Ons wereldbeeld

wereldbeeld

Stel je eens voor..

Eerste weekend in het nieuwe jaar. Gezellig koffie drinken bij de familie.

“En, nog goed voornemens?”, roept oom Piet, gangmaker zoals altijd. De klassieke thema’s passeren snel de revue. De vrouw van oom Piet, tante Els, gaat weer eens stoppen met roken. Buurvrouw Vera wil wat pondjes kwijt maar heeft direct spijt dat ze haar mond heeft opengedaan nu alle aanwezigen bedekt kijken naar haar inderdaad wat forse omvang. Tante Marie voelt het goed aan en leidt de aandacht af door te zeggen dat ze ook wat beter gaat opletten wat ze in het nieuwe jaar gaat eten. De plak cake laat ze overigens nog even niet staan.

“Ik ben begonnen met een cursus aquarellen”, zegt zus Esther. Ze was altijd al erg creatief. Aangespoord door de onthullingen van anderen roept Ronald: “ik ben ook begonnen met een cursus, een soort thuisstudie!” “Oh, waarover”, vraagt Esther, licht geïrriteerd dat ze zo snel de aandacht al weer kwijt is. “Uh, het is een beetje levensbeschouwelijk”, probeert Ronald terug te krabbelen. “Filosofie?”, probeert Esther. Ronald heeft het gevoel dat hij zich op glad ijs heeft begeven. “Nou, uh, nee, het heet een Cursus in Wonderen”. Het andere gesprek op de bank valt nu ook stil en alle ogen zijn op Ronald gericht. “Wonderen?”, vraagt oma. “Ach, ja, ik kan er nog niet zo veel over zeggen want ik ben eigenlijk net begonnen”, aarzelt Ronald. “Is het dan van het LOI of van het NTI”, probeert Esther hem op gang te helpen. “Nee, je doet die cursus gewoon zelf”. “Een soort goochelcursus?!’, grapt Piet. “Nou nee…, maar ik heb pas zeven van de 365 lessen gedaan dus ik kan er niet zoveel over zeggen”. Het is te laat, Ronald kan niet meer terug. “Waar gingen de eerste lessen dan over?’, vraagt Esther verder..

Tot zover. Stel je eens voor dat Ronald nu vertelt dat hij geleerd heeft dat niks wat hij meent te zien of te denken in feite iets voorstelt. Hoe reageren ‘normale mensen’ op zo’n uitspraak? Toch is dit de manier waarop de Cursus uit de startblokken schiet; compromisloos radicaal.

Gelukkig hoeven we maar een paar minuutjes deze inzichten tot ons te laten komen. De meeste lezers van dit blog zijn al langer bekend met de Cursus dus we weten waar het op uit gaat lopen; er zal weinig van ons wereldbeeld overblijven.

Vanmorgen las ik in WB 7 dat voorbeeld van een (thee)kopje. Als je er onbevangen naar kijkt dan moet je erkennen dat het alleen bij gratie van je ervaringen is dat je enig benul hebt waarop je je blik laat rusten. Kijken is één manier waarop we ervaringen menen te krijgen. We geloven dat we nog meer poorten naar de wereld hebben, onze zintuigen. Door die poortjes zou informatie van buiten naar binnen stromen.

De Cursus is een methode om ons uiteindelijk te leren beseffen dat het precies omgekeerd is. Wij zijn niet in een wereld waar we kennis van kunnen nemen via onze zintuigen. Nee, er is geen binnen en geen buiten maar slechts denkgeest. Binnen die denkgeest ontstaat de behoefte om een buitenwereld te projecteren zodat er, als contrast, een echt bestaande binnenwereld, een ikje, lijkt te zijn. Zintuigen zijn valse getuigen die ons ‘helpen’ om de illusie van de geprojecteerde nepwereld als echt te beleven. Leg dat maar eens uit aan je vrienden en familieleden.

Ze zouden je niet geloven en als we heel eerlijk zijn moeten we erkennen dat wij het zelf ook nauwelijks kunnen geloven. Goddank is het ook geen kwestie van geloof. De Cursus vraagt ons slechts om die radicale uitspraken rustig in gedachten te houden, ze eens zonder gepieker te beschouwen, te doorvoelen. Als je dat doet dan is het logisch als je in eerste instantie wat weerstand ervaart en er een ongemakkelijk gevoel bij krijgt. Voorwaar een goed teken. Als wij als ikje direct zouden roepen dat we het helemaal begrijpen en volkomen logisch vinden, dan is de kans groot dat dit niet meer is dan een veilige mentale instemming. Dit is net zo veilig als zeggen dat het onzin is. Ons zogenaamde instrument om te beoordelen of iets klopt wordt in eerste instantie gevormd door de hersenen. Naast genoemde zintuigen zijn ook de hersen bedoeld om lekker aan de gang te gaan met zaken die zich afspelen in tijd en ruimte. In feite weer omgekeerd; we projecteren zaken in tijd en ruimte omdat we deze dimensies nodig hebben om ons afgescheiden te kunnen voelen. Wat blijft er van “mij” over als ik niet met de hersenen en de zintuigen kan kauwen op illusies die zich binnen tijd en ruimte voor lijken te doen?

Te heftige kost? Prima. Lekker voorbij laten trekken en WB 7 nog eens af en toe doen. We hoeven de lessen niet eens te begrijpen. Ze werken vanZelf.

WB7: Ik zie alleen het verleden.

Het roer uit handen..

captain

Op een gegeven moment krijg je een beetje in de smiezen dat je vanuit je drukke “ikje” niet echt een bijdrage aan je gevoel van vrede kunt leveren. Als je ergens door van streek bent en je wilt iets in de situatie veranderen dan staat ons ego direct klaar met goede adviezen en een strijdplan. Het heeft de arrogantie dat het denkt de situatie te kunnen overzien, beoordelen, te bepalen welke kant het op moet en daarvoor de noodzakelijke stappen te zetten. Natuurlijk tuin ik hier zelf ook met regelmaat in. Het kan dan even duren maar uiteindelijk moet ik erkennen dat ik alleen maar drukte en bezigheid ervaar en niet bepaald vrede. Pas dan besef ik dat het roer om moet. Laat ik het preciezer zeggen; ik moet het roer aan Iemand anders geven, aan de Heilige Geest. De tekst uit WB 361-365 echoot na in mijn hoofd: “Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft”.

Gaat dit van harte? Nee, gek genoeg niet. Ik blijk een eigenwijs ventje dat het allemaal goed lijkt te weten. Al mijn beperkte opvattingen gaan echter uit van de illusie van afgescheidenheid. Ze zijn erop gericht om het ego te dienen. Om zijn denkbeeldige leventje te beschermen, te koesteren en belangrijk te maken. Alles wat uit dit kleine kokertje voorkomt is per definitie beperkt en onjuist.

Zojuist las ik uit het Tekstboek Hoofdstuk 9 III. Het corrigeren van vergissingen. Dit gaat over onze kritische houding ten opzichte van anderen. Regel 2 is verhelderend: “Voor het ego is het aardig en juist en goed om op fouten te wijzen en ze te ‘corrigeren’. Dit is volkomen zinnig voor het ego, dat geen besef heeft van wat fouten zijn en wat correctie is”.

Het is één en hetzelfde; we weten niet wat we zelf moeten doen en we hebben ook geen flauw benul van wat goed of fout is in een ander. Het is onmogelijk om zelf vrede te ervaren en door te gaan met het beoordelen van anderen. De Cursus stelt dat ideeën de denkgeest niet verlaten. We kunnen niet met twee maten meten. Als we ons vermogen tot oordelen van anderen serieus nemen zullen we altijd het gevoel hebben zelf ook be-/veroordeeld te worden. Ergo; geen eenheid, geen liefde, geen vrede. Het is alsof we een mes willen hanteren zonder handvat met alleen maar scherpe kanten. Zodra we gaan snijden in een ander, snijden we net zozeer in ons eigen vel.

Je kunt hier een soort gevoel voor krijgen. Zodra je iemand slechter (of beter) vindt dan jezelf voel je dat je de denkbeeldige afscheiding van de liefde koestert. Dit dient een signaal voor ons te worden. Een signaal om Hulp in te roepen Die voor ons het wonder van verzoening kan verrichten. Die Hulp is er altijd, 100% betrouwbaar en bereidwillig.

Als je niet uit de startblokken komt om jezelf of een ander aan te pakken maar je onwetendheid erkent en hulp vraagt dan kun je je weerstand hiertegen opmerken. De neiging om wél te oordelen en te sturen is haast niet te weerstaan. Goddank is er dus Hulp. Zeg: “Omdat ik mezelf wil kennen zie ik jou als Gods Zoon en mijn broeder (T H9 II-12)” Vertrouw, en richt je op Hem. Weiger mee te gaan in die makkelijke stroom om te oordelen die je een misleidend gevoel van kracht geeft. “De Heilige Geest vergeeft alles, omdat God alles heeft geschapen. Neem Zijn functie niet over, of je zult de jouwe vergeten (III-8)” Dat is het wonderlijke; je voelt de Liefde van God pas door jezelf stromen als je toestaat dat deze Liefde door jou heen naar een ander stroomt. Vanuit ons kleine ikje kunnen we niet echt liefhebben. Dat hoeft ook niet. We hoeven liefde niet te zoeken, ze is. We hoeven slechts te stoppen met tegenwerken en dan stroomt ze vanZelf, overvloedig en vol van vrede.

Geef in vertrouwen het roer uit handen.

Be You in charge

img_0559

De vijf laatste Werkboeklessen van het jaar zijn hetzelfde. Het werkboek maakt vaker gebruik van herhaling, maar nergens zo duidelijk als hier. Jezus wil ons iets heel duidelijk maken. En als we het nog niet begrijpen dan volgt nog het Nawoord. Zo liefdevol, zo hoopgevend. Het ontroert me.

Waar mondt het hele Werkboek in uit? Lees regel 6 van het Nawoord: ‘we vertrouwen onze levensweg toe aan Hem en zeggen: ‘Amen’. Dat vertrouwen wordt nooit beschaamd: ‘Zijn Liefde omringt jou, en wees hiervan overtuigd: ik zal jou nooit zonder troost achterlaten’.

Ik ben zo dankbaar voor de Cursus. Dankbaar dat Jezus me vertelt dat ik het niet zelf kan doen en Goddank ook niet zelf hoeft te doen. Het voelt als een nieuw begin, telkens weer opnieuw. Geen eigen verdienste maar totale Genade. ‘Uw leiding geeft mij vrede’.

Sta me toe de laatste Werkboek les weer te geven uit de Engelstalige Cursus. Hiermee beëindig ik graag dit jaar, op weg naar een nieuw begin. Met jullie, met Hem.

This holy instant would I give to You.
Be You in charge.
For I would follow you, Certain that Your direction gives me peace.

Mijn plek!

Woman gesturing out of car window

Op eerste Kerstdag halen m’n vrouw en ik per auto onze schoonzus en zwager op om gezamenlijk naar de familiebijeenkomst te rijden. Bij het appartement waar ze wonen zijn veel parkeerplaatsen. Ik parkeer midden op twee vakken zodat onze gasten straks makkelijk in kunnen stappen. Terwijl m’n vrouw gaat aanbellen verschijnt er een klein autootje dat vlak voor de neus van mijn auto parkeert. De bestuurster werpt zeer boze blikken naar mij omdat ik op twee plekken (haar plek?) geparkeerd sta. Ik wijs naar links en rechts waar op luttele afstand nog vele andere plekken beschikbaar zijn. Mevrouw verzet haar auto iets zodat ze de weg blokkeert en met de voorkant van haar auto wijst naar het parkeervak waar ze in wil. Daar waar ik nu sta.

Ik vind het belachelijk maar vanuit een oppervlakkig Kerstsentiment verplaats ik met enige moeite mijn auto zodat ze op haar plekje kan staan. Laat ik de wijste maar zijn. Ze parkeert, werpt me nog een boze doch triomfantelijke blik toe en beent weg. Dertig seconden laten verschijnen de gasten en m’n partner. Toch blijft het knagen. Ik ben boos op dat stomme eigenwijze mens en ook op mezelf omdat ik de confrontatie uit de weg ben gegaan. Het is toch ook belachelijk!

Werk te doen, ik weet het. Het voelt als tegen de stroom in roeien. Als ik haar probeer te vergeven dan voelt het onecht. Ik zie dat mijn “laat ik de wijste maar zijn” totaal niets met vergeven te maken heeft. “Forgiveness to kill” noemt de Cursus dit. Het is totaal gebaseerd op afscheiding waarbij ik mezelf superieur acht aan die ander. Het is ook merkbaar dat er van vergeving geen plaats is op deze manier. De boosheid verdwijnt namelijk allerminst.

Gelukkig ben ik in die zin iets wijzer geworden dat ik wat sneller erken dat “ik” niet vergeven kan. Dit “ik-gevoel” is namelijk de indicator dat ik geloof in afgescheidenheid. In het mijn en het dijn, in mijn plek en jouw plek, in aanval en verdediging. Hier kan geen vrede uit voortkomen.

De laatste zinnen van WB359 komen in het bewustzijn:

Help ons vergeven, want we willen worden verlost. Help ons vergeven, want we willen in vrede zijn”.

Ik herhaal de zinnen rustig, me bewust van de inhoud en ervaar de weerstand vanuit het ego. Dat wil helemaal niet worden verlost, het wil helemaal niet zachter worden en zo ook maar iets van vrede ervaren. Het wil gelijk hebben, verontwaardigd zijn, boos zijn. Ik zie het gebeuren en besluit weer naar de twee bovenstaande regels te luisteren, erop te vertrouwen. Het vergt voor mij wat tijd om de zegen binnen te laten komen. Op een gegeven moment zie ik in mezelf exact dezelfde verbetenheid over “mijn plek” als in de door mij geprojecteerde bestuurster van het zwarte wagentje. Niet fijn om zo in de spiegel te kijken. “Wil je gelijk hebben of vrede ervaren?” klinkt het zachtjes. Ik wil vrede ervaren en volg die Stem richting de rust, de ontspanning. Dankbaar voor deze Hulp.

Zie zijn zondeloosheid..

embrace-the-trucker

Met de Cursus heb je elke dag vuurwerk. Kijk nu toch weer die afsluitende zin van WB357:”Zie zijn zondeloosheid en wees genezen”. Dat is het en meer niet. Hoe simpel willen we het hebben?
Ik laat wat mensen die ik ken voorbij trekken in mijn gedachten. De positieve en negatieve oordelen en gevoelens wisselen elkaar snel af. Meestal zijn deze niet heel erg uitgesproken maar de ene mens mag ik gewoon wat meer dan de andere. Mensen die ik wat liever mag  lijken me iets te kunnen geven waar ik behoefte aan meen te hebben. Vriendelijke woorden, waardering, genegenheid, gezelligheid en ga zo maar door. De Cursus spreekt van speciale liefdesrelaties. De waardering die ik voel voor deze ‘aardige mensen’ is toch voorwaardelijk. Als ze zich een keer vervelend gedragen dan kan ik het nog door de vingers zien maar het moet geen gewoonte worden want dan liggen ze eruit.

Het gevoel iemand echt intens te haten ken ik niet. Er is niemand die ik dood wens. Toch is de kwaliteit van de speciale haat-relatie mij natuurlijk ook niet vreemd. Er zijn wel degelijk mensen die ik afwijs, wiens gedrag en manier van doen ik niet kan accepteren. Ik maak mezelf wijs dat ik iets beter ben dan die vrachtwagen chauffeur uit Berlijn omdat ik niet overga op doodslag. Toch is het verschil tussen mijn bescheiden hekel hebben aan sommige personen de haat van terroristen slechts een kwantitatief verschil binnen de droomwereld waarin we menen te leven. Ten diepste doe ik met mijn oordeeltje en de terrorist met zijn aanslag hetzelfde; we menen zonde te zien in een ander die een aanval rechtvaardigt. Ik schiet een klein oordeel-kogeltje af en de terrorist pakt een wat groter wapen.

Wij allebei voelen ons afgescheiden van onze broeders. Zodra het kleinste geloof in ons ikje de denkgeest binnensloop en we niet meer konden glimlachen om dit bijgeloof, voelden we de grens tussen ik en jij. Kijk goed naar binnen en let heel goed op dit gevoel. Merk dat de geboorte van het kleinste ik-gevoel altijd gepaard gaat met de geboorte van het jij-gevoel. Deze geboorte heeft bijwerkingen. Zodra de tweedeling lijkt te ontstaan, vermoed je dat er iets met je kan gebeuren (een aanval door een ander) en dat je behoeftig bent (ik heb iets van die ander nodig). Angst ziet nu het daglicht met in zijn voetspoor de woede op die denkbeeldige ander. Zodra we ons menen losgedacht te hebben uit de eenheid die we zijn is er spraken van oorlog met denkbeeldige anderen en met een denkbeeldig van ons afgescheiden God. Hier voelen we ons schuldig over. Die schuld is ondragelijk maar gelukkig lukt het ons dit te projecteren op de buitenwereld, op die ander. Die is fout, die is zondig en die verdient de doodstraf waarvan ik onbewust meen dat ik die zelf verdien. Een vicieuze cirkel van angst, aanval en schuldgevoel.

Hoe kom ik hiervan af? Wat moet ik doen om dit los te laten? Het helpt me om te zien dat in deze twee vragen het woordje “ik” een prominente plaats inneemt. Diezelfde ik ziet dus direct de aanname over het hoofd dat ervan wordt uitgegaan dat er een “ik” is die ergens vanaf moet zien te komen, die moet loslaten en die een verloren gewaande vrede moet zien terug te pakken.

Goddank leer ik steeds sneller om te stoppen met spartelen. Ik leer zien dat er een verborgen weerstand is om het spel van ik-versus-jij los te laten, om de zondeloosheid van de ander te zien. Dit spel gebruik ik juist om weg te blijven van die overweldigende liefde waarin jij en ik verenigd zijn. Nu valt de titel van WB 357 op zijn plaats:

“De waarheid beantwoordt elk beroep dat we doen op God door eerst met wonderen te reageren, en dan tot ons terug te keren om zichzelf te zijn”

Here Jezus ik kan mijn negatieve oordelen over anderen niet uit eigen kracht loslaten. Ik blijk het gewoonweg niet echt te willen. Maar die kleine wil tot angst en strijd is niet mijn echte Wil die ook de Uwe is. Dus ik dank U dat ik mag zeggen met Jezus: “in Uw handen beveel ik mijn geest” en vervolgens mag ik mijn hele kleine vertrouwen zetten op Uw belofte. U beantwoordt elk beroep. Dank.

 

 

Lekker roddelen?

roddelenHet vergt eerlijkheid om toe te geven dat ik roddelen soms best wel lekker vind. Dat hoort immers niet. Als ik denk aan roddelaars dan denk ik aan wat simpele en domme mensen met een nare karaktereigenschap. Stiekemerds. Maar juist het feit dat ik me boven roddelaars verheven acht zou me een seintje moeten geven dat ik aan het projecteren ben. Dat ik iets bij een ander afwijs wat ik zelf onbewust wil doen maar waarvan ik ergens wel aanvoel dat het niet zo liefdevol is.

Het maakt niet zoveel uit of we de neiging hebben om anderen de maat te nemen of dat we eerder klaar staan om onszelf de grond in te boren. Zelfverwijt. In het gezin waarin ik geboren ben hebben we allemaal nogal de neiging om meer te praten dan te luisteren. Dit veroordeelde ik vooral bij mijn ouders maar, zo gaat dat helaas, ik merk dit trekje ook bij mezelf. Dit wil ik niet dus neem ik me telkens voor eens wat meer m’n mond te houden als bijvoorbeeld m’n twee oudste dochters op bezoek komen. Maar na een half uurtje voer ik al weer het hoogste woord. Hoewel het wel wat verbetert, heb ik dan als ik ’s avonds op bed lig een beetje een kater. Snetver man, waarom trapte je er nu weer in? Hardleerse sukkel!

Wat een gek trekje is die neiging om anderen en / of jezelf te veroordelen en de grond in te stampen. Waartoe doen we dit? Om daar achter te komen moet ik goed opletten. Want wat er gebeurt bij het veroordelen van anderen en gek genoeg ook van mezelf is dat ik de illusie voed dat er twee partijen zijn. Ik en de ander of, bij zelfveroordeling, m’n goed ikje en m’n hardleerse ikje. Zodra ik oordeel, vindt er een ogenschijnlijke verharding plaats in m’n ik-gevoel. Natuurlijk is het helemaal fijn als andere roddelaars met me mee doen. Dit geeft wat extra gewicht aan de ‘waarheid’ van mijn oordeel en als de andere het ook doen dan lijkt mijn schuldgevoel over het geroddel wat te worden verdund. We doen het tenslotte allemaal.

Wat zegt de werkboekles van vandaag (WB351)? “Mijn zondige broeder is mijn gids naar pijn”. Natuurlijk is de kernboodschap van de Cursus juist dat er geen zondige broeders zijn (“Wie anders is mijn broeder dan Uw heilige Zoon”). We hebben het dus over onze keuze: “En ik zal zien wie ik verkies te zien”. Ik kies ervoor om wat mijn zintuigen me lijken te tonen serieus te nemen. Ik meen echt dat de woorden en daden van mijn broeders samenvallen met hun diepste zijn. Als ze me bijvoorbeeld verbaal aan lijken te vallen dan neem ik dit serieus. Ik hecht mijn geloof aan een vijandige wereld die me overkomt omdat dit het beeld van een afgescheiden slachtoffer-ikje bevestigt. Ik kies ervoor om me via de veroordeling van een ander (of van mezelf) wat meer afgescheiden te voelen van God, van Liefde. Ik meen dat dit gevoel van afgescheidenheid, deze bunker die ik maak, me veiligheid kan bieden. En ten diepste voert dit weer terug op de angst voor eenheid, voor de Liefde die we zijn.

Kijk eens naar ons voorbeeld, Jezus. Wat was zijn reactie op het geroddel, de zweepslagen en de kruisiging? “Vergeef hen vader, ze weten niet wat ze doen!”. Wow.. Kan ik op die manier kijken naar die vervelende collega, naar die automobilist en naar mezelf? Kan ik de ware waarneming toelaten? Op “eigen kracht” lukt me dat niet. Mijn verslaving aan de neiging om te oordelen is zo groot dat ik een Coach nodig heb. Zodra ik opmerk dat ik er weer intrap wend ik me tot Hem. “Heer, ik heb weer die neiging om die ander of mezelf te kruisigen. Ik doe dit omdat ik me hierdoor lekker “ik” voel en tegelijk voel ik me hier schuldig over. Hier ben ik met mijn onnodige angst en mijn onnodige schuldgevoel. Heer, dank dat u me liefhebt en in mij geen zonde ziet. Help me om met uw liefdevolle ogen zo ook naar die ander en naar mezelf te kijken. Leer me dat het vergeven van mijn projecties, het openen naar mijn broeders, leidt tot het binnenstromen van Uw altijd aanwezige Liefde”.

Mijn zondeloze broeder is mijn gids naar vrede.

Even een mijmering..

just_a_thought__steven_universe__by_loopusomg-dafjukz

Het valt me op dat m’n aardse droomleventje steeds meer doortrokken wordt door de Cursus, door het verlangen om naar Hem te luisteren. Toen ik de eerste keer de werkboeklessen deed vond ik het nogal een opgave om bepaalde oefeningen zo dikwijls te doen. Steeds meer vallen nu Cursus-citaten me spontaan en veelvuldig te binnen.

Een ‘bijwerking’ van de Cursus las ik zojuist (T2 III 4):

“Dit herstelt de macht van de denkgeest en maakt het hem steeds onmogelijker om uitstel te dulden, in het besef dat het de pijn slechts nodeloos vermeerdert. Hierdoor wordt de denkgeest almaar gevoeliger voor wat hij vroeger gezien zou hebben als heel kleine steken van onbehagen.”

Het is een soort conflict-antennetje. De kleinste irritatie wordt opgemerkt, het kleinste gevoel van ongenoegen. “He, ik geloof dat het echt is wat er nu gebeurt. Ik stink erin”. Voorheen was m’n primaire reactie: “wat kan IK hieraan doen?” Nu is het meer “hoe kan ik zo snel mogelijk opzij stappen en Hem Zijn ding laten doen?”.

Langzaam maar zeker groeit het vertrouwen. Steeds meer wordt gezien dat het maar zo lijkt dat er zoveel verschillende kwesties zijn. Maar belangrijker; steeds meer laat ik slechts dat ene antwoord gebeuren, de Verzoening. Dankbaar dat het niet van mij afhangt!

Mijn keuze voor negatieve beelden

aleppo-syria

Afgelopen week fietste ik over de Geniedijk in Hoofddorp. Een groepje van drie jongens van een jaar of 15 stond vuurwerk af te steken. Een ander groepje wat kleinere kinderen fietste erlangs. Eén van de fietsertjes riep baldadig richting de grotere jongens of hij ook wat vuurwerk mocht. Zonder zich een seconde te bedenken gaf zo’n grotere gast razend snel een trap tegen de fietser. Gelukkig kon deze zich overeind houden.

Vanmorgen werd ik wakker. Iets te vroeg en met wat hoofdpijn. Ik keek op mijn smartphone en kwam terecht in een nieuwsrubriek. Platgegooide steden in Syrië, doden en gewonden. Russische dreiging. Geruzie rondom Wilders.

Wat hebben deze gebeurtenissen met elkaar gemeen? Vooral dit; ik geloof ze. Ik geloof dat het waar is wat ik zie. Ik geloof dat mijn medemensen agressievelingen zijn, ruziemakers, onruststokers. Ik voel me onveilig en bedreigd en vind dat de wereld waarin ik leef steeds grimmiger wordt, steeds ongezelliger. Ik denk aan het mooie pleidooi van Jan Terlouw. We vertrouwen elkaar niet meer. Zo jammer.

Maar wat als ik nu eens besluit om niet langer te geloven wat mijn ogen me lijken te laten zien? Ik zeg krachtig tegen mijn gedachten en tegen mijn duistere wereldbeeld: “Ik geloof dit niet langer”. Wat gebeurt er? Helpt het? Nee, niet echt. Door te zeggen dat ik het niet geloof blijkt des te sterker dat ik het juist heel erg geloof. Dat negatieve beeld van een slachtoffer Simon in een lichaam in een steeds bedreigender wordende wereld lijkt heel sterk. Toch is het dat niet. Mijn geloof in de echtheid hierin is heel sterk. Waarom geloof ik dit zo sterk? Waarom ervaar ik weerstand om dit geloof in twijfel te trekken?

De Cursus leert dat er sprake is van een verborgen agenda van het ego. Het is heel paradoxaal maar ik wens juist te geloven dat ik belichaamd slachtoffer ben in een boze wereld. Iedere twijfel hieraan wordt door het ego met argwaan bezien. Wat als ik werkboekles 343 toepas en op alles wat ik zie vergeving laat rusten? Vanuit mijn kleine ikje is dit kennelijk erg lastig. Ik ervaar zelfs weerstand om mijn blik voorbij te laten gaan aan de beelden die mijn ogen mijn tonen. Vanuit mijn kleine zelf  lukt me nauwelijks om te zien dat vechtersbazen en ik  onbegrensde, liefdevolle Zonen van God zijn. Ik geef er de voorkeur aan te blijven hangen aan “de buitenkant”, aan wat ik op hen (en daarmee op mezelf) projecteer. Om anders te kijken en opnieuw te kiezen heb ik hulp nodig, Zijn ogen, Zijn Stem.

Als ik me openstel voor de mogelijkheid om de door mij gekoesterde projecties los te laten voelt het haast of ik iets moet opgeven. Of ik iets moet offeren. Maar er wordt van mij helemaal geen offer gevraagd om Gods genade en vrede te vinden (WB343). Het is slechts angst voor mij om de afgoden van de geprojecteerde wereld niet meer te geloven, de bedrieglijke beelden los te laten en mijn vertrouwen te richten op liefde. Want als ik mijn broeders zie met de ogen der liefde dan ervaar ik de liefde in mijzelf. Die openheid voelt kwetsbaar en eng. Maar tegelijk ook hoopvol, liefdevol. Dus vandaag leer ik de wet van de liefde: wat ik mijn broeders geef is mijn gave aan mij (WB344). “Heer ik bied U mijn angst, mijn geloof in mijn projecties waarmee ik me probeer af te houden van Uw Liefde. Heer hier ben ik, in Uw handen beveel ik mijn geest.”

Boze oude man.

img_0539

Een korte vakantie op Tenerife. Dinsdagochtend bij het ontbijtbuffet zoeken m’n vrouw en ik een plekje op het terras. We gaan zitten en beginnen te smullen van al het lekkers. Wat een mooie ochtend! Er verschijnt een oude manlijke toerist aan onze tafel die met zwaar Duits accent ons in het Engels toebijt: “This is my tabel!”Verbaasd kijken we hem aan. Er stond geen tasje, er hing geen jas of vestje en het bestek was nog onaangeroerd. Er staat wel al een thermoskannetje koffie. Ook nog onaangeroerd. “This is my table and my coffee”. Even vrees ik dat hij wil gaan meppen. Met kloppend hart antwoord ik dat we very sorry zijn en wel ergens anders willen gaan zitten. Meneer is echter zo boos dat communicatie niet meer mogelijk blijkt. Hij gaat ziedend twee tafels verder zitten en beklaagt zich bij de obers. “They took my table!” M’n vrouw en ik begrijpen het niet. “Er stond inderdaad wel al een koffiekannetje, dat had ons aan het denken moeten zetten”, zegt ze. “Maar er zijn nog zoveel tafels leeg, wat is het probleem?”, antwoord ik.

Dit voorval kwam weer in m’n gedachten vanmorgen toen ik WB 335 las “Ik kies ervoor mijn broeders zondeloosheid te zien”. Koos ik daarvoor? Nou, nee. Ik vond het een overdreven oude, starre engerd. Dat is m’n snelle ego-reactie, de makkelijke keuze voor de brede weg die naar (denkbeeldige) zonde leidt. Waarom reageer ik zo? Waarom ging mijn hart zo tekeer? Waarom verdedig ik me en heb ik weinig vriendelijke gedachten over iemand die ik niet graag als broer zou willen hebben?

Als ik het onderzoek merk ik dat hij appelleert aan een gevoel van fout-zijn van mij. Niet zozeer fout zijn in engere zin over dat lullige tafeltje. Nee, een dieper gevoel van fout-zijn. Ik projecteer op deze man het beeld van een boze vader-god. Ik meen dat ik hem iets heb aangedaan. Ik heb me los gedacht van hem en ben nu kwetsbaar en schuldig. Hij is nu buiten mij in de vorm van deze boze broeder. Er begint een beetje begrip te komen voor het boos vertrokken gezicht van hem. Ook hij meent afgescheiden te zijn en gelukkig te worden als hij zijn eigen plek krijgt. Hij ziet nog niet dat dit tafeltje een symbool is voor de liefde die hij echt zoekt, die hij meent kwijtgeraakt te zijn. Hij meent dat ik zijn liefde heb gestolen en wil me aanvallen om het terug te krijgen. Hij voelt zich alleen, verdwaasd en bang. Net als ik. Samen zijn we gevangen in projecties vanuit vermeende eenzaamheid en armoede. Beiden wanhopig opzoek naar de liefde die we zijn.

Met mijn -en zijn vermeende kwetsbaarheid in gedachte wend ik me tot Hem. Heer, vanuit mijzelf kan ik alleen maar aanvallen en verdedigen. Zie mijn angst. De angst om de mogelijkheid toe te laten dat ik nooit een ikje ben geweest, dat mij niks ontbeert, dat ik me mag overgeven aan U. Ik hoef geen muren overeind te houden, ik ben niet schuldig en ik zie mijn denkbeeldige kwetsbaarheid weerspiegeld in deze oude broeder. Heer, dank voor Uw zegen, Uw verzekering aan ons dat we totaal zondeloos zijn.

Lichamelijke effecten

img_0538

Ik las in een FB-groep een stukje van een geliefde broeder die tijdens zijn studie van de Cursus allerlei lichamelijke sensaties ervaarde. De tekst maakte indruk op me maar zette me ook aan het denken. Temeer daar hij, in mijn ogen, toch een beetje doorschoot naar een uiterste; ‘het begint pas echt wat te worden met je studie van de Cursus als je allerlei lichamelijke, energetische sensaties meemaakt’. Hij nam hiermee enigszins stelling tegen studenten voor wie de Cursus een louter mentale exercitie lijkt te zijn.

Het lijkt me toe dat het écht maken van verschijnselen binnen de illusie op twee manieren wat kan doorslaan. Ik zal de twee uitersten schetsen:

1: Er hoeft binnen de droom niks te veranderen want het is toch niet echt.
2: Als er niks binnen de droom verandert dan is het nóg niet echt

Het valt niet mee om de slimheid van het ego te ontmaskeren. Ik doe een poging:

Ad 1: Er kan hier sprake zijn van angst voor het omvallen van vertrouwde beelden binnen de droom. Anders gezegd; krampachtig vasthouden aan de onveranderlijkheid van bijvoorbeeld ziekte (omdat deze toch niet echt zou zijn) kan juist voorkomen uit angst voor het wegvallen van de vermeende zekerheid van ziekte, van de dualiteit en van het slachtofferschap.
Ad 2: Voordat je het beseft neemt het ego op deze manier de illusie weer heel serieus en eist het het wegvallen hiervan (genezen van ziekte, opvallende energetische effecten) als bewijs dat God echt ingrijpt binnen onze droom.

Samenvattend: je kunt als Cursus-schriftgeleerde lichamelijke genezing niet toestaan omdat je uit angst eist dat hier géén verandering in mag gebeuren maar je kunt hem ook juist opeisen als bewijs dat er wél echt iets in de denkgeest is gebeurd.

Mij helpt het om, heel onzuiver, de Bijbel in gedachten te nemen. Op z’n zachtst gezegd gebeuren daar heel opmerkelijke wonderen binnen de illusie van onze wereld, tot aan het verschijnen van Jezus in fysieke vorm na zijn dood toe. Maar Jezus zegt ook ergens dat mensen die kunnen geloven zonder (de effecten) te zien zalig zijn.

Het lijkt me dat in deze discussie krampachtigheid en angst goede indicatoren zijn voor activiteit van het ego. Als er niks mág gebeuren of als er juist iets móet gebeuren dan treedt er een onheilig moeten het gesprek binnen. De woorden van onze geliefde broeder Koos Janson komen nu in me op. Echte genezing betreft altijd de denkgeest (er is immers niet anders) en als dit gepaard lijkt te gaan met een wondertje binnen de illusie dan is dit het toefje op de taart. Echt nodig? Nee. Echt fout? Nee. Maar wel lekker zo nu en dan!