ik ben weer wat milder geworden. En zo gaat dat en zo is het goed. Maar stel je eens voor dat dit ikje tijdens deze reis eens in een soort meereizende spiegel kan kijken. En het ziet dat de contouren van zijn lichaam maar ook de contouren van zijn ik-gevoel langzaam vervagen. En stel je eens voor dat je bij een onzichtbare muur komt. Liefhebbers van science fiction kennen het wel. Zo’n trillend energie veld. Als je er een hand in steekt dan zie je deze niet meer. En nu komt het. Je weet dat dit energieveld liefde is. Maar in tegenstelling tot het trillende energieveld in films is dit een eenrichtingsveld. Je komt er aan de andere kant niet als ikje uit. Je zult één worden. En je kunt je hier niks bij voorstellen. Tijdens je denkbeeldige reis heb je gemerkt dat het goed voelde toen je contouren wat zachter werden. Maar wat als ze helemaal zullen verdwijnen? Voilá, onze angst voor liefde. Voor overgave en eenheid. Want dit vergt vertrouwen. Niet weten wat er zal gebeuren als je in vertrouwen het veld in stapt maar het toch doen. Je kunt niemand vragen je er in te duwen met geweld. Je moet zelf die stap zetten. En weet je wat zo fijn is? Als je dit nog niet durft hoef je je niet schuldig te voelen. Dan maak je gewoon nog wat contour-vervagende mini-stapjes. Gewoon als ikje. Maar sta in meditatie maar eens stil bij het verdwijnen van de contouren tussen jou en de wereld. Dan kun je (?) vast een beetje wennen.

WB 283: Mijn ware Identiteit woont in U.

Nu zijn wij één in gemeenschappelijke Identiteit, met God onze Vader als onze enige Oorsprong en al het geschapene als deel van ons. En zo schenken we alles onze zegen, terwijl we ons liefdevol verenigen met heel de wereld, die dankzij onze vergeving één met ons geworden is.

Getuige

Als ik slapeloos wakker lig dan is er frustratie en bezorgdheid. Als ik me druk maak over de dag die gaat komen dan zijn er donkere gedachten en negatieve verwachtingen. Als mijn lichaam pijn ervaart dan voelt dat heel echt. Al die angst, pijn, frustratie, boosheid, moeilijke omstandigheden en vervelende mensen zijn getuigen. Deze vertellen mij over de zogenaamde werkelijkheid. Ze komen bij me op bezoek met negatieve verhalen en sombere voorspellingen. Ik kan ze niet te vroeg wegsturen. Niet te snel onderbreken want ik weet dan nog steeds dat ze er zijn met hun zwaarmoedige verhalen over hoe de wereld, die anderen en mijn lichaam in elkaar steken. Dus luister ik eerst. Met aandacht. Ik laat ze hun hele verhaal vertellen. Een verhaal van gevangenschap en gebondenheid. Zó zit het in elkaar, zeggen ze. Je kunt geen kant op Simon. Je bent zwaar de klos. Je bent het zielige slachtoffer. Er is geen hoop en het wordt een zwaar, zwaar leven voor je.

Dan is er een vleugje van herinnering. Heel in de verte. Een andere Getuige met een zachtere stem. Hij spreekt zonder te schreeuwen: ‘De vrijheid van de schepping belooft die van mij WB279’. Er is een belofte. Er ís hoop. Die getuigen van zojuist met hun ernstige en sombere gezichten vergissen zich. Ze weten bij God niet waar ze het over hebben. Maar ze blijven maar kletsen en klinken zo overtuigend. De angst en de pijn voelen zo echt. Maar ik houd me vast aan dat sprankje hoop. ‘ Mij is beloofd dat er aan dromen een eind komt, omdat de Zoon van God niet door Zijn Liefde in de steek wordt gelaten. Alleen in dromen is er een tijd dat hij gevangen schijnt en op een vrijheid wacht die in de toekomst ligt, zo die al komt. Maar in werkelijkheid zijn zijn dromen voorbij en is de waarheid op hun plaats gegrondvest. Nu is vrijheid reeds zijn deel. Zou ik dan in ketenen wachten, die tot bevrijding zijn verbroken, wanneer God mij nu de vrijheid schenkt?’

En tegen alle wanhoop in herhaal ik woorden van hoop. Ik ben niet een lichaam, wat er me ook door valse getuigen wordt aangepraat. Ik ben vrij, ook al voelt het anders. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij. De uitkomst is onvermijdelijk hoe somer het er ook uit ziet. God heeft in zijn liefde bepaalt dat vertrouwen in Hem, in Liefde, in onze ware aard beantwoord zal worden. Dit is onvermijdelijk. En het kolkende water van emoties en gedachten komt tot rust als ik mijn ogen op Zijn gelaat gericht houd. Ik pak slechts de hand die hij altijd al naar mij uitgestrekt hield. En die wonderlijke zachtheid en rust breiden zich uit. Omdat ik door vertrouwen in de ware Getuige langzaam mag zien Wie ik ben.

‘Ik zal Uw beloften vandaag aanvaarden en daar mijn vertrouwen in stellen. Mijn Vader heeft de Zoon lief die Hij als de Zijne geschapen heeft. Zou U mij de gaven onthouden die U mij geschonken hebt?’

De angst voor verlossing

Dit is voor mij één van de meest wonderlijke wijsheden van de Cursus. Voor verlossing kun je ook liefde lezen. Angst voor liefde. De meeste mensen verklaren je voor gek als je het hier over hebt. We zoeken toch juist liefde? Nee en ja. Ons ego zegt nee. Het is bang voor de liefde. Het wil zich ‘ik’, afgescheiden en speciaal voelen. Daarom smult het van oordeel, aanval en verdediging. Maar ook van genot. We hebben geen contact meer met die angst van het ego voor God. Angst voor de eenheid. We hebben er geen oog meer voor dat de illusie van een uiterlijke wereld (met daarin andere mensen en ons lichaam) juist hiertoe geprojecteerd is. Om die angst voor oplossen in liefde niet te hoeven beseffen. Daarom moest de onschuldige Zoon van God gekruisigd worden. Liever geloven in de pijn van de nagels door mijn polsen en enkels, liever geloven in de dood van het lichaam dan in het eeuwige leven. In de opstanding.

Maar ik zei ‘nee en ja’. En dat ‘ja’ is die zachte Stem van binnen die weet dat er niks te vrezen valt van God. Het is het ‘ja’ van ‘Ik ben er altijd voor jou’. ‘Ik ben de liefde die jij ook bent. Kom maar. Vertrouw me maar. Overgave betekent geen dood maar vrede’.

Fijn dat je nog niet afgehaakt bent. Want velen vinden dit zware kost en onnodige theorie. Maar dat is niet zo. Het is de reden waarom je blijft geloven in lijden. In slachtofferschap. De angst voor liefde maakt dat het lijden aan me lijkt te kleven. Onbewust zijn we bang voor wat er gebeurt als we naar de Stem luisteren en onze investering in de projecties van het ego opgeven. Ik merk dat het voor mij essentieel is om hier oog voor te hebben of steeds meer oog voor te krijgen. Want precies dáárom ligt de sleutel van verlossing in het zien van onze gehechtheid aan slachtofferschap. En dat ‘zien’ kunnen we niet vanuit ons ego. Daar hebben we de Heilige Geest voor nodig. Want we durven ons geloof in de illusie alleen te ontmaskeren als we vertrouwen dat Hij ons liefdevol opvangt als we ons overgeven aan Hem.

WB280: Kan ik beperkingen opleggen aan Gods Zoon, wiens Vader gewild heeft dat
hij onbeperkt is en dat hij in vrijheid en in liefde is zoals Hijzelf?