Van begrijpen naar bereidheid

Het valt ons niet moeilijk om te stellen dat het heelal ooit begon met de Big Bang. Als we vanaf dit gebeuren beginnen te redeneren, dan kunnen we gaan spreken over een uitdijend heelal (maar waarin eigenlijk?) en over van alles dat met tijd en ruimte te maken heeft. Als we proberen te bedenken wat er dan vóór deze Big Bang was, dan lopen we tegen een grappige paradox aan. Want pas vanaf dat “moment” kan er sprake zijn van tijd en ruimte, en deze vormen de fundamenten waarop ons verstand, waaraan we zoveel waarde hechten, is gebaseerd. Het is nuttig om dit met introspectie te onderzoeken. Onderzoek vanbinnen hoe denken geregeerd wordt door het fenomeen tijd en causaliteit (eerst dit, toen dat; dit veroorzaakt dat; om dit te bereiken moet ik dat doen enz.). Het is dus een gigantische, doch onschuldige, vorm van arrogantie als we menen te kunnen “begrijpen” wat vooraf ging aan de Big Bang of wat er zich aan de buitenzijde van dat uitdijende heelal bevindt. De vragen zijn geen zinvolle vragen, maar illustraties van de beperktheid van ons denken.

ECIW is in feite een vingerwijzing naar onze onbewuste arrogantie en de hegemonie van ons beperkte denken. Wij kunnen alleen maar beperkte concepten produceren die thuishoren in het post-Big Bang-gebeuren. Jezus stelt in ECIW echter dat onze ware identiteit “pre-“Big Bang is, waarbij ik “pre” tussen quotes moet zetten, omdat het begrip betekenisloos is als het over tijdloosheid gaat. De vraag “wat was er voordat de tijd begon” is een contradictio in terminis.

Maar wat valt er dan nog over te zeggen, zelfs door een mens als Jezus in ECIW? In feite niets, zoals Jezus ook toegeeft in het boek. Er worden woorden gebruikt als Kennis, Gedachten van God, Schepping, Zonen, allemaal met hoofdletters die zoiets willen zeggen als: deze woorden worden nu niet gebruikt in de ons bekende betekenis, maar op een ander “niveau”, waarbij ook dit woord eigenlijk weer te duaal is.

Moeten we dan de zogenaamde metafysica van ECIW gewoon maar tot ons nemen als een nieuw geloof? Nee, dat is ook niet de bedoeling, en ook hier is Jezus duidelijk over als hij aangeeft geen universele theologie te willen bieden. Eigenlijk doet nadenken over de metafysica ongeveer hetzelfde met ons als die kwestie van de Big Bang; het is nuttig om ons de beperktheid van ons verstand te laten zien, zodat we misschien kunnen ontspannen en “iets anders” kunnen laten binnenkomen.

Dit alles laat ook de zinloosheid zien van eindeloze discussies met ECIW-critici over de metafysica van de cursus. In dergelijke discussies wordt eerst het verstand, in de cursus aangeduid met ego, op de troon gezet, terwijl de hele kwestie juist de beperktheid van dit verstand is. De criticus die hiermee geen genoegen neemt en dit afdoet als een cirkelredenering, ziet niet dat hij ook een onmogelijke vraag stelt: de vraag om met het denken te omschrijven hoe dat wat het denken overstijgt eruit ziet. Een onmogelijk verzoek.

Hiermee lijkt een patstelling te zijn ontstaan. Als ons verstand er niet bij kan en als blind geloof ook niet het antwoord is, wat dan? Dan biedt Jezus ons in ECIW de 365 Werkboeklessen aan. Kunnen die ons dan antwoorden verschaffen die we kunnen gebruiken om uit te leggen hoe het zit? Nee, dat is niet het doel van Jezus. Hij wil ons rustig begeleiden naar wat ECIW aanduidt als een universele ervaring.

Direct kan ons kritische verstand weer het zwaard ter hand nemen en, terecht, stellen dat ervaringen tot het domein van tijd en ruimte behoren en dus onderworpen kunnen worden aan kritische toetsing. Ik zeg hier “terecht”, omdat ook Jezus aangeeft dat ECIW tot aan “het randje” kan brengen, zeg maar tot t=0,000…1 seconde na de Big Bang. Iets van t=0 wordt hier “voelbaar”, als een herinnering aan een oeroud lied dat we vergeten zijn, maar dat ons blij maakt. ECIW spreekt van het heilig ogenblik, van de gelukkige droom en van de nieuwe wereld.

De metafysica van ECIW werkt als een spiegel in een poging om ons benul te laten krijgen waar we ieder (tijdloos) moment mee bezig zijn. Vanuit de tijdloosheid lijkt er een beslissing plaats te vinden om onszelf te BigBang-en; onszelf de dimensie van tijd en ruimte in te projecteren. Dit, per definitie ook weer beperkte, concept komt voor in verschillende religies en levensbeschouwingen, met verschillende waarderingen.

Zo spreekt ECIW vanuit onze huidige wat negatieve ervaring, waarbij we gaan geloven dat na ons ge-BigBang de afgescheidenheid een feit is. Een afgescheidenheid die we, lang verhaal kort, als “hel” percipiëren. In de Complete Editie van ECIW klinkt een iets milder geluid, waarbij benadrukt wordt dat er een correctieprincipe zit ingebouwd in het gebeuren, waarbij we als het ware door de BigBang, door de ervaring van dualiteit, in feite gedwongen worden om ons onze Bron weer te herinneren. Deze herinnering wordt later de Stem (van God, de Heilige Geest) genoemd.

Een Cursus van Liefde (ECvL) stelt hetzelfde iets anders. Hierin legt Jezus uit dat tijd en ruimte niet per se foute boel zijn, tenzij we deze aangrijpen om de illusie van afgescheidenheid en angst bot te gaan vieren. Andere religies en dergelijke komen met hun eigen verhaal.

Terug naar de Werkboeklessen. Hierin leren we op talloze manieren om wonderwerkers te worden. Het wonder bestaat uit het opschorten van ons geloof in de echtheid van tijd en ruimte (leren inzien dat projectie onze perceptie bepaalt) en om ons af te stemmen op het ontvangen en doorgeven van liefde, waarbij we kunnen ontdekken dat liefde onze Bron vormt en tevens middel en doel (herinnering van de Bron) is.

Kernwoorden zijn openheid (bereidheid ons vastgeroeste denken te laten corrigeren) en overgave (aan liefde). Maar helaas zijn dit niet de kwaliteiten die bepalend zijn voor de mensheid van nu. De ECIW-critici, en in feite zijn we dit allemaal, willen begrijpen en op eigen beentjes staan. Het zoeken naar openheid en het willen belichamen van liefde staan niet zo hoog op onze agenda. Zie hier de paradox. De enige manier om enig “antwoord” te krijgen op de vraag “wie of wat ben ik?”, bestaat niet uit een overtuigend filosofisch, psychologisch of theologisch betoog, maar uit bereidwilligheid. Een gruwel voor de trotse “verlichte” mens.

Juist hier raken we aan iets dat verrassend dicht ligt bij de woorden die Jezus in de Bijbel spreekt. Hij prijst immers de “armen van geest”, niet omdat zij minder zouden zijn, maar omdat zij hun vermeende weten hebben losgelaten en openstaan voor wat hen gegeven wordt. En ook wanneer hij zegt dat wij moeten worden als kinderen om het Koninkrijk binnen te gaan, wijst hij niet op naïviteit, maar op een staat van ontvankelijkheid, verwondering en vertrouwen – vrij van de kramp om alles te willen begrijpen.

Misschien is dat wel de meest eerlijke conclusie: dat de grootste waarheid zich niet laat grijpen door het denken, maar slechts kan worden ontvangen door wie bereid is eenvoudig te worden. Zoals een kind. Zoals een “arme van geest”. In die zin is de weg waar ECIW naar wijst geen intellectuele overwinning, maar een innerlijke omkering – van weten naar bereidheid, van begrijpen naar ontvangen, van denken naar zijn.

De Hemel is de beslissing die ik moet nemen (Les 138)

In mijn beleving is het mogelijk op te merken hoe in het bewustzijn onze wil als het ware oprijst en iets wil vermijden of juist iets wil bereiken. Terloops merk ik op dat het willen handhaven van de status quo, onze tevredenheid, ook het vermijden van verandering kan inhouden. Zodra deze wil optreedt, lijkt ook het fenomeen “tijd” geboren te worden.

Zo’n korte alinea lijkt misschien een open deur waarbij je denkt: “klinkt logisch”, of “Ja, dat weet ik wel”. Maar zo’n snelle conclusie kan verhinderen dat je echt oplettend gadeslaat wat zich in de denkgeest afspeelt. Dat je het daadwerkelijk ervaart en ziet gebeuren. Het gaat zo snel dat het haast onbewust plaatsvindt, terwijl het ons direct in de illusie van tijd, doen, nastreven, vermijden, aanval en verdediging doet belanden. Schijnbaar, althans.

Zodra dit gebeurt, lijkt er sprake te zijn van een keuze; van zwart en wit, van kwaad en goed, van vermijden en nastreven. Deze schijnbare dualiteit voelt ongemakkelijk en ergens diep van binnen beseffen we dat dit niet de ultieme werkelijkheid is. ECIW leert dan ook dat de schepping geen tegendeel kent.

Werkboekles 138 blinkt uit in realiteitszin en komt ons tegemoet in onze waanvoorstelling door ons uit te nodigen om, zolang we geloven in de dualiteit van hemel versus hel en daarmee de illusie van tijd, deze tijd dan maar zo goed mogelijk te gebruiken. Wat houdt dit dan in? Goedbeschouwd komt dat neer op het doen van de ons bekende dagelijkse vergevingsoefeningen. Maar in deze les klinkt het anders als Jezus spreekt van: “een bewuste keuze voor de Hemel” en over “open staan voor correctie”. Het is een passievolle overgave aan de Heilige Geest (HG) “want het is het enige wat ik verlang”. Het zit prachtig in elkaar. Zodra wij gingen geloven in de dualiteit ontstond direct ook de Stem die ons eraan herinnert dat we ook anders kunnen kiezen. Zodra we gingen geloven in de tijd, konden we kiezen om naar deze corrigerende Stem te gaan luisteren.

Wij denken dat de dood ons rust gaat verschaffen (“rust in vrede”) en met diep inzicht legt Jezus in Werkboekles 138 uit dat waar het (duale) leven als conflict wordt gezien en de dood als rust, we negatief over verlossing gaan denken. Immers; als we het conflict kunnen oplossen door te sterven, dan betekent verlossing je leven beëindigen. Wat er nu gebeurt, zie je terug in Facebook-groepen, waar sommigen fel de gedachte aan “echte kwetsbare menselijkheid” met kracht verdedigen en boos worden als in ECIW gesproken wordt over verlossing en luisteren naar de HG; precies de belangrijkste aanbevelingen van Jezus in deze les.

In alinea 8 omschrijft Jezus dit als volgt:

8. Deze dwaze overtuigingen kunnen een onbewuste invloed van grote intensiteit gaan uitoefenen, en de denkgeest met zo’n grote paniek en benauwdheid in hun greep houden dat die zijn ideeën over zijn eigen bescherming niet meer wil loslaten. Hij moet van verlossing worden bevrijd, bedreigd worden om veilig te zijn, en op magische wijze tegen de waarheid worden bewapend. En deze beslissingen worden onbewust genomen, om ze veilig voor elke storing te kunnen bewaren, ver weg van vragen, weg van rede en van twijfel.

Jezus zet in ECIW de boel dus aardig op zijn kop: het idee kwetsbaar te zijn noemt hij een dwaze overtuiging die de denkgeest in zijn greep houdt en die we koesteren. Wij vinden dit juist een wezensvreemde gedachte en zoeken bescherming middels middelen die wij normaal en natuurlijk noemen, maar die Jezus juist in ECIW aanduidt met de term “magisch”. Wij vinden nu de ECIW-boodschap onzinnig en vinden onze houding menselijk en redelijk. Maar Jezus zegt dat we aan onze gebruikelijke opvattingen moeten twijfelen en dat deze twijfel pas echt redelijk is. Haast omgekeerde wereld dus.

Laat ik afsluiten met een disclaimer. Jezus nodigt ons uit om telkens weer onze vergevingsoefeningen te doen (te kiezen voor de Hemel) en opmerkzaam te worden voor ons geloof in dualiteit in elk moment. Nu, en dan weer nu. Hij vraagt ons niet om gekke dingen te doen; het is prima om, als dit behulpzaam voor je is en je angst vermindert, naar een dokter of psycholoog te gaan, pillen te slikken, gewoon te eten en te drinken en vooral om elkaar te steunen en te bemoedigen. Maar Jezus doet geen water bij de wijn als het gaat om wat onze ware identiteit is. Nee, hij verandert het water in de wijn. Hij wijst ons op de mogelijkheid van verlossing, van transformatie en het einde van de tijd van kiezen en leren. Daarover handelt overigens ook het vervolg van Een Cursus in Wonderen; het prachtige “Een Cursus van Liefde”. Maar goed; ik dwaal af en dat is niet nodig want ook ECIW is compleet in zichzelf. Kijk maar alvast naar de les van overmorgen. Prachtig:

Alleen van de verlossing kan worden gezegd dat ze geneest.

Maar toch!

Ziekte is een verdediging tegen de waarheid (Les 136)

Dit is een Werkboekles die veel vragen, weerstand en woede opwekt. De afgelopen jaren heb ik er herhaaldelijk aandacht aan besteed en ik verwijs graag naar mijn website ECIWCOACH.COM, waar je via de zoekfunctie na het intypen van Les 136 onder andere de volgende blogs kunt vinden:

  • Overdenkingen bij Werkboekles 136 (16 mei 2025)
  • Eigen schuld, dikke bult? (27 nov 2024)
  • Sta op en loop! (16 mei 2024)
  • Gebed voor zieken en gezonden (15 mei 2016)

In het verlengde van mijn blog van gisteren, Tussen dogma en ontkenning: over ECIW, wil ik hier graag het volgende aan toevoegen.

Ons gangbare wereldbeeld is dat we lichamelijke wezens zijn, kwetsbaar en sterfelijk. Ziek worden is daar, helaas, onlosmakelijk mee verbonden en voor velen een harde realiteit. Dit is onze perceptie.

In ECIW corrigeert Jezus onze perceptie door te stellen dat dit een vergissing is en dat we geestelijke, onkwetsbare wezens zijn; veilig in de armen van onze Vader. Dit strookt natuurlijk totaal niet met onze ervaring, met onze huidige perceptie.

Dit is al voldoende reden om boos te worden op die wrede en onzinnige cursus. Maar alsof het nog niet genoeg is, krijgen we ook nog eens te horen dat we zelf gevraagd hebben om deze ellende. Hoe kan dat nu? Daar kan ik me niets van herinneren en dan heb ik het nog niet eens over zieke kinderen, aangeboren afwijkingen en ga maar door! Ik ga daar nu niet uitgebreid op in; zie s.v.p. eerdere blogs.

Nu kunnen we, zoals gisteren uitgelegd, twee reacties zien:

  1. De dogmatische reactie (geloven zonder doorleving, zonder echte genezing). Hoewel we pijn en ellende ervaren roepen we dat dit niks uitmaakt omdat we geloven dat we geen lichaam zijn. Zelf houden we dat vooral goed vol als we even niks mankeren, maar het wordt een akelige boodschap als we deze verkondigen aan naasten die wel lijden of indirect met onbegrijpelijk leed te maken hebben.
  2. De ontkenning van de boodschap van ECIW: we pakken direct door en schrijven ECIW maar af. Lijden en ziekte zijn gewoon onderdeel van het menselijk bestaan en zeggen dat we eigenlijk onkwetsbare wezens zijn is dan een spirituele bypass. Dit kunnen we vervolgens staven met filosofen die dit ook zo zien. Laten we nu maar gewoon doen en ons richten op het perfectioneren van onze geneeskunde; daar hebben we meer aan dan aan wereldvreemde en onbewijsbare theorieën.

Ik heb nu de neiging om te wijzen op het belang van het zien van uitspraken zoals gedaan in deze werkboekles in de context van de hele cursus. Dan kan ik uitleggen dat Jezus benadrukt dat we zondeloos zijn en dus geen schuld dragen. Vervolgens kunnen we in ECIW lezen dat Jezus zegt dat we onze perceptie van lichamelijkheid niet moeten ontkennen; dat noemt hij onwaardig. En ten slotte is het belangrijk om te spreken over vergeving, het liefdevol doorzien van ons geloof in zonde en afscheiding, en over het wonder dat kan plaatsvinden. Een wonder waarbij we ons laten vervullen en genezen door liefde.

Maar ik grijp terug op de centrale figuur in ECIW, onze broeder Jezus, en op wat hij zijn discipelen uitlegde en liet zien toen hij met hen langs een blinde man liep, zo’n 2000 jaar geleden:

Johannes 9:

En in het voorbijgaan zag Hij een mens die blind geboren was. En zijn jongeren vroegen Hem, en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders; maar opdat de werken van God in hem zouden geopenbaard worden. Ik moet werken van degene die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.

De blinde man vertrouwt Jezus en laat zich, letterlijk, aanraken en hij wordt genezen.

Wij mogen onze onjuiste perceptie, onze blindheid, laten genezen: “Ik zal de waarheid van wat ik ben aanvaarden…”. Jezus beschuldigt ons niet in Les 136 maar zet ons in onze kracht en nodigt ons uit te kiezen voor bekering: de keuze voor liefde. Genezing is iets van en voor de denkgeest: “…en mijn denkgeest vandaag geheel laten genezen”.

Is hiermee alles gezegd en alles verduidelijkt? Natuurlijk niet. We worstelen allemaal met noodlot, ziekte, pijn en schuldgevoel. Maar ECIW biedt ons een wegwijzer in deze donkere droomtunnel en wijst naar “boven”:

De Hemel is de beslissing die ik moet nemen. “Ik neem die nu, en zal niet van gedachten veranderen, want het is het enige wat ik verlang” (Les 138).

En dat omschrijft ook mijn eigen houding tegenover onbegrijpelijk lijden.

Ik huil, zwijg en zeg dan: “maar toch…!”

Tussen dogma en ontkenning: over ECIW

Laten we even een stap terug doen en de cursus van enige afstand beschouwen. Wat beoogt Jezus met Een Cursus in Wonderen (ECIW)? Hij wil ons een manier aanreiken om te ontdekken dat ons zelf- en wereldbeeld niet klopt. Waaruit bestaat ons huidige wereldbeeld? Onder meer uit de volgende opvattingen:

  • We zijn lichamelijke wezens die leven in een materiële wereld van tijd en ruimte.
  • We zijn kwetsbaar en sterfelijk en kunnen bedreigd en aangevallen worden.
  • Mensen die dat doen zijn schuldig en verdienen straf.
  • Wij zijn slim en kunnen begrijpen wat goed en fout is en hoe de werkelijkheid in elkaar steekt.

De boodschap van Jezus is dat we ons vergissen. Zijn boodschap luidt ongeveer als volgt:

  • Jullie zijn geschapen Zonen van God; onsterfelijke Kinderen van de Liefde die nu dromen dat ze op eigen (lichamelijke) beentjes staan en rondwandelen op aarde.
  • Jullie dromen slechts dat jullie sterfelijk zijn en slachtoffer kunnen zijn van anderen, maar deze perceptie klopt niet.
  • Wat jullie zien als aanval is een roep om liefde.
  • Jullie menselijk denken is gebonden aan de concepten van jullie droom en niet het geschikte instrument om jullie ware identiteit te herinneren. Dit is een vorm van (onschuldige) arrogantie.

Theoretisch is het mogelijk om de hele boodschap van Jezus aan ons samen te vatten in enkele regels:

Niets werkelijks kan bedreigd worden,
Niets onwerkelijks bestaat,
Hierin ligt de vrede van God.

Helder toch? Als we dit goed in onze oren knopen of eenvoudigweg geloven, zijn we er dan? Kennelijk niet, want Jezus heeft ons geen half A4’tje gegeven, maar een hele cursus met, naast het Tekstboek, 365 werkboeklessen om te doen. Door de hele cursus loopt een rode draad die we voor ogen dienen te houden als we niet willen verdwalen. Je zou die als volgt kunnen formuleren:

  • Jezus vraagt ons om de bereidwilligheid op te brengen en te erkennen dat we ons kunnen vergissen; dat onze perceptie van onszelf en de wereld onjuist is. In ECIW-termen gezegd: hij vraagt ons niet te luisteren naar onze verkeerd gerichte denkgeest. Dit is de stem van angst.
  • Hier direct aan gekoppeld, nodigt hij ons uit om ons af te stemmen op de juist gerichte denkgeest; naar de Heilige Geest, de Stem van Jezus, de Stem van Liefde. Zijn we bereid te vergeven? Om onze perceptie te laten corrigeren — niet door haar zelf te analyseren of te verbeteren, maar door haar beschikbaar te stellen aan een andere manier van zien — en zo kanalen van liefde te zijn naar onze naasten en naar de wereld om ons zo te herinneren wie we werkelijk zijn? Het wonder te ervaren?

Als we vanuit deze gezindheid de cursus bestuderen en de werkboeklessen doen, kunnen we glimpen van de werkelijkheid opvangen en leren voorbij de illusie te zien — niet omdat we haar zelf doorzien, maar omdat we bereid worden haar te laten corrigeren.

Hoe ontvangen wij ECIW? Hierin zie ik twee uitersten die, naar mijn beleving, allebei weinig behulpzaam zijn.

Het eerste uiterste is een al te letterlijke aanvaarding van de metafysische boodschap van de cursus, zonder dat de verkeerde houding van de denkgeest werkelijk genezen is. Zo kan een nieuw geloof ontstaan met nieuwe leerstellingen, en dat geloof kan een pijnlijke vertekening worden van de liefdesboodschap van Jezus. Waarom zouden we nog naar elkaar omzien als leed en pijn niet echt zijn? Kunnen we elkaar dan straffeloos doden? Zijn we dom of tekortgeschoten als we lijden of schuld ervaren? Het is tegen deze vertekening dat ECIW-critici terecht bezwaar maken. Maar helaas slaan zij daarbij soms door naar het andere uiterste: het wegzetten van ECIW als een wereldvreemd, onzinnig en zelfs hardvochtig gedachtengoed.

Hun verontwaardiging klinkt ongeveer als volgt:

“We kunnen onze lichamelijkheid toch niet ontkennen? We zijn op zijn minst allebei: geest en lichaam. Menselijk leed is echt. We kunnen werkelijk slachtoffer zijn van de wereld en van anderen. Er zijn echte schuldigen en als iemand werkelijk schuldig is, is het niet nodig hem te vergeven of zijn daden door de vingers te zien. ECIW verkondigt een onzinnige boodschap vol niet te bewijzen cirkelredeneringen. Het gaat erom dat we gelukkig worden in het dagelijkse leven, en daar hebben we ECIW eigenlijk niet voor nodig, of hoogstens in een gecensureerde bijrol.”

Ik hoor hierin vaak een dubbele boodschap. Er klinkt oprechte compassie in door voor ons menselijke bestaan, een warm humanisme. Als tegengeluid voor de meer dogmatische lezers van ECIW is dit een gezonde reactie. Deze critici weten zich hierin dicht bij Jezus; lees het Nieuwe Testament er maar eens op na. Jezus ziet om naar zijn medemens in nood.

Maar niet zelden gooien deze goedbedoelende critici ook het kind met het badwater weg. Dan zijn zij weer terug bij af en nemen zij zelf de uitgangspunten over waarmee ik deze blog begon. Juist aan zulke mensen biedt Jezus de cursus aan. Ik zie dat deze critici de geestelijke aard van de werkelijkheid ten dele ontkennen. Zij spreken niet over verlossing, niet over luisteren naar Jezus, en evenmin over het bereidwillig openen van de denkgeest voor correctie door de Heilige Geest. Christenen hebben dat treffend verwoord: ben je bereid je zonden te belijden, dat wil zeggen te erkennen dat je gelooft in afgescheidenheid? Ben je bereid je knie te buigen voor God — niet als een louter symbolisch gebaar, maar als een werkelijke innerlijke overgave waarin je bereid bent je eigen begrijpen los te laten? Niet uit angst, maar omdat je wilt erkennen dat je niet op eigen benen staat, maar gedragen wordt door de Vader. Ben je bereid niet je eigen gedachten te geloven, maar je open te stellen voor de Gedachten die je denkt met God? Ben je in feite bereid om, samen met de Bijbelse Jezus, te zeggen: “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede?” — en daarmee ook het recht los te laten om zelf te bepalen wat waar is? En in cursus-termen: ben je bereid de cursus daadwerkelijk te doen?

Ik wil en kan niemand veroordelen om de manier waarop hij of zij met de cursus omgaat. Toch denk ik dat het goed is om helder te blijven over de kernpunten van de boodschap van Jezus en te reageren wanneer daarvan een vertekening ontstaat, hetzij door meer dogmatische lezers, hetzij door lezers die vooral aan de zichtbare werkelijkheid vasthouden. Hoe goedbedoelend deze broeders en zusters ook zijn: ook Jezus vond het nodig om zich uit te spreken. Daarom gaf hij ons deze prachtige cursus — niet om ons denken te verfijnen, maar om ons uit te nodigen het los te laten en ons te laten onderrichten. Goddank.

Gevoel krijgen voor perceptie en projectie

Zonder erbij na te denken interpreteren wij dat wat we meemaken vanuit de diepe overtuiging dat onze werkelijkheid duaal van aard is. Dat brengt met zich mee dat we ons slachtoffer voelen van omstandigheden buiten onszelf terwijl we niet in de gaten hebben dat we zelf de ultieme bron van onze ervaringen zijn.

Je ziet dit duidelijk gebeuren met hoe we God ervaren. Het klassieke verhaal luidt dat wij eerst in een paradijs woonden maar ongehoorzaam waren aan God door van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Dit zou God boos hebben gemaakt waarna hij ons het paradijs uitgooide en de toegang tot de boom des levens ontzegde. We werden sterfelijk en moesten, onder andere, vermoeiende arbeid verrichten om in leven te blijven. Dit schetst zo het beeld van een strenge God, die ons onze ongehoorzaamheid aanrekent en ons op strafkamp stuurt met uiteindelijk de doodstraf. Wie kan er nog sympathie opbrengen voor zo’n strenge vader? Zelfs wij zouden onze kinderen niet zo hard aanpakken.

Maar bekijk dit verhaal nu nog eens met de metafysica van ECIW in gedachten. Zowel in het klassieke Bijbelverhaal als in ECIW is de Zoon van God vrij om te kiezen. Omdat er in de hemel, of in het paradijs, feitelijk niets te kiezen valt, spreekt ECIW eerder van een vergissing dan van een bewuste keuze. Voor zover dit met woorden te beschrijven is, zou je kunnen zeggen dat de Zoon zich afvraagt hoe het zou zijn om dualiteit te ervaren; een ikje hier en de rest buiten mij. En direct is die ervaring er dan en dit gaat gepaard met het onjuiste idee dat we ons losgemaakt hebben uit de eenheid waar we ons nooit los van kunnen maken waarbij het weten dat we één zijn met de Vader plaats maakt voor het beeld van een vader buiten onszelf. In onze verdwazing menen we dat onze afscheidingstruc gelukt is en we vermoeden dat onze Vader nu wel boos zal zijn op onze rebellie.

Met onze keuze voor afgescheidenheid wordt het geloof geboren van de materiële wereld en van lichamelijkheid; de symbolische weergave van ik hier en de rest daar. De wereld van tijd en ruimte met daarin allerlei vormen lijkt te zijn ontstaan. We doen onszelf deze illusie aan, maar omdat we dit niet door hebben, projecteren we dit op de God die we nu buiten onszelf zien en van wie we verwachten dat hij ons zal willen straffen voor de , in onze ogen, gelukte afscheidingspoging. Zo komen kwetsbaarheid, ziekte en de dood naar boven als thema’s in onze fantasie. Het is echter niet God die straft maar, zoals ECIW het uitdrukt, het kruisigen van onszelf.

Het klassieke geloof stelt dat we aan het einde van ons leven beoordeeld worden door God. Als hij niet tevreden is (bijvoorbeeld als we een losbandig leven hebben geleid of als we niet geloven in een verhaaltje van het plaatsvervangend offer van Jezus) dan komen we in de hel waar we oneindig lang moeten lijden. Maar God straft helemaal niet. Zolang wij geloven in de duale illusie van de wereld die we zelf bedenken, ervaren we het lief en leed van de dualiteit. Dit is de door ons zelfgemaakte hel. De dood lost helaas niets op omdat dit niet automatisch betekent dat het geloof in afgescheidenheid daarmee gecorrigeerd wordt in onze mind. Na de  fysieke dood hebben we geen gelegenheid om gelukkig te worden door ons lichaam te beschermen of juist te verwennen. Binnen de antroposofie wordt uitgelegd dat dit door de ziel als frustrerend wordt ervaren. Denk bijvoorbeeld aan een sterk verlangen naar lichamelijk genot, maar geen lichaam hebben om dit verlangen te bevredigen. Zolang de illusie van afgescheidenheid (en daarmee de keuze tussen goed (genot) en kwaad (bedreiging) niet wordt doorzien; krijg je een nieuw lichaam om je vergevingsoefeningen mee te doen. Wij noemen dit reïncarnatie maar het is in feite niet veel meer dan de illusie van “een nieuwe dag, nieuwe kansen”.

Het is dus geen God die ons in de hel werpt en die niets van ons wil weten. Het is een onzinnig spel dat wij zelf willen spelen.

Ik sluit af met een uitgebreid citaat uit Een Cursus van Liefde over dit patroon van projectie en perceptie (Dag 39).

39.17 Wie ik voor jou ben geweest is wie jij voor jezelf bent geweest. Herinner je het begrip projectie. Dit is wat projectie doet. Het projecteert naar buiten. Het verschilt van uitbreiding omdat uitbreiding een soort projectie is die één blijft met haar bron. Projectie scheidt.

39.18 Jij hebt mij van je afgescheiden door jouw projectie. Wat jij echter projecteerde en God noemde, net als wat je projecteerde en duizend andere ‘dingen’ noemde, heb je alleen in tijd en ruimte van jezelf afgescheiden. In tijd en ruimte werden jouw projecties afgescheiden en anders dan jij. Dit is wat de wereld van tijd en ruimte is. Een wereld die een projectie is die jij hebt gemaakt, een wereld die het model en de vorm heeft, het karakter en de waarde, het beeld en de betekenis die jij eraan wilde geven. Dit is jouw universum. Ik ben, voor jou, de God van dit universum geweest.

39.19 Zo zijn je gedachten over het universum en over mij onscheidbare projecties geweest. Net zoals jouw ideeën over het universum en jouw ideeën over je eigen zelf.

39.20 Ben ik een welwillende God in jouw universum geweest? Dan ben jij welwillend geweest en heb je jouw universum als een welwillend universum gezien.

39.21 Ben ik een oordelende God geweest in jouw universum? Dan ben jij oordelend geweest en heb je in een oordelende wereld geleefd.

39.22 Ben ik een machtige God geweest die wonderen kan verrichten? Dan ben jij een machtige verrichter van wonderen geweest.

39.23 Ben ik een afstandelijke God geweest die zijn liefde niet aan jou en aan anderen toont? Dan ben jij afstandelijk geweest ten opzichte van jezelf en van degenen die je liefhebt.

39.24 Ben ik een God geweest die je gezocht hebt en nooit gevonden? Dan heb jij jezelf niet gevonden.

39.25 Ben ik een rechtvaardige God geweest? Dan ben jij rechtvaardig geweest en heeft de wereld jou rechtvaardig behandeld.

39.26 Ben ik de God van jouw religie geweest? Dan ben jij religieus geweest.

39.27 Ben ik een God geweest van wraak? Dan was jij wraakzuchtig.

39.28 Ben ik een liefdevolle God geweest? Dan ben jij liefdevol geweest.

39.29 Ben ik dit alles geweest? Dan was jij dit ook en jouw universum ook.

39.30 Is jouw God helemaal geen god geweest, maar wetenschap, geld, carrière, schoonheid, roem, vermaardheid, intellect? Dan zijn deze dingen de inhoud geworden van wie jij bent. Wetenschap, geld, roem, vermaardheid, intellect of ieder ander concept dat jouw god is geworden kan een geduchte opdrachtgever zijn, of een goede vriend, liefdevol of liefdeloos, een god die jou verwijdert van jezelf en anderen of jou dichter bij jezelf en anderen brengt. Geen enkele god die geprojecteerd wordt is zonder eigenschappen, zelfs goden zoals deze niet.

39.31 Heb jij geen god gehad, geen wetenschap, geen schoonheid, welvaart, maar alleen een schraal en uitzichtloos leven? Dan is jouw god de god van verslagenheid geweest.

39.32 Heb je geen god gehad, geen wetenschap, geen loopbaan, geen roem, maar alleen een leven vol haat en geweld? Dan is jouw god de god van verbittering geweest.

39.33 Iedereen heeft een god omdat iedereen een wezen heeft en een identiteit voor dat wezen. Iedereen draagt de herinnering van Ik Ben.

God zal er zijn

Van oudsher ben ik, wat ze vroeger noemde, een beta-type; ofwel een rationeel mannetje. Mijn vakkenpakket op de middelbare school bestond uit Nederlands en Engels (deze waren verplicht) en wiskunde I en II, natuurkunde, scheikunde en biologie. Mijn geheugen is niet erg best en daarom koos ik voor vakken, en later voor een studie, waarin begrijpen centraal stond. Ik wilde zaken kunnen beredeneren, kunnen snappen. Het moest allemaal logisch zijn voor mij.

Toen ik dan ook in gesprek kwam met een lieve en goedbedoelende voorganger in een evangelische kerkgemeente, hoorde ik welwillend zijn verhaal aan. Ik proefde zijn compassie voor mij en zijn oprechte intentie mij iets waardevols aan te bieden. Zijn verhaal trok me wel aan maar ik herinner me dat ik na een paar gesprekken vertwijfeld uitriep: “maar hoe kan ik nu weten of dit waar is?”.

Momenteel voer ik regelmatig gesprekken met andere rationeel ingestelde mensen, gewoonlijk mannen. Ook zij hebben, bewust of onbewust, de ratio op de troon van hun bestaan gezet. Sommigen moeten niets van spiritualiteit weten en ook niet van Een Cursus in Wonderen (ECIW) of Een Cursus van Liefde (ECvL). Ik kan dat gemakkelijk respecteren en loslaten en heb weinig evangelisatieneigingen, om het maar zo uit te drukken. Maar als ik merk dat ik met een rationeel type in contact kom waarbij ik een diepe roep om liefde en hulp bespeur, dan roept dit bij mij eenzelfde soort compassie op als bij genoemde voorganger. Ik gun mijn gesprekspartner dan de levende ervaring van gedragen worden door liefde en de innerlijke vrede die je daarbij ten deel valt. Maar tevens ervaar ik iets van een onmogelijkheid om die ander te bereiken als hij stug wil vasthouden aan de kracht van zijn eigen denken.

Dit alles kwam bij me naar boven toen ik de werkboekles van vandaag las, nr 130: “Het is onmogelijk twee werelden te zien”. De eerste alinea vat het hele thema kernachtig samen:

Waarneming is consistent. Wat je ziet, weerspiegelt je denken. En je denken weerspiegelt alleen jouw keuze van wat jij verlangt te zien. Jouw waarden zijn hierin bepalend, want waaraan jij waarde hecht moet je wel willen zien, omdat je gelooft dat wat jij ziet er werkelijk is. Niemand kan een wereld zien waaraan zijn denkgeest geen waarde heeft toegekend. En niemand kan nalaten te kijken naar wat hij gelooft dat hij verlangt.

In gesprek met een slimme man merk ik dat hij niet kan begrijpen dat liefde, verlossing, vergeving, schepping, God, de Heilige Geest woorden zijn die verwijzen naar de ons omvattende werkelijkheid. Hij probeert deze symbolen te reduceren tot concepten die hij kan plaatsen in zijn psychologisch en filosofisch raamwerk. Net als ik destijds loopt hij hierbij tegen de grenzen van het denken aan. Het klinkt allemaal niet logisch, hangt van cirkelredeneringen aan elkaar en hoe kun je nu weten dat het waar is?

Werkboekles 130 legt geduldig uit dat de wortel van de weigering om het denken even van de troon af te halen bestaat uit angst. Ons denken geeft ons een gevoel van macht en zekerheid. Binnen de ons bekende werkelijkheid heeft het denken ons veel gebracht en ons de indruk gegeven dat we van alles onder controle hebben. Ons denken heeft van ons de (over)heersende diersoort gemaakt. Waarom zou dit machtige instrument dan ook niet het begrip van- en controle over dat geestelijke domein kunnen bieden?

Is het denken dan verkeerd en moeten we het maar helemaal afschaffen? Dat is niet wat ik zeg. Binnen het ons bekende domein, het domein van tijd en ruimte, is het een bruikbaar instrument dat ons inderdaad helpt om de kwetsbaarheid die we hier ervaren hanteerbaar te maken. Het biedt ons voedsel, kleding, behuizing, de geneeskunst enzovoorts. Maar de vele religies en spirituele stromingen willen ons juist wijzen op dat wat het ons bekende domein van tijd en ruimte overstijgt.

In ECIW en ECvL wijst Jezus ons erop dat onze ware identiteit niet sterfelijk en kwetsbaar is en dat angst daarom uiteindelijk misplaatst is en dus een slechte raadgever. Als we blijven luisteren naar de stem van angst die gebaseerd is op geloof in kwetsbaarheid dan is de ons bekende werkelijkheid de enige die we zullen zien: Het is onmogelijk twee werelden te zien.

Hoe doorbreek je deze patstelling waarin je geleerd hebt om je denken te zien als het enige instrument om je angst te beheersen? Want de wereld van angst is de enige wereld die je ziet en het is teveel gevraagd om jouw ultieme controlemiddel even los te laten. Het ego zegt: “Ik moet het doen, ik ben verantwoordelijk, ik moet controle houden, ik ben slachtoffer, ik ben sterfelijk, ik wil het begrijpen!”. En in gesprek met goedwillende “voorgangers” eist het dan ook: je moet het me uitleggen en je moet me met argumenten overtuigen. Hoe doorbreek je deze vicieuze cirkel?

Dat legt Jezus uit in alinea 8:

“Begin je zoektocht naar de andere wereld met te vragen om een kracht die de jouwe overstijgt en in te zien wat het is waarnaar je zoekt. Jij verlangt geen illusies. En je begint aan deze vijf minuten door alle armzalige schatten van deze wereld uit je handen te leggen en die leeg te maken. Je wacht op God om jou te helpen, terwijl je zegt:

Het is onmogelijk twee werelden te zien. Laat me de kracht aanvaarden die God mij biedt en geen waarde zien in deze wereld, opdat ik mijn vrijheid en verlossing vinden kan.”

En helaas; dat blijkt soms (nog) niet op te brengen voor de slimme en verstandige medemens. Het opgeven van controle, overgave, stil worden, vertrouwen op liefde is iets wat haak staat op de agenda van het ego. Het heeft mij nog wat jaren gekost om dat vertrouwen op te kunnen brengen en dit uit te drukken in het krachtige ritueel van de volwassenendoop. Hierbij spreek je uit dat je Jezus aanvaardt als verlosser en heer en laat je je in vertrouwen onderdompelen in het water om symbolisch af te sterven aan de heerschappij van het ego. Pas toen begon het proces waarbij er ruimte ontstond om te ervaren wat de werkboekles zo mooi beschrijft en waarmee ik wil afsluiten:

God zal er zijn. Want je hebt een beroep gedaan op de grote onfeilbare macht die in dankbaarheid deze reuzenstap mét jou zal zetten. Ook zul je zeker Zijn dank in tastbare waarneming en in waarheid uitgedrukt zien. Je zult wat je aanschouwt niet betwijfelen, want hoewel het waarneming is, is het niet het soort zien dat jouw ogen op eigen kracht ooit eerder hebben aanschouwd. En je zult weten dat Gods kracht jou steunde toen jij deze keuze maakte.

ECIW helemaal en goed lezen!

Onlangs schreef ik een blog met als titel: “Op een gebalanceerde wijze omgaan met ECIW”. Het lijkt erop dat Jezus met de werkboekles van vandaag zich weinig aantrekt van een uitgebalanceerde aanpak wanneer hij zegt (Les 128): “De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang”. Hij roept op om oefeningen te doen om ons te laten verheffen en boven de wereld uit te stijgen. Dit lijkt koren op de molen voor mensen die ECIW aangrijpen om de wereld de rug toe te keren. En op zijn beurt is dit weer voedsel voor critici die stellen dat ECIW een wereldvreemde leer verkondigt en leidt tot spirituele “bypass”. Maar kloppen deze redeneringen?

Het doen van de cursus vergt zorgvuldigheid. Twee aspecten hiervan zijn zorgvuldig lezen en de hele cursus doen, dus uitspraken kunnen bezien in de context van de hele cursus. Soms zie ik ECIW-critici losgaan op de uitspraak van een geïsoleerde werkboekles en daarmee deze twee belangrijke suggesties negeren.

Want wat staat er nu in de titel vanwerkboekles 128? Er staat: “De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang”. Zoals uitgelegd in genoemde blog, speelt perceptie een sleutelrol in de cursus. Het “die ik zie” verwijst hier direct naar: ik percipieer een wereld die geregeerd wordt door geloof in afgescheidenheid waarbij ik mezelf probeer te verdedigen tegen nare dingen en waarbij ik meen dat leuke dingen mij gelukkig maken. De werkboekles van vandaag gaat over dit tweede aspect: het geloof dat je nu niet volmaakt bent en dat je tijdelijke zaken nodig hebt om gelukkig te zijn.

Het is dus belangrijk te beseffen dat Jezus ons vandaag een aspect toont van het hele verhaal. We geloven in afgescheidenheid, projecteren daarom als zoonschap een wereld van vormen, tijd en ruimte en menen vervolgens dat we door het nastreven van dingen (of relaties, spullen, ervaringen etc) binnen deze droom echt gelukkig kunnen worden. In ECIW-termen gesteld: we denken dat we via speciale liefdesrelaties gelukkig kunnen zijn. De oproep van Jezus in de werkboekles is om deze kleine verlangens te doorzien en los te laten.

Wat betreft de context hoef je nog niet eens zo ver door te redeneren als waar ik zojuist een klein begin mee maakte. Lees om te beginnen maar eens de titels door van de komende werkboeklessen. Bij de les van morgen (129) gaat het al over onze juiste verlangens: Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang. In deze les gaat Jezus spreken over liefde. Liefde is het gezonde broertje van projectie. Liefde breidt uit in eenheid en verbinding terwijl projectie een duale droom maakt van zogenaamde liefde en haat. Jezus vraagt ons niet om niets te verlangen en in onszelf gekeerd weg te zweven van alles en iedereen. Nee; hij wil ons verlangen genezen zodat we weer gaan verlangen liefde uit te breiden.

In Les 130 komt de radicaliteit van de cursus mooi naar voren: we kunnen niet op twee gedachten blijven hinken maar dienen ons helemaal over te geven aan liefde. Dan volgt een les van hoop (131): “Niemand kan falen die tot de waarheid tracht te komen”. Dan sla ik enkele lessen over om te laten zien dat de cursus helemaal niet oproept tot ik-gerichte acties en een wegkijken van de wereld die we vanuit angst geprojecteerd hebben. Want in Les 134 staat “Laat me vergeving zien zoals ze is”. Hier komt het diepe relationele aspect van de cursus in beeld waarbij we niet langer aanvalsgedachten op onze Broeders projecteren maar hen bezien met ogen vol liefde.

Ook hier geldt weer de oproep om de hele cursus te doen en jezelf te behoeden voor eenzijdigheid. Context, context, context! Want te vaak wordt slechts één aspect van het wonder benadrukt en stelt men dat het wonder alleen bestaat uit het corrigeren van onze perceptie. En zoals werkboekles 128 toont, is dit belangrijk: “De wereld die ik zie (percipieer) bevat niets wat ik verlang. Maar het wonder is tegelijkertijd een uiting van liefde en hierin komt dat diepe relationele aspect in beeld dat ons moet behoeden voor een spirituele bypass waarbij we in ons eentje willen wegzweven van deze nare droom. Laat ik daarom afsluiten met de laatste woorden uit Les 134:

Niemand wordt alleen gekruisigd,
en niemand kan alleen de Hemel binnengaan.

Op een gebalanceerde wijze omgaan met ECIW

Er zijn gelukkig geen starre regels voor wat betreft de manier waarop iemand Een Cursus in Wonderen leest en doet. De één snuffelt er wat aan en laat het daarbij, terwijl een ander elke dag probeert de werkboekles zo goed mogelijk te doen. Toch meen ik dat het nuttig kan zijn om te wijzen op twee manieren van omgaan met de cursus die, in mijn beleving, niet erg behulpzaam zijn. Ik zet ze hieronder kort uiteen en hoop hiermee wat handvatten te bieden om ook bepaalde FB‑berichten over ECIW op waarde te schatten.

Deze twee minder handige invalshoeken kunnen worden gezien als twee uitersten in de benadering van de cursus. Bij het eerste uiterste ontkent men onze huidige perceptie, ofwel datgene wat wij nu als werkelijkheid beleven. Bij het andere uiterste ontkent men juist de radicaliteit van ECIW waar het zijn visie op de werkelijkheid betreft.

De ontkenning van onze huidige perceptie

De cursus stelt dat de wereld zoals wij die beleven ten diepste niet echt is, maar een droom die zich afspeelt in de denkgeest. Wat er vervolgens kan gebeuren, is dat men meent dat het zinvol is om de narigheid die zich in die droom voordoet te ontkennen. Men stelt dan dat pijn, lijden, kwetsbaarheid, onrecht, angst en schuld niet echt zijn en dus niet serieus genomen hoeven te worden. Dit kan niet alleen bizar overkomen op buitenstaanders, maar is ook voor serieuze cursusstudenten vaak een harde noot om te kraken.

Het sleutelwoord hier is perceptie. Want hoewel Jezus ons vertelt dat we dromen en dat de droom ten diepste niet echt is, komt hij ons tegemoet op het niveau van onze perceptie en raadt hij ons aan om deze perceptie – onze beleving – wel degelijk serieus te nemen. Wij ervaren immers al die genoemde narigheid. Hoewel we als studenten van de cursus mogen weten dat we dromen, wordt ons niet gevraagd het feit dat we dromen te ontkennen. Jezus legt uit dat we met het ontkennen van de droom tevens de macht van de denkgeest ontkennen, en dat is niet behulpzaam.

Als we narigheid ervaren, is het goed om die ervaring te erkennen:
“Ja, ik erken dat ik pijn, angst, kwetsbaarheid, schuld et cetera ervaar.”

Deze erkenning is minstens zo belangrijk in het contact met onze medemens in nood. Dus niet:
“Welnee joh, onzin: je bent geen lichaam, dus je kunt niet lijden.”
Maar wel:
“Ik erken – en herken – de ervaring van pijn, angst en lijden.”

En dit brengt ons direct bij het andere uiterste.

De ontkenning van de radicaliteit van de cursus

Bovengenoemde erkenning van onze perceptie en van onze ervaring van ellende moet echter ook weer niet zo ver gaan dat we weigeren om verder te kijken dan deze ervaring. De hele cursus is er juist op gericht ons de ogen te openen en ons een nieuwe ervaring aan te bieden, een ervaring die wezenlijk verschilt van ons gebruikelijke gevoel van kwetsbaarheid en sterfelijkheid.

Er klinken soms stemmen die sterk benadrukken dat onze huidige perceptie de ultieme waarheid vertegenwoordigt. Daarbij wordt gesteld dat we daadwerkelijk lichamelijke wezens zijn die onderworpen zijn aan de wetten van de wereld die we zien. In zo’n benadering worden we in feite gezien als slachtoffers van de wereld die we waarnemen – een uitgangspunt dat haaks staat op wat Jezus ons in de cursus probeert duidelijk te maken.

Dit vraagt om helder onderscheid: we hoeven onze perceptie niet te ontkennen, maar we dienen haar ook niet tot ultieme waarheid te verheffen. Dat is balanceren op het scherpst van de snede, maar wel een essentiële beweging.

Hier valt veel meer over te zeggen, maar ik wil proberen om, zoals gezegd, enkele praktische handvatten aan te reiken om uitspraken over de cursus beter te kunnen duiden.

  • Wanneer een schrijver doorschiet in het eerste uiterste en onze menselijke perceptie ontkent, dan riekt dit naar spirituele bypass. Dat is zelden behulpzaam en komt soms zelfs tamelijk wreed over.
  • Maar ook doorschieten in het andere uiterste is onhandig: het verheffen van onze perceptie van ellende tot ultieme waarheid, waarbij ECIW hooguit wordt gebruikt om het “gewone leven” wat draaglijker te maken. In zo’n benadering verliest de cursus zijn scherpte en krijgt hij iets van een spruitjeslucht.

Dat gebeurt met name wanneer de zogenaamde onheilige drie‑eenheid van zonde, schuld en angst als werkelijkheid wordt beschouwd: wanneer geloof wordt gehecht aan de ultieme echtheid van zondige en schuldige medemensen en aan de kwetsbaarheid van ons leven als hoogste waarheid. In dat geval wordt de cursus te klein gemaakt en wordt zijn radicaliteit tekortgedaan. Ook wanneer er nauwelijks nog wordt gesproken over Liefde, God, Heilige Geest, Jezus, verlossing, vergeving, schepping en het wonder, is de kans groot dat men spreekt vanuit een geloof in de echtheid van de eigen percepties, en daarmee de radicaliteit – en het goede nieuws – van de cursus afwijst.

Hopelijk helpen deze overwegingen om op een gebalanceerde manier met onze geliefde cursus om te gaan. Dat balanceren vraagt geen scherp oordeel, maar juist zachtheid voor onszelf en voor elkaar, juist daar waar oude overtuigingen nog hardnekkig lijken. En bovenal vraagt het de bereidheid om ons te laten leiden, niet door onze eigen conclusies, maar door die stille innerlijke stem die de cursus de Heilige Geest noemt. In dat luisteren krijgen zowel onze ervaring als de radicale belofte van ECIW hun rechtmatige plaats.

Hartegroet,
Simon

Een Cursus in Wonderen als koan

Een koan komt uit het Zenboeddhisme en is een korte, vaak raadselachtige uitspraak of vraag die niet bedoeld is om logisch te beantwoorden, maar om het denken juist even vast te laten lopen. Het doel is niet om het rationele verstand te vernederen, maar om het te laten rusten, zodat er ruimte ontstaat voor een directer, intuïtief inzicht—een vorm van weten die niet via redeneren tot stand komt. Koans worden gebruikt in meditatie en begeleiding, waarbij de leerling zich met de vraag bezighoudt totdat er een innerlijke verschuiving optreedt. Een bekend voorbeeld is: “Wat is het geluid van één klappende hand?” Logisch gezien is dit niet te beantwoorden—klappen veronderstelt immers twee handen. Precies daarin zit de werking: het verstand zoekt een oplossing, vindt die niet en loopt vast. Als je de vraag blijft toelaten zonder haar te willen oplossen, kan er een moment ontstaan waarin niet zozeer het antwoord verschijnt, maar de manier van ervaren zelf verschuift.

Op een vergelijkbare manier kan ook Een Cursus in Wonderen functioneren. Daarin staat bijvoorbeeld de stelling: “Niets werkelijks kan bedreigd worden.” Voor ons gewone waarnemen voelt dat onwaar—alles lijkt immers kwetsbaar en vergankelijk. De spanning tussen de uitspraak en onze ervaring werkt als een soort koan: het denken probeert haar passend te maken binnen zijn eigen kader, maar vindt geen ingang. Wanneer je zo’n zin niet meteen wegredeneert maar er een tijd mee blijft, ontstaat er iets vergelijkbaars als bij de koan: geen sluitend antwoord, maar een opening. In de taal van de Cursus betekent dat dat er ruimte komt voor een andere interpretatie—geen conclusie van het denken, maar een stille correctie van waarneming.

Zodra je de uitspraak toch rationeel probeert te ontrafelen, ontstaat er spanning. Het denken protesteert—“dit kan toch niet waar zijn?”—en raakt verstrikt in zijn eigen pogingen om grip te krijgen. Die ervaring van vastlopen, soms vergezeld van weerstand of irritatie, is niet zozeer een probleem, maar eerder een aanwijzing dat het gebruikelijke denkkader zijn grens bereikt. Precies daar wordt een andere kwaliteit aangesproken: bereidwilligheid. Niet om te begrijpen, maar om te onderzoeken en de ervaring toe te laten. Die openheid richt zich niet op het eigen denken, maar op de leiding van de Heilige Geest—de innerlijke stem voor liefde en waarheid zoals onderwezen door Jezus Christus. Waar het denken vastloopt, kan deze bereidheid ruimte maken voor een andere manier van zien.

Het wonder in Een Cursus in Wonderen heeft daarin twee onlosmakelijke aspecten die samen één beweging vormen. Enerzijds is er het ontregelende element dat de zekerheden van het ego ondermijnt en het denken zijn grenzen laat ervaren, vergelijkbaar met een koan. Anderzijds is er de uitnodiging tot een daadwerkelijke verschuiving: het toelaten van een andere interpretatie die leidt van angst naar liefde en van oordeel naar vergeving. De Cursus blijft dus niet bij het openbreken alleen, maar wijst ook een duidelijke richting, waardoor het proces niet eindigt in leegte maar in een herinterpretatie van wat wordt waargenomen.

Vanuit dit perspectief wordt ook duidelijk waarom een strikt rationele houding—“eerst begrijpen, dan vertrouwen”—een blokkade vormt. Ze houdt de controle bij het ego en sluit de deur voor de correctie waar de Cursus op wijst. In het Nieuwe Testament zegt Jezus Christus: “Uw geloof heeft u behouden.” Daarmee wordt niet verwezen naar een intellectuele overtuiging, maar naar een innerlijke openheid waardoor die verschuiving in waarneming kan plaatsvinden. Tegelijk wordt zichtbaar waarom zowel eindeloos analyseren als het ongemak relativeren uiteindelijk weinig helpt: in beide gevallen blijft het bestaande denkkader intact.

De uitnodiging ligt daarom in een middenweg die eenvoudig klinkt maar niet altijd gemakkelijk is: het ongemak niet wegredeneren, maar het ook niet vermijden; het serieus nemen zonder het direct op te lossen. In die open en soms schurende ruimte kan de verschuiving plaatsvinden van eigen interpretatie naar de visie van de Heilige Geest. Misschien vraagt dat uiteindelijk om iets heel eenvoudigs: liefdevol geduld en de bereidheid om, voorbij het zoeken naar een beter antwoord, stil te worden en anders te leren zien.

Leven in de droom zonder erin te geloven


Over het ontstaan van het ik, de illusie van dualiteit en de mogelijkheid van een nieuwe wereld

Er lijkt een moment te zijn waarop alles begint. Niet in de tijd zoals wij die kennen, maar in de ervaring. Het is het moment waarop het gevoel opkomt: “ik ben er.” Op zichzelf lijkt dat onschuldig, misschien zelfs vanzelfsprekend. Maar bijna gelijktijdig verschijnt er iets anders — een subtiel gevoel van gemis. Alsof het bestaan zelf onmiddellijk gepaard gaat met een tekort. En met dat tekort begint de zoektocht.

Wat gezocht wordt, blijft vaak onduidelijk, maar de beweging is herkenbaar: ergens moet iets zijn dat dit gevoel van onvolledigheid kan opheffen. In de taal van Een Cursus in Wonderen wordt dit mechanisme samengevat in een paradoxaal motto: “zoek en vind niet.” Want het “ik” dat zoekt, is niet iemand die iets mist — het ís het gevoel van gemis zelf. De zoektocht bevestigt zo voortdurend haar eigen uitgangspunt.

Met het ontstaan van dit ik-gevoel verschijnt ook bewustzijn zoals wij dat kennen. Er is nu iemand die ervaart, en iets dat ervaren wordt. Daarmee lijkt de scheiding een feit — of beter gezegd: een overtuiging. Waar ervaring is, lijkt altijd een ervaarder tegenover het ervarene te staan. In Een Cursus in Wonderen wordt dit gezien als het domein van perceptie, in tegenstelling tot Kennis, waarin geen onderscheid bestaat tussen kenner en gekende. Bewustzijn, hoe vertrouwd ook, blijkt daarmee niet het hoogste, maar juist het begin van dualiteit.

Binnen deze dualiteit probeert het ik zichzelf te overstijgen. Het zoekt naar waarheid, naar vervulling, naar een uitweg uit zijn eigen onrust. Maar daarin schuilt een fundamentele onmogelijkheid. De zoeker kan zichzelf niet bevrijden, omdat hij deel uitmaakt van het probleem dat hij probeert op te lossen. Het is als iemand die zichzelf aan zijn eigen haren uit het moeras wil trekken. In die zin kan gezegd worden dat het ik slechts één ding werkelijk doet: het bevestigt zijn eigen afgescheidenheid. Dat is de diepere betekenis van het inzicht dat wij alleen onszelf kunnen “kruisigen” — niet als straf, maar als voortdurende bevestiging van een identiteit die op afscheiding gebaseerd is.

Tegenover deze dynamiek staat een andere, moeilijker te vatten werkelijkheid. Volgens Een Cursus in Wonderen zijn wij ten diepste geen afzonderlijke wezens die de wereld waarnemen, maar liefde die zichzelf kent. Niet via een proces van waarneming of denken, maar direct, zonder afstand. In deze vorm van kennen vallen subject en object samen. Er is geen “ik” dat iets ervaart, en geen “ander” dat ervaren wordt. Wat wij als wereld kennen, lijkt op te rijzen binnen deze grond, maar verandert haar niet.

De vraag hoe die wereld dan verschijnt, heeft in verschillende tradities uiteenlopende beelden opgeroepen. Soms wordt gesproken over een scheppende denkgeest, of — in gnostische taal — een demiurg. Ook in het Bijbelboek Job klinkt een echo van deze thematiek, wanneer God vraagt: “Waar was jij toen ik hemel en aarde schiep?” Vanuit een symbolisch perspectief zou men kunnen zeggen dat hier niet een externe God spreekt tot een mens, maar dat het diepere Zelf het beperkte ik bevraagt. De Zoon die zichzelf herinnert, stelt de vraag aan de Zoon die zich vergeten is.

Wat als die wereld van ervaring niet zozeer moet verdwijnen, maar anders gezien kan worden? Een Cursus in Wonderen zelf wijst al in die richting wanneer zij spreekt over de werkelijke wereld — een wereld die nog steeds wordt waargenomen, maar waarin de betekenis volledig is getransformeerd. Het lichaam, ooit middel tot bevestiging van afscheiding, wordt dan een neutraal communicatiemiddel. Relaties, ooit toneel van projectie, worden heilige relaties.

De droom blijft in zekere zin bestaan, maar verandert van karakter. Het wordt wat de cursus een gelukkige droom noemt: een wereld zonder slachtofferschap, zonder schuld, zonder de noodzaak om iets te zoeken dat ontbreekt.

In dat licht kan ook verlangen opnieuw begrepen worden. Wat eerst een uitdrukking leek van gemis, kan verschuiven naar een beweging van expressie. Niet langer gedreven door tekort, maar als een zachte impuls om te delen, te scheppen, te communiceren. Een Cursus van Liefde geeft woorden aan deze ervaring en spreekt over een creatieve spanning — niet als conflict, maar als levendige dynamiek binnen eenheid.

Zo bezien spreken beide cursussen niet elkaar tegen, maar bewegen zij langs dezelfde lijn. Waar Een Cursus in Wonderen de vergissing corrigeert en de weg opent naar de gelukkige droom, beschrijft Een Cursus van Liefde hoe het is om binnen die getransformeerde ervaring te leven — niet als zoeker, maar als deelnemer aan een werkelijkheid die haar dreiging heeft verloren.

Juist hier ligt echter een subtiel gevaar. Want het inzicht dat men niet langer gelooft in afscheiding kan gemakkelijk omslaan in een gevoel van bijzonderheid. Het idee “ik zie iets wat anderen niet zien” herintroduceert precies datgene wat doorzien leek: afscheiding. Een Cursus in Wonderen noemt dit speciaalheid — de neiging om zichzelf een uitzonderlijke positie toe te kennen. Daarmee wordt de oude dynamiek in een nieuwe vorm voortgezet.

Toch is er steeds opnieuw een moment waarop iets anders mogelijk is. Een ogenblik waarin de geboorte van het ik als zoeker zichtbaar wordt, nog voordat het volledig is vastgezet. In dat moment kan er een andere keuze worden gemaakt. Niet door het ik zelf, maar als een verschuiving in waarneming — een herinnering die opkomt zonder dat zij gezocht is. In de taal van Een Cursus in Wonderen is dit de stem van de Heilige Geest: een zachte correctie, een herinterpretatie van wat lijkt te gebeuren.

Wat daaruit voortkomt, is geen ontsnapping uit de wereld, maar een andere manier van erin zijn. Het leven blijft zich ontvouwen in tijd en ervaring, maar zonder de zwaarte van identificatie. Wat eerst als bewijs van afscheiding werd gezien, wordt nu middel tot communicatie en herkenning.

Misschien is dat uiteindelijk waar het op neerkomt. Niet het beëindigen van de droom, maar het doorzien ervan. Niet het verdwijnen van ervaring, maar het verdwijnen van het geloof dat ervaring ons scheidt van wat wij zijn.

Leven in de droom — zonder erin te geloven.